Hoofdstuk 14: Materieel Strafrecht - Sancties
Samenvatting:
Binnen het Nederlandse Wetboek van Strafrecht wordt een onderscheid
gemaakt tussen twee soorten strafrechtelijke sancties die de rechter op kan
leggen:
Straffen (art. 9 Sr):
Hoofdstraffen (art. 9 lid 1 sub a onder 1-4 Sr);
Gevangenisstraf;
Hechtenis;
Taakstraf;
Geldboete.
Bijkomende straffen (art. 9 lid 1 sub b onder 1-3 Sr);
Ontzetting uit bepaalde rechten (art. 28-31 Sr);
Verbeurdverklaring (inbeslagneming) (art. 33 en 33a Sr);
Openbaarmaking van het vonnis (art. 36 Sr).
Maatregelen (art. 36a-38ij Sr):
Plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis (art. 37 Sr);
Tbs (terbeschikkingstelling) (art. 37a-38lb Sr);
Onttrekking aan het verkeer (art. 36b-36d Sr);
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel (art. 36e Sr);
Schadevergoeding (art. 36f Sr);
Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (art. 38m-38u Sr)
Oplegging vrijheidsbeperkende maatregel (art. 36v-38ij Sr).
Straffen:
Met het opleggen van een straf komt een van de doelstellingen van het
strafrecht tot uiting: vergelding.
De overheid voegt opzettelijk leed toe wegens het scheden van een norm
door de verdachte.
Hoofdstraffen:
Gevangenisstraf:
Staat uitzonderlijk voor misdrijven, op een overtreding kan nooit
gevangenisstraf staan.
Minimumtermijn: 1 jaar.
Maximumtermijn: 30 jaar.
Onbepaalde gevangenistijd: levenslang.
De levenslang gestrafte kan verzoeken om gratie.
Hechtenis:
De hechtenis is de vrijheidsstraf voor overtredingen (niet te
verwarren met de bepaling van de voorlopige hechtenis van art.
63 .e.v. Sv).
De hechtenis is minimaal een dag, en duurt maximaal een jaar en
vier maanden.
Wordt ten uitvoer gelegd in een huis van bewaring (geen
gevangenis!).
Een huis van bewaring is minder ingrijpend dan een gevangenis.
Taakstraf:
Een rechter kan slechts een taakstraf opleggen als er sprake is van:
, Een misdrijf waarop een vrijheidsstraf staat;
Een misdrijf waarop een geldboete staat;
Een overtreding waarop een vrijheidsstraf staat.
Een taakstraf bestaat uit:
Een werkstraf:
o Het verrichten van onbepaalde arbeid.
Een leerstraf (sinds 2012 op te leggen als bijzondere
voorwaarde):
o Het volgen vaan een leerproject.
Op grond van art. 22c lid 2 Sr gelden de volgende termijn:
Een taakstraf kan nooit langer duren dan 240 uur.
De taakstraf moet binnen een jaar na het onherroepelijk worden
van het vonnis, worden voltooid.
Voor het geval de taakstraf niet voldoende wordt uitgevoerd, moet
de rechter bepalen wat de duur van de vervangende hechtenis is.
De vervangende hechtenis mag de termijn van vier maanden niet
overschrijden.
Geldboete (art. 23 Sr):
Minimaal € 3,- en maximaal € 830.000,-.
Bij de veroordeling van een rechtspersoon kan naar de naast hogere
categorie worden uitgeweken. Dit is slechts mogelijk wanneer voor
het feit waarvoor de rechtspersoon veroordeeld wordt, in een
bepaald geval geen passende categorie geldboete wordt
voorgeschreven.
Er kan ook een geldboete worden opgelegd die ten hoogste tien
procent bedraagt van de jaaromzet van de rechtspersoon in het
boekjaar voorafgaande aan de uitspraak of strafbeschikking.
De rechter die een geldboete oplegt, moet steeds rekening houden
met de draagkracht van de verdachte (art. 24 Sr). Tevens kan de
rechter in dat opzicht besluiten boetes van meer dan € 225,- in
gedeeltes te laten voldoen.
