Leerdoel: Hoe moet een diagnosticus zich opstellen/hoe kun je cultuurbewust hulpverlenen? 3 soorten bias:
Borra et al. (2016) H2 - Constructbias.
Dilemma’s interculturele diagnostiek: - Methodebias.
- Instrumenten. 3 soorten: sample bias, instrument bias, administration bias.
- Interpretatie. - Itembias.
cultuurbewust hulpverlening.
Equivalentie:
Intersectionaliteit/kruispuntsdenken (niet één deelidentiteit). - Kwalitatief (structureel) = construct.
andere/anderende vraag. - Kwantitatief = measurment unit scalar/full scale.
Model Papadopoulos, Tilki en Taylor Strategieën identificeren/omgaan met bias:
4 stadia: cultureel bewustzijn, culturele kennis, culturele sensitiviteit, culturele comptentie. - Constcructbias:
kritiek: te rigide. Decentrering.
Converge approach.
Misverstanden m.b.t. interculturele competenties: - Construct/methodebias:
- Alleen voor autochtone hulpverleners. Informanten.
- Alleen kennis. Tweetalige subjecten.
- Alleen in werksituaties. Lokale enquêtes.
- Alleen interetnische situaties. Pilot op niet gestandaardiseerde manier.
Vergelijken nomologische netwerken.
Interculturele ontmoeting (hokjesdenken). - Methodebias:
Training, vaste instructies, handleiding.
Kennis, houding, vaardigheden (per onderdeel: achtergrond hulpverlener, wereld cliënt, Mogelijke confounders meten.
interventiestrategieën). Zijdelingse informatie (observatie).
Test-herstest, training of interventiestudies.
10 belangrijke kenmerken cultuurbewuste hulpverlener (rijtje). - Item bias:
Statistische technieken.
Kennis: Beoordelingsmethoden.
- Theoretisch (scientific minded). Error en distracter analyse.
- Professioneel. Extra items.
- Persoonlijk.
Echte en vermeende oplossingen voor interculturele diagnostiek:
Invoegen en inzicht krijgen op de leefsituatie. - Gebruik van cultuur vrije tests.
Ontwikkelen van een werkrelatie en interventiegericht handelen. culturally reduced tests/culture-fair.
- Gebruik standaardtests.
2 voorwaarden om psychologie/psychiatrie toe te passen bij niet-westerse culturen. voorspellende waarde goed.
- Geen gebruik standaardtest, alleen observaties en interviews.
Theoretisch model over oriëntaties van mensen op de werkelijkheid: lost probleem validiteit niet perse op.
- Absoluut universalistisch.
- Communicatief universalistisch. 10 regels voor het gebruik van psychologische testen bij interculturele groepen (rijtje).
3 voorwaarden.
- Communicatief relativistisch. 6 vuistregels m.b.t. interculturele diagnostiek:
- Absoluut relativistisch. - Geen standaardaanpak.
- Geen cultuurvrije tests (wel tests die beter bruikbaar zijn).
Leerdoel: Wat zijn de beperkingen/mogelijkheden in testgebruik? - Afnemen stelt eisen aan instrument en diagnosticus.
, - Rekening houden met bias.
- Kwaliteit diagnostiek bepaald door vermogen van diagnosticus om om te gaan met
beperkte bruikbaarheid tests.
- Rapportage aangeven hoe er rekening is gehouden met de culturele achtergrond.
Artikel Van de Vijver et al.
3 soorten equivalentie (hiërarchisch):
- Construct = kwalitatief.
- Measurment scale = kwantitatief.
- Scalar/full scale = kwantitatief.
2 manieren om een test te vertalen: Elke cultuur eigen ziekte-idioom.
- Translation-backtranslation. emoties verschillende uiting, soms geen taal voor.
- Committe approach (successive/simultaneaous). verschillende ziektegedrag.
successive, 3 manieren: verschillende verklaringsmodellen.
Application.
Adaptation. Stappen in de ontwikkeling van klachten (Beck):
Assembly. - Blootstelling prikkels.
- Psychobiologische reacties.
Leerdoel: Wat zijn de culturele verschillen (in prevalentie/beleving/uitingsvorm) van psychische - Deel bewustzijn.
problemen? - Cognitief label attributie.
Kortmann et al. H5 - Bewuste affectieve ervaring.
Prevalentie psychiatrische stoornissen migranten hoger. - Verklaringsmodel.
4 omschrijvingen ‘ziekte’; Illness Disease
- Beroepsgroep geneeskundigen. type 1,2 onderscheid makkelijk, type 3,4,5 moeilijker.
- Afwijking gemiddelde.
- Belemmert functioneren. Diagnose (type 1,2) Assessment, inschatting (type 3,4,5).
- Bestempeld door de samenleving.
DSM.
Kunstmatige soortterm natuurlijke soortterm.
2 stromingen:
5 typen diagnosen: - Old transcultural psychiatry (disease).
- Pathologische diagnoses/hard diagnoses (organische oorzaak). - New cross-cultural psychiatry (illness).
- Pathofysiologische diagnoses (fysiologische parameters).
- Symptoomdiagnoses (kenmerkend symptoom). Artikel Verhulp et al. (2013)
- Syndroomdiagnoses (clusters symptomen, polyetisch karakter). Doel: verschillen in gebruik van mentale gezondheidsvoorzieningen bij adolescenten met
- Psychosociaal bepaald probleemgedrag (grens normaliteit moeilijk). internaliserende problemen tussen autochtonen en Surinaamse/Turkse/Marokkaanse etniciteit
onderscheid verleden: organische psychosyndromen/functionele of psychosociale stoornissen. onderzoeken, en de mediërende rol van emotionele probleemidentificatie daarbij.
Resultaten:
- Internaliserende problemen:
Adolescenten: geen verschil.
Ouders: verschil autochtoon en Marokkaans.
- Gebruik mentale gezondheidsvoorzieningen:
Adolescenten: verschil autochtoon en Marokkaans.
, Ouders: verschil autochtoon en andere groepen. - Impact parentificatie op aanpassing kinderen (ouder-kindrelatie en psychopathologie).
- Emotionele probleemidentificatie. - Etniciteit als mogelijke moderator.
Adolescenten: verschil autochtoon en Marokkaans. Resultaten:
Ouders: verschil autochtoon en andere groepen. - Stabiel van vroege tot late adolescentie.
- Emotionele probleemidentificatie mediator in de relatie tussen gebruik van mentale - Emotionele en instrumentele parentificatie hebben effect op psychopathologie en ouder-
gezondheidsvoorzieningen bij internaliserende problemen en etniciteit. kindrelatie.
3 mogelijke verklaringen. - EU-A: emotioneel + instrumenteel externaliserende gedragsproblemen + slechtere
ouder-kind relatie.
Khafi et al. (2014) AF-A: emotionele parentificatie betere ouder-kindrelatie, instrumentele parentificatie
Doel: neutraal.
- Patroon parentificatie van vroege tot late adolescentie beschrijven.