Internationaal publiekrecht 2024
Inhoudsopgave
Week 1 ROZE ........................................................................................................................2
Week 2 ROZE + NAAM ....................................................................................................... 11
Week 3 ORANJE ................................................................................................................. 18
Week 4 GROEN ................................................................................................................... 26
Week 5 BLAUW................................................................................................................... 33
Week 7 GEEL ...................................................................................................................... 40
Week 6 GEEL ...................................................................................................................... 44
1
, Week 1 ROZE
Internationaal recht is voornamelijk van belang voor de rechtsorde van de staten afzonderlijk.
Internationaal recht kan worden gezien als een codificatie van internationale fatsoensnormen. Veel
afspraken die op internationaal niveau worden gemaakt, zoals afspraken over terrorisme en het milieu
hebben pas echt effect als de staten deze afspraken binnen hun nationale rechtsorde toepassing geven.
Het nationale recht is niet los te koppelen van het internationale recht. Een sterke internationale
rechtsorde biedt stabiliteit in nationale betrekkingen en dit maakt het makkelijker om gemeenschappelijk
belangen te realiseren en beschermt zwakke staten.
De Nederlandse rechtsorde is in grote mate opengesteld voor internationaal recht. art 94 GW maakt het
mogelijk dat sommige internationale rechten en verplichtingen rechtstreeks doorwerken in de nationale
rechtsorde. Indien er sprake is van een botsing tussen internationaal en nationaal recht dan heeft
internationaal recht voorrang boven het nationale recht en de grondwet bepaald art 93 GW.
Historische ontwikkelingen
De vrede van westfalen in 1648 speelde een belangrijke rol voor de staten en daarmee dus ook voor
de ontwikkeling van het internationale publiekrecht. Met de vrede van westfalen kwam er een einde aan
de dertigjarige en tachtigjarige oorlog. Nederlanden sloot vrede met Spanje in het verdrag van münster
en het verdrag van Osnabrugge voor katholiek tegen protestant. Belangrijk voordeel hiervan was cuius
regio, eius religio (wiens gebied, diens religie). De republiek der Zeven verenigde Nederlanden werd
bij de vrede van Westfalen voor het eerst als een nieuwe, onafhankelijke staat erkend. Er kwam een
systeem waarbij de afzonderlijke staten niet meer ondergeschikt waren aan een gezag dat boven hen
stond. Staten kregen een zelfbeschikking, een soort soevereiniteit. Vanaf dat moment kon er een
onderscheid worden gemaakt tussen het publieke gezag en de private belangen.
Rond de 17e, 18e en 19e eeuw vonden er ook veel ontwikkelingen plaats. Feodalisme en stadsstaten
moesten plaatsmaken voor natiestaten. Daarnaast ontstonden imperialisme en kolonialisme. Het
natuurrecht werd steeds minder belangrijk ten opzichte van het positieve recht. in 1815 werd met het
congres van wenen dan ook de Europese orde vastgesteld. Als er een conflict was in Europa zouden
de mogendheden bij elkaar komen om dat de bespreken. Op een gegeven moment veranderde de
machtsevenwicht en werkte dit systeem minder goed.
Rond de 20ste eeuw probeerde men voor het eerst een nieuw idee uit, een internationale organisatie.
Uiteindelijk werd de Volkenbond opgericht. Zij gingen samenwerken om de vrede te bewaren. Er werd
een vredesverdrag gesloten. Uiteindelijk bleek dat Volkenbond niet zo’n groot succes. Kort hierna begon
de tweede wereldoorlog. Na de tweede wereldoorlog in 1945 werd de verenigde naties opgericht. Zij
ontwikkelde een belangrijke regel namelijk het verbod op geweld. (uitzondering recht op
zelfverdediging). In 1948 werd de universele verklaring van de rechten van de men aangenomen. Echter
ook het idee dat mensen niet alleen rechten maar ook plichten hadden. In 1998 werd het internationaal
strafhof opgericht.
