4
Stellen
Schrijfstrategieën:
- Vertellend: je begint gewoon te schrijven zonder precies te weten waar je verhaal naar
toe gaat. Tijdens het schrijven ontdek je het plot, de personages en de thema’s/
- Denkend: je bedenkt vooraf wat je wilt schrijven en maakt een plan of outline. Je weet al
welke boodschap je wilt overbrengen en hoe je verhaal zult verlopen.
Functies van het schrijven:
- Communicatief: de tekst is voor iemand anders bedoeld
- Conceptualiseren: schrijven om grip te krijgen van de wereld om je heen. Samenvatten,
onderzoeksvragen formuleren of beantwoorden.
- Expressief: schrijven als middel om jezelf uit te drukken. Dagboek.
De stappen van het schrijfproces:
- Bepalen doel, publiek en tekstsoort: doelen → informeren, overtuigen, amuseren en
instrueren
- Verzamelen, selecteren en ordenen van de inhoud: hoe kom je aan de inhoudelijke
informatie over een tekst?
- Structureren van de tekst: de informatie in een tekst in een bepaalde volgorde
aanbieden.
Stapelstructuur:
Tekst bestaat uit min of meer losse onderdelen (boodschappenlijstje,
ingrediëntenlijst recept.)
Verhaalstructuur: personages maken opeenvolgende gebeurtenissen mee
Betoogstructuur: mening of standpunt wordt ondersteund met argumenten.
- Formuleren. Kan op veel manieren: woordenschat en ervaring zijn belangrijk. Stileren
(schrijfstijl) en coderen (taalregels toepassen)
- Reviseren: kritisch lezen en bijstellen van een tekst (achteraf of tijdens)
- Verzorgen van de tekst: lay-out en opmaak
- Reflecteren op schrijfgedrag: gebruik gerichte vragen.
, Taalbeschouwing
Taalbeschouwingsstrategieën:
- Analyseren: delen in woorden herkennen (hoopvol)
- Relateren: taal-denkrelaties leggen en letten op signaalwoorden (maar, en, want, net als,
namelijk, kortom, dus)
- Vergelijken: overeenkomsten en verschillen tussen woorden en zinnen onder andere
synoniemen, homoniemen, etc. (wei – wij)
- Classificeren: taal indelen in een categorie. Combinatie van vergelijken en analyseren.
(huisje = kleiner → meisje = kleiner)
- Generaliseren: een mogelijke taalregel bedenken of ontdekken (de persoonsvorm staat
bij een vraagzin vaak voorop. Dit kan door het vinden van de vraagzin)
- Herordenen: woorden en zinnen vanuit een andere blik bekijken en de informatie op
andere manieren ordenen.
Het taalsysteem:
- Fonologie: verwijst naar de klanken van een uitspraak
- Orthografie: spelling en schrijfwijze van woorden
- Morfologie: verwijst naar structuur en opbouw van woorden
o Woordleer: taalkundig ontleden
o Vrij morfeem: tuin
o Gebonden morfeem: tuintje
o Samenstelling: tuinslang (2 vrije morfemen samen)
o Afleiding: tuinier (vrij morfeem + gebonden morfeem = nieuw woord)
o Verbuiging: tuinen (vrij morfeem + gebonden morfeem = geen nieuw woord)
o Vervroeging: tuiniert (vervoeging van een werkwoord)
- Syntaxis: structuur van zinnen en volgorde van woorden
o Zinsleer: redekundig ontleden
- Semantiek: betekenis van woorden, woordgroepen en zinnen
o Antoniemen: een woord dat het compleet tegenovergestelde is van een ander
woord.
o Synoniemen: een woord dat ongeveer dezelfde betekenis heeft als een ander
woord.
o Hyponiemen: een overkoepelend woord voor een groep meer specifieke
woorden. Dier → kat, hond, paard
o Homoniemen: : woorden die hetzelfde geschreven zijn en hetzelfde klinken, maar
een andere betekenis hebben. Arm → lichaamsdeel / niet rijk
o Homografen: woorden die hetzelfde geschreven worden, maar anders worden
uitgesproken en een andere betekenis hebben. (dij kramp – dijk ramp) Komt vaker
voor in je Engels dan Nederlands
o Homofonen: woorden die hetzelfde klinken, maar ander geschreven worden en
een andere betekenis hebben rijzen → reizen.
- Pragmatiek: het gebruik van taal in de praktijk