Economie, arbeidsmarkt en organisatie kwartiel 2 – 60% theorie gesloten
vragen, 20% thema 1 met open vragen, 20% thema 2 met open vragen. Boek
waarom Cola duurder is dan melk.
De arbeidsmarkt en economie zijn van elkaar afhankelijk.
Week 1: de basis 1, belangrijke economische begrippen
Economie = een wetenschap die zich bezighoudt met de invulling van de menselijke
behoefte naar goederen en/of diensten.
Vraag en aanbod op elkaar afstemmen.
Voorbeeld: crisis 2008. Wat niet lekker liep was technologiesector. Luxeproducten
zoals tv’s werden amper verkocht. Dit zijn secundaire behoeften.
3 factoren bij omzettingsproces:
Productiecapaciteit bepaald door aanwezige productiefactoren
Hoeveelheid Kwaliteit
Arbeid Omvang van de bevolking Mate van scholing,
kwaliteit van het
management
Kapitaal Hoeveelheid Toepassing nieuwe
kapitaalgoederen technieken. Doelmatige
organisaties
Natuur Hoeveelheid natuurlijke Kwaliteit van hulpbronnen
hulpbronnen bv. gas,
water, olie
Drie vormen van algemene economie:
Macro Meso, bv. Micro, 1 dienst of 1
tabaksindustrie product dat je maakt
Betreft het totale Op sector niveau (zoals De vraag naar en het
aanbod en de totale bv. de industrie) en aanbod van maar één
vraag bedrijfstakken (zoals bv. goed (product of dienst
whisky distilleerderijen) (zoals bv. een pen)
Concurrentie tussen
winkels.
Bedrijfseconomische cyclus:
1. Plan ontwikkelen (doel en activiteiten) hr-beleid (strategisch of tactische
hrm)
2. Analyseren van de beginsituatie (waar staan we)
3. Activiteitenplannen
4. Activiteiten uitvoeren (operationeel de taken uitvoeren als hr)
5. Afrekenen (wat heb ik behaald) als je administratie op orde hebt kun je
kijken of je het doel hebt behaald. Denk aan competentieprofiel Ulrich.
6. Eindsituatie (start van nieuwe periode) inventariseren wat je moet doen om
het einddoel te realiseren.
,HRM heeft invloed op alle stappen.
Verslaglegging:
Is interessant voor: management van het bedrijf (iedereen die beslissingen neemt).
Accountant controleert balans en resultatenrekening (winst- en verliesrekening) dit
maakt samen de jaarrekening (is verplicht).
Balans = overzicht van het vermogen (bezittingen en schulden) op moment X.
Winst & verlies = wat is mijn winst.
Bedrijfseconomische ratio’s
Geven aan hoe het economische gezien met het bedrijf staat.
Solvabiliteit: kan het bedrijf de verplichtingen op lange termijn betalen (bv.
grote langdurige leningen); verhouding eigen (geld wat je zelf inbrengt in de organisatie) en
vreemd vermogen (externe lening).
Liquiditeit: kan het bedrijf de verplichtingen op korte termijn betalen (bv.
bestelling voorraad); verhouding vlottende activa (alle producten die je verkoopt) en schulden op
korte termijn.
Rentabiliteit: in hoeverre is de investering winstgevend; verhouding winst en de
investering die hiervoor nodig is geweest.
Stel:
Eigen vermogen = €10.000
Lening bank = €200.000
= 0,05 = 5%
Activa = bezittingen van een bedrijf.
Passiva = bronnen waarmee een onderneming gefinancierd is, in feite al het geld dat
in de onderneming geïnvesteerd is.
Vlottende activa = die bezittingen van een persoon, bedrijf of organisatie die maar
gedurende één productieproces kunnen worden gebruikt. Vlottende activa staan
tegenover vaste activa, waaronder bijvoorbeeld de inventaris en het bedrijfsgebouw
vallen. Voorbeelden van vlottende activa: voorraden.
Kortlopende schuld = ook wel vlottende activa of kort vreemd vermogen genoemd,
zijn schulden die op korte termijn - binnen één jaar - betaald moeten worden. De
, kortlopende schulden vormen samen met de langlopende schulden het vreemd
vermogen. Het vreemd vermogen staat aan de rechterkant van de balans.
Langlopende schuld = verkregen krediet of geleend geld waarvan de verplichting
tot terugbetaling langer is dan een jaar.
Vaste activa = de bezittingen verstaan waarvan het daarvoor benodigde vermogen
voor een periode langer dan een jaar is vastgelegd. Voorbeelden hiervan zijn de
gebouwen, inventaris, de machines en installatie.
Eigen vermogen = zelf ingebracht geld.
Vreemd vermogen = schulden, geld dat je van iemand anders hebt geleend.
Participanten en omgeving
Stakeholders (belanghebbenden): wat willen ze van ons, waarom en hoe reageren
we daarop?
Participanten: management, werknemers, vermogensverschaffers,
leveranciers, afnemers, overheid (belang bij belastingen heffen en de
samenleving) .
Omgevingsfactoren (economisch): concurrentie, economische situatie,
buitenlang, economische orde.
Omgevingsfactoren in ruime zin (niet-economisch): demografie, techniek,
normen, politiek, etc. denk aan inleiding m&o.
Bewegingen m.b.t. de bedrijfskolom:
Integratie (volgende stap in bedrijfskolom).
Bv. fietsfabrikant heeft ook een
fietsenwinkel. Dus naast productie ook
verkopen.
Differentiatie
Specialisatie (horizontale verbreding/
inperking van productaanbod)
Parallellisatie (horizontale verbreding/
inperking van productaanbod)
Video bas haring kijken
Primair (natuur):
Landbouw
Visserij
Secundair (industrie):
Delfstoffen, industrie
Energie, bouw
Tertiair (commercieel):
Groot- en detailhandel
Financiële instellingen, Comm & informatie
Advies en overige zakelijke dienstverlening
Quartair (niet-commercieel):