Het ontstaan van het internationale publiekrecht wordt vaak in relatie gezien met het ontstaan van de
soevereine en onafhankelijke staat. Het ontstaan van de soevereine en onafhankelijke staten hadden
wel degelijk invloed op de ontwikkeling van wat wij nu internationaal publiekrecht noemen. Om deze
onafhankelijke staten in vrede naast elkaar te laten bestaan diende er een systeem van rechtsregels te
komen die voor alle staten van toepassing kon zijn. Het internationaal publiekrecht had vooral de functie
om de co-existentie van de staten te reguleren.
Dit internationaal publiekrecht was in het begin eigenlijk vooral Europees recht, maar al snel begonnen
Europese staten ook activiteiten te verrichten in ander delen van de wereld. Europa sloot capitulaties
(overeenkomsten op het gebied van handel ter bescherming van de burger) met andere machtige
politieke entiteiten, zoals het Ottomaanse Rijk.
Het internationaal publiekrecht kreeg hierdoor in grafische zin een mondiaal karakter, maar
functioneerde nog niet als een universeel rechtssysteem. De rechtsbetrekking die de verschillende
politieke entiteiten met elkaar hadden, werden ook niet tot het internationaal publiekrecht geregeld. Pas
na de eerste wereldoorlog kwamen de verenigde staten op als nieuwe machtsfactor, ook ontstond de
Sovjet-Unie en het communisme. Deze ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat Europa de grip verloor
op het internationale publiekrecht.
Na de tweede wereldoorlog werd het beginsel van zelfbeschikking aanvaard in het Handvest van de
verenigde naties. Toen kreeg alle volkeren het recht om over zichzelf te beschikken en werden de
koloniale rijken opgeheven, waardoor het aantal staten snel toenam. Vanaf dit moment had het
internationale publiekrecht wereldwijde gelding. Aan de ene kant ontstonden er steeds meer
bovennationale vormen van organisatie, zoals Europese unie en verenigde naties. Aan de andere
2
,kant werden steeds meer functies die oorspronkelijk aan /de staat werden toegeschreven, uitgeoefend
door niet-statelijke instituties.
De uitoefening van het publieke gezag in de internationale gemeenschap wordt door het internationale
publiekrecht geregeld. internationaal publiekrecht kent aan bepaalde entiteiten bevoegdheden toe en
beidt juridisch gezien een kader waarbinnen zij die bevoegdheden moeten uitoefenen. Het
internationaal recht ook wel het volkenrecht genoemd. Met volkenrecht (ius gentium) wordt het recht
bedoeld dat tussen staten bestond. Echter is de term volkenrecht beperkt, want het internationale
publiekrecht ziet niet alleen op het recht dat tussen staten geldt, maar ook andere actoren zoals
internationale organisaties en niet-gouvernementele organisaties.
Het internationale element duidt op het feit dat het internationaal publiekrecht niet hetzelfde is als het
nationale recht. Om te bepalen of iets valt aan te merken als internationaal recht of nationaal recht moet
je kijken naar de rechtsbron.
Het internationale recht kent 4 rechtsbronnen (worden genoemd in art 38 statuut IGH):
• Gewoonterecht
• Verdragen
• Besluiten van internationale organisaties
• Algemene rechtsbeginselen
Wanneer er een rechtsregel voortvloeit uit een van deze rechtsbronnen dan kunnen we spreken van
internationaal recht. Als we kijken naar de vraag of het internationale recht en het nationale recht
daadwerkelijk van elkaar te onderscheiden zijn, er zijn twee verschillende opvattingen namelijk de
dualistische leer en de monistisch leer.
• De dualistische leer: de internationale rechtsorde en de nationale rechtsorde zijn van elkaar
gescheiden, het internationale recht moet worden geïmpliceerd door de nationale overheid
• De monistische leer: er is slechts een rechtssysteem bestaat waarvan zowel het internationale
als het nationale deel van uitmaken.