Bij het niet voldoen van een geldboete kan - net als bij de taakstraf -
vervangende hechtenis worden opgelegd.
Bijkomende straffen:
Het Wetboek van Strafrecht kent de volgende bijkomende straffen:
Ontzetting uit bepaalde rechten (art. 28-31 Sr);
De rechter kan deze ontzetting pas uitspreken wanneer de
gewone strafbepaling daartoe de mogelijkheid geeft.
Verbeurdverklaring (art. 33-33c Sr);
Justitie neemt een bepaald voorwerp van verdachte af.
Voor de verbeurdverklaring van voorwerpen gelden drie
vereisten:
o Er moet een veroordeling zijn wegens een strafbaar feit.
o De voorwerpen moeten vatbaar zijn voor verbeurdverklaring
(art. 33a Sr).
o Er moet een ‘zekere’ relatie bestaan tussen het strafbare feit
en het voorwerp.
Openbaarmaking van het vonnis (art. 36 Sr):
Is slechts toegelaten bij de artikelen die dit expliciet aangeven
(bijv. art. 106 lid 3, 176 lid 2, 309, 325 lid 1 en 349 lid 3 Sr).
Samenvatting:
Binnen het Nederlandse Wetboek van Strafrecht wordt een onderscheid
gemaakt tussen twee soorten strafrechtelijke sancties die de rechter op kan
leggen:
Straffen (art. 9 Sr):
Hoofdstraffen (art. 9 lid 1 sub a onder 1-4 Sr);
Gevangenisstraf;
Hechtenis;
Taakstraf;
Geldboete.
Bijkomende straffen (art. 9 lid 1 sub b onder 1-3 Sr);
Ontzetting uit bepaalde rechten (art. 28-31 Sr);
Verbeurdverklaring (inbeslagneming) (art. 33 en 33a Sr);
Openbaarmaking van het vonnis (art. 36 Sr).
Maatregelen (art. 36a-38ij Sr):
Plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis (art. 37 Sr);
Tbs (terbeschikkingstelling) (art. 37a-38lb Sr);
Onttrekking aan het verkeer (art. 36b-36d Sr);
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel (art. 36e Sr);
Schadevergoeding (art. 36f Sr);
Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (art. 38m-38u Sr)
Oplegging vrijheidsbeperkende maatregel (art. 36v-38ij Sr).
Straffen:
Met het opleggen van een straf komt een van de doelstellingen van het
strafrecht tot uiting: vergelding.
De overheid voegt opzettelijk leed toe wegens het scheden van een norm
door de verdachte.
Hoofdstraffen:
Gevangenisstraf:
Staat uitzonderlijk voor misdrijven, op een overtreding kan nooit
gevangenisstraf staan.
Minimumtermijn: 1 jaar.
Maximumtermijn: 30 jaar.
Onbepaalde gevangenistijd: levenslang.
De levenslang gestrafte kan verzoeken om gratie.
Hechtenis:
De hechtenis is de vrijheidsstraf voor overtredingen (niet te
verwarren met de bepaling van de voorlopige hechtenis van art.
63 .e.v. Sv).
De hechtenis is minimaal een dag, en duurt maximaal een jaar en
vier maanden.
Wordt ten uitvoer gelegd in een huis van bewaring (geen
gevangenis!).
Een huis van bewaring is minder ingrijpend dan een gevangenis.
Taakstraf:
Een rechter kan slechts een taakstraf opleggen als er sprake is van:
, Een misdrijf waarop een vrijheidsstraf staat;
Een misdrijf waarop een geldboete staat;
Een overtreding waarop een vrijheidsstraf staat.
Een taakstraf bestaat uit:
Een werkstraf:
o Het verrichten van onbepaalde arbeid.
Een leerstraf (sinds 2012 op te leggen als bijzondere
voorwaarde):
o Het volgen vaan een leerproject.
Op grond van art. 22c lid 