In de loop van de tijd is de context tussen de verschillende leren veranderd. De moderne rechtsorde
heeft immers betrekking op meer dan enkel de staten. Tegenwoordig kennen we meerdere organisaties
dit heeft ervoor gezorgd dat de verhouding tussen het nationale recht en het internationale recht
ingewikkelder is geworden. Hierdoor zijn er verschillende opvattingen ontstaan zoals de pluralistisch
opvatting, waarbij beide rechtsordes op gelijke voet staan.
Het internationale recht en het nationale recht zijn formeel van elkaar gescheiden. De regels van
nationaal recht hebben geen werking in het internationale recht en andersom. Hierbij zijn de volgende
punten van belang: het internationale recht heeft voor een groot deel betrekking op individuen, het
internationale recht is steeds meer van toepassing op onderwerpen die ook in het nationale recht
geregeld worden zoals veiligheid en milieu, de nationale rechtsordes zijn steeds meer opgesteld voor
regels van de internationale rechtsorde.
Internationaal VS Nationale rechtssysteem
• De staat heeft een nationaal rechtssysteem. Er is een centraal gezag, dit houdt in dat er een
verticale gezagsrelatie bestaat tussen overheid/autoriteiten en rechtssubjecten. Dit recht wordt
opgelegd, dit uit zich door het stellen van regels en handhaving. Maakt niet uit wat je er van vind
je wordt er aan gebonden.
• De staat kent internationaal recht
o een veelvoud aan autoriteiten, er bestaat een horizontale relatie tussen staten, dit komt
omdat alle staten zeggen soeverein te zijn. Gedecentraliseerde recht van een veelheid van
nationale gemeenschappen. Er is geen centraal gezag.
o Identiteit van rechtssubjecten
• Staten maken het internationaal recht
• Staten handhaven het internationaal recht
• Staten moeten instemmen met internationale rechtspraak
En staten zijn onderworpen aan het internationale recht (als rechtssubject), maar daarnaast zijn ze
ook de maker van dit recht (de autoriteit). (dit is verschillend in het nationale recht dan in het
internationale recht, want binnen nationale recht word het recht gemaakt door het kabinet, in het
internationale recht zijn staten daarom ook dominanter)
Grote onderwerpen zoals milieu, gezondheid en terrorisme kunnen moeilijk door staten zelf worden
opgelost daarom heeft het internationale publiekrecht naast het mogelijk maken van co-extensie ook
de functie om samenwerking tussen staten te kunnen realiseren. Op sommige plaatsen neemt dit zo’n
hechte vorm aan dat het als een ware een derde vorm aanneemt namelijk het recht van integratie. Dit
3
, maakt dat de internationale rechtsorde complex is. De bescherming en uitvoering van publieke taken
worden dan deels op internationaal niveau georganiseerd zoals de verenigde naties en de Europese
unie.
Hoofdstuk 2 rechtssubjecten
Ook internationale rechtsorde heeft eigen rechtssubjecten. De term rechtssubjecten gaat over de
entiteiten of de personen die voldoen aan de voorwaarden om deel te kunnen nemen aan het
rechtsverkeer in de desbetreffende rechtsorde. De term rechtssubject is dus een status. Er bestaan
verschillende rechtssubjecten, zoals staten, de facto-regimes, internationale organisaties en individuen.
Een rechtssubject heeft de mogelijkheid om internationale rechtshandelingen te verrichten,
internationale rechten te bezitten of af te dwingen, internationale verplichtingen te hebben of
aansprakelijk te worden gesteld op internationaal niveau. Dus het vermogen hebben om bevoegdheden,
rechten of verplichtingen te bezitten. Er moet per geval worden bekeken welk rechtssubject welke
bevoegdheid/rechten heeft. Of iemand hierover beschikt wordt vooral door politieke overwegingen
bepaald. Er wordt onderscheidt gemaakt tussen personen met een volledige rechtssubjectiviteit en
personen met beperkte rechtssubjectiviteit. De enige actor die volledige rechtssubjectiviteit heeft is
de staat. De andere hebben een beperkte rechtssubjectiviteit. Verder biedt het internationale
publiekrecht zelf ook zelfstandig gronden die relevant zijn bij de vraag of een persoon als een
internationaal rechtssubject valt aan te merken of niet. Het effectiviteitsbeginsel is hierbij van groot
belang. Doordat centraal gezag ontbreekt in de internationale rechtsorde is het recht geneigd de
feitelijke uitoefening van gezag en macht te zien als een grondslag voor rechtsposities. Elke staat kan
bepalen of zij een bepaalde person dan niet als rechtssubject beschouwen en op basis daarvan
overeenkomsten met die ander wil aangaan. Erkenning speelt hierin een belangrijke rol.
Staten
De belangrijkste rechtssubjecten in het internationaal publiekrecht zijn staten. Een staat kan als volgt
gedefinieerd worden: ze zijn onafhankelijk van andere staten, oefenen publiek gezag uit over een
bepaald grondgebied en de bevolking die daar leeft. Staten ontstaan vaak doordat zij gedurende een
bepaalde periode effectief gezag uitoefenen.
Internationale organisaties (intergouvernementele organisaties)
Internationale organisaties zijn vaak opgericht door staten teneinde publieke taken uit te voeren (VN,
EU, Raad van Europa). Zij bezitten internationale rechtspersoonlijkheid en nemen als zelfstandige
entiteiten deel aan het internationale rechtsverkeer. De reikwijdte van hun bevoegdheden, rechten en
plichten wordt beperkt door het specialiteitsbeginsel: Zij hebben, anders dan staten, geen algemene
rechten en plichten en geen algemene bevoegdheid om rechtshandelingen in de internationale
rechtsorde te verrichten. Zij hebben uitsluitend die bevoegdheden, rechten en plichten die staten
uitdrukkelijk dan wel impliciet aan hen hebben toegekend (specialiteitsbeginsel)\
Facto- regimes (IS, HAMMAS, TALIBAN)
De facto-regimes zijn niet-statelijke entiteiten. Het zijn georganiseerde groepen die feitelijk effectief
gezag uitoefenen over een deel van het grondgebied van een bestaande staat en de daar levende
bevolking. Dit alleen bij afwezigheid van dit gezag dan maken hun de dienst uit. In de meeste gevallen
zijn het groeperingen die tegen de staat in opstand komen teneinde de autonomie te verkrijgen of
zichzelf af te scheiden en eigen staat te vormen. De juridische status van deze entiteiten is zwak, omdat
de internationale rechtsorde er vanuit gaat dat ze tijdelijk van aard zijn en uiteindelijk weer opgaan in de
staat. Ze hebben dus beperkte rechtssubjectiviteit. De internationale rechtsorde kan hun juridische
betekenis niet ontkennen. Wanneer staten en internationale organisaties deze entiteiten niet een
beperkte rechtssubjectiviteit toekennen, kunnen ze ook niet worden onderworpen aan internationale
verplichtingen. In het algemeen wordt aangenomen dat overeenkomsten die de facto-regies gesloten
overeenkomsten geen internationaal publiekrechtelijke status hebben.
Bevrijdingsbewegingen (FLN, PLO, ANC)
Dit zijn groeperingen die vechten tegen een koloniale mogendheid of een bezettende macht. Ze richten
zich op de bevrijding (controle over) van een gebied tegen een bepaalde onderdrukking, doel is vaak
om onafhankelijkheid te verkrijgen,. Voor bevrijdingsbewegingen is controle over grondgebied, anders
dan bij de facto-regimes, geen noodzakelijk kenmerk. Bevrijdingsbewegingen hebben een meer
vergaande rechtssubjectiviteit dan de facto-regimes, omdat ze streven naar onafhankelijkheid en de
facto regimes zijn tijdelijk van aard. Ook hebben bevrijdingsbewegingen een recht op zelfbeschikking
waarmee ze zelf over hun politieke lot kunnen beslissen. Bevrijdingsbewegingen kunnen soms
4
Inhoudsopgave
Week 1 ROZE ........................................................................................................................2
Week 2 ROZE + NAAM ....................................................................................................... 11
Week 3 ORANJE ................................................................................................................. 18
Week 4 GROEN ................................................................................................................... 26
Week 5 BLAUW................................................................................................................... 33
Week 7 GEEL ...................................................................................................................... 40
Week 6 GEEL ...................................................................................................................... 44
1
, Week 1 ROZE
Internationaal recht is voornamelijk van belang voor de rechtsorde van de staten afzonderlijk.
Internationaal recht kan worden gezien als een codificatie van internationale fatsoensnormen. Veel
afspraken die op internationaal niveau worden gemaakt, zoals afspraken over terrorisme en het milieu
hebben pas echt effect als de staten deze afspraken binnen hun nationale rechtsorde toepassing geven.
Het nationale recht is niet los te koppelen van het internationale recht. Een sterke internationale
rechtsorde biedt stabiliteit in nationale betrekkingen en dit maakt het makkelijker om gemeenschappelijk
belangen te realiseren en beschermt zwakke staten.
De Nederlandse rechtsorde is in grote mate opengesteld voor internationaal recht. art 94 GW maakt het
mogelijk dat sommige internationale rechten en verplichtingen rechtstreeks doorwerken in de nationale
rechtsorde. Indien er sprake is van een botsing tussen internationaal en nationaal recht dan heeft
internationaal recht voorrang boven het nationale recht en de grondwet bepaald art 93 GW.
Historische ontwikkelingen
De vrede van westfalen in 1648 speelde een belangrijke rol voor de staten en daarmee dus ook voor
de ontwikkeling van het internationale publiekrecht. Met de vrede van westfalen kwam er een einde aan
de dertigjarige en tachtigjarige oorlog. Nederlanden sloot vrede met Spanje in het verdrag van münster
en het verdrag van Osnabrugge voor katholiek tegen protestant. Belangrijk voordeel hiervan was cuius
regio, eius religio (wiens gebied, diens religie). De republiek der Zeven verenigde Nederlanden werd
bij de vrede van Westfalen voor het eerst als een nieuwe, onafhankelijke staat erkend. Er kwam een
systeem waarbij de afzonderlijke staten niet meer ondergeschikt waren aan een gezag dat boven hen
stond. Staten kregen een zelfbeschikking, een soort soevereiniteit. Vanaf dat moment kon er een
onderscheid worden gemaakt tussen het publieke gezag en de private belangen.
Rond de 17e, 18e en 19e eeuw vonden er ook veel ontwikkelingen plaats. Feodalisme en stadsstaten
moesten plaatsmaken voor natiestaten. Daarnaast ontstonden imperialisme en kolonialisme. Het
natuurrecht werd steeds minder belangrijk ten opzichte van het positieve recht. in 1815 werd met het
congres van wenen dan ook de Europese orde vastgesteld. Als er een conflict was in Europa zouden
de mogendheden bij elkaar komen om dat de bespreken. Op een gegeven moment veranderde de
machtsevenwicht en werkte dit systeem minder goed.
Rond de 20ste eeuw probeerde men voor het eerst een nieuw idee uit, een internationale organisatie.
Uiteindelijk werd de Volkenbond opgericht. Zij gingen samenwerken om de vrede te bewaren. Er werd
een vredesverdrag gesloten. Uiteindelijk bleek dat Volkenbond niet zo’n groot succes. Kort hierna begon
de tweede wereldoorlog. Na de tweede wereldoorlog in 1945 werd de verenigde naties opgericht. Zij
ontwikkelde een belangrijke regel namelijk het verbod op geweld. (uitzondering recht op
zelfverdediging). In 1948 werd de universele verklaring van de rechten van de men aangenomen. Echter
ook het idee dat mensen niet alleen rechten maar ook plichten hadden. In 1998 werd het internationaal
strafhof opgericht.
Het ontstaan van het internationale publiekrecht wordt vaak in relatie gezien met het ontstaan van de
soevereine en onafhankelijke staat. Het ontstaan van de soevereine en onafhankelijke staten hadden
wel degelijk invloed op de ontwikkeling van wat wij nu internationaal publiekrecht noemen. Om deze
onafhankelijke staten in vrede naast elkaar te laten bestaan diende er een systeem van rechtsregels te
komen die voor alle staten van toepassing kon zijn. Het internationaal publiekrecht had vooral de functie
om de co-existentie van de staten te reguleren.
Dit internationaal publiekrecht was in het begin eigenlijk vooral Europees recht, maar al snel begonnen
Europese staten ook activiteiten te verrichten in ander delen van de wereld. Europa sloot capitulaties
(overeenkomsten op het gebied van handel ter bescherming van de burger) met andere machtige
politieke entiteiten, zoals het Ottomaanse Rijk.
Het internationaal publiekrecht kreeg hierdoor in grafische zin een mondiaal karakter, maar
functioneerde nog niet als een universeel rechtssysteem. De rechtsbetrekking die de verschillende
politieke entiteiten met elkaar hadden, werden ook niet tot het internationaal publiekrecht geregeld. Pas
na de eerste wereldoorlog kwamen de verenigde staten op als nieuwe machtsfactor, ook ontstond de
Sovjet-Unie en het communisme. Deze ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat Europa de grip verloor
op het internationale publiekrecht.
Na de tweede wereldoorlog werd het beginsel van zelfbeschikking aanvaard in het Handvest van de
verenigde naties. Toen kreeg alle volkeren het recht om over zichzelf te beschikken en werden de
koloniale rijken opgeheven, waardoor het aantal staten snel toenam. Vanaf dit moment had het
internationale publiekrecht wereldwijde gelding. Aan de ene kant ontstonden er steeds meer
bovennationale vormen van organisatie, zoals Europese unie en verenigde naties. Aan de andere
2
,kant werden steeds meer functies die oorspronkelijk aan /de staat werden toegeschreven, uitgeoefend
door niet-statelijke instituties.
De uitoefening van het publieke gezag in de internationale gemeenschap wordt door het internationale
publiekrecht geregeld. internationaal publiekrecht kent aan bepaalde entiteiten bevoegdheden toe en
beidt juridisch gezien een kader waarbinnen zij die bevoegdheden moeten uitoefenen. Het
internationaal recht ook wel het volkenrecht genoemd. Met volkenrecht (ius gentium) wordt het recht
bedoeld dat tussen staten bestond. Echter is de term volkenrecht beperkt, want het internationale
publiekrecht ziet niet alleen op het recht dat tussen staten geldt, maar ook andere actoren zoals
internationale organisaties en niet-gouvernementele organisaties.
Het internationale element duidt op het feit dat het internationaal publiekrecht niet hetzelfde is als het
nationale recht. Om te bepalen of iets valt aan te merken als internationaal recht of nationaal recht moet
je kijken naar de rechtsbron.
Het internationale recht kent 4 rechtsbronnen (worden genoemd in art 38 statuut IGH):
• Gewoonterecht
• Verdragen
• Besluiten van internationale organisaties
• Algemene rechtsbeginselen
Wanneer er een rechtsregel voortvloeit uit een van deze rechtsbronnen dan kunnen we spreken van
internationaal recht. Als we kijken naar de vraag of het internationale recht en het nationale recht
daadwerkelijk van elkaar te onderscheiden zijn, er zijn twee verschillende opvattingen namelijk de
dualistische leer en de monistisch leer.
• De dualistische leer: de internationale rechtsorde en de nationale rechtsorde zijn van elkaar
gescheiden, het internationale recht moet worden geïmpliceerd door de nationale overheid
• De monistische leer: er is slechts een rechtssysteem bestaat waarvan zowel het internationale
als het nationale deel van uitmaken.
In de loop van de tijd is de context tussen de verschillende leren veranderd. De moderne rechtsorde
heeft immers betrekking op meer dan enkel de staten. Tegenwoordig kennen we meerdere organisaties
dit heeft ervoor gezorgd dat de verhouding tussen het nationale recht en het internationale recht
ingewikkelder is geworden. Hierdoor zijn er verschillende opvattingen ontstaan zoals de pluralistisch
opvatting, waarbij beide rechtsordes op gelijke voet staan.
Het internationale recht en het nationale recht zijn formeel van elkaar gescheiden. De regels van
nationaal recht hebben geen werking in het internationale recht en andersom. Hierbij zijn de volgende
punten van belang: het internationale recht heeft voor een groot deel betrekking op individuen, het
internationale recht is steeds meer van toepassing op onderwerpen die ook in het nationale recht
geregeld worden zoals veiligheid en milieu, de nationale rechtsordes zijn steeds meer opgesteld voor
regels van de internationale rechtsorde.
Internationaal VS Nationale rechtssysteem
• De staat heeft een nationaal rechtssysteem. Er is een centraal gezag, dit houdt in dat er een
verticale gezagsrelatie bestaat tussen overheid/autoriteiten en rechtssubjecten. Dit recht wordt
opgelegd, dit uit zich door het stellen van regels en handhaving. Maakt niet uit wat je er van vind
je wordt er aan gebonden.
• De staat kent internationaal recht
o een veelvoud aan autoriteiten, er bestaat een horizontale relatie tussen staten, dit komt
omdat alle staten zeggen soeverein te zijn. Gedecentraliseerde recht van een veelheid van
nationale gemeenschappen. Er is geen centraal gezag.
o Identiteit van rechtssubjecten
• Staten maken het internationaal recht
• Staten handhaven het internationaal recht
• Staten moeten instemmen met internationale rechtspraak
En staten zijn onderworpen aan het internationale recht (als rechtssubject), maar daarnaast zijn ze
ook de maker van dit recht (de autoriteit). (dit is verschillend in het nationale recht dan in het
internationale recht, want binnen nationale recht word het recht gemaakt door het kabinet, in het
internationale recht zijn staten daarom ook dominanter)
Grote onderwerpen zoals milieu, gezondheid en terrorisme kunnen moeilijk door staten zelf worden
opgelost daarom heeft het internationale publiekrecht naast het mogelijk maken van co-extensie ook
de functie om samenwerking tussen staten te kunnen realiseren. Op sommige plaatsen neemt dit zo’n
hechte vorm aan dat het als een ware een derde vorm aanneemt namelijk het recht van integratie. Dit
3
, maakt dat de internationale rechtsorde complex is. De bescherming en uitvoering van publieke taken
worden dan deels op internationaal niveau georganiseerd zoals de verenigde naties en de Europese
unie.
Hoofdstuk 2 rechtssubjecten
Ook internationale rechtsorde heeft eigen rechtssubjecten. De term rechtssubjecten gaat over de
entiteiten of de personen die voldoen aan de voorwaarden om deel te kunnen nemen aan het
rechtsverkeer in de desbetreffende rechtsorde. De term rechtssubject is dus een status. Er bestaan
verschillende rechtssubjecten, zoals staten, de facto-regimes, internationale organisaties en individuen.
Een rechtssubject heeft de mogelijkheid om internationale rechtshandelingen te verrichten,
internationale rechten te bezitten of af te dwingen, internationale verplichtingen te hebben of
aansprakelijk te worden gesteld op internationaal niveau. Dus het vermogen hebben om bevoegdheden,
rechten of verplichtingen te bezitten. Er moet per geval worden bekeken welk rechtssubject welke
bevoegdheid/rechten heeft. Of iemand hierover beschikt wordt vooral door politieke overwegingen
bepaald. Er wordt onderscheidt gemaakt tussen personen met een volledige rechtssubjectiviteit en
personen met beperkte rechtssubjectiviteit. De enige actor die volledige rechtssubjectiviteit heeft is
de staat. De andere hebben een beperkte rechtssubjectiviteit. Verder biedt het internationale
publiekrecht zelf ook zelfstandig gronden die relevant zijn bij de vraag of een persoon als een
internationaal rechtssubject valt aan te merken of niet. Het effectiviteitsbeginsel is hierbij van groot
belang. Doordat centraal gezag ontbreekt in de internationale rechtsorde is het recht geneigd de
feitelijke uitoefening van gezag en macht te zien als een grondslag voor rechtsposities. Elke staat kan
bepalen of zij een bepaalde person dan niet als rechtssubject beschouwen en op basis daarvan
overeenkomsten met die ander wil aangaan. Erkenning speelt hierin een belangrijke rol.
Staten
De belangrijkste rechtssubjecten in het internationaal publiekrecht zijn staten. Een staat kan als volgt
gedefinieerd worden: ze zijn onafhankelijk van andere staten, oefenen publiek gezag uit over een
bepaald grondgebied en de bevolking die daar leeft. Staten ontstaan vaak doordat zij gedurende een
bepaalde periode effectief gezag uitoefenen.
Internationale organisaties (intergouvernementele organisaties)
Internationale organisaties zijn vaak opgericht door staten teneinde publieke taken uit te voeren (VN,
EU, Raad van Europa). Zij bezitten internationale rechtspersoonlijkheid en nemen als zelfstandige
entiteiten deel aan het internationale rechtsverkeer. De reikwijdte van hun bevoegdheden, rechten en
plichten wordt beperkt door het specialiteitsbeginsel: Zij hebben, anders dan staten, geen algemene
rechten en plichten en geen algemene bevoegdheid om rechtshandelingen in de internationale
rechtsorde te verrichten. Zij hebben uitsluitend die bevoegdheden, rechten en plichten die staten
uitdrukkelijk dan wel impliciet aan hen hebben toegekend (specialiteitsbeginsel)\
Facto- regimes (IS, HAMMAS, TALIBAN)
De facto-regimes zijn niet-statelijke entiteiten. Het zijn georganiseerde groepen die feitelijk effectief
gezag uitoefenen over een deel van het grondgebied van een bestaande staat en de daar levende
bevolking. Dit alleen bij afwezigheid van dit gezag dan maken hun de dienst uit. In de meeste gevallen
zijn het groeperingen die tegen de staat in opstand komen teneinde de autonomie te verkrijgen of
zichzelf af te scheiden en eigen staat te vormen. De juridische status van deze entiteiten is zwak, omdat
de internationale rechtsorde er vanuit gaat dat ze tijdelijk van aard zijn en uiteindelijk weer opgaan in de
staat. Ze hebben dus beperkte rechtssubjectiviteit. De internationale rechtsorde kan hun juridische
betekenis niet ontkennen. Wanneer staten en internationale organisaties deze entiteiten niet een
beperkte rechtssubjectiviteit toekennen, kunnen ze ook niet worden onderworpen aan internationale
verplichtingen. In het algemeen wordt aangenomen dat overeenkomsten die de facto-regies gesloten
overeenkomsten geen internationaal publiekrechtelijke status hebben.
Bevrijdingsbewegingen (FLN, PLO, ANC)
Dit zijn groeperingen die vechten tegen een koloniale mogendheid of een bezettende macht. Ze richten
zich op de bevrijding (controle over) van een gebied tegen een bepaalde onderdrukking, doel is vaak
om onafhankelijkheid te verkrijgen,. Voor bevrijdingsbewegingen is controle over grondgebied, anders
dan bij de facto-regimes, geen noodzakelijk kenmerk. Bevrijdingsbewegingen hebben een meer
vergaande rechtssubjectiviteit dan de facto-regimes, omdat ze streven naar onafhankelijkheid en de
facto regimes zijn tijdelijk van aard. Ook hebben bevrijdingsbewegingen een recht op zelfbeschikking
waarmee ze zelf over hun politieke lot kunnen beslissen. Bevrijdingsbewegingen kunnen soms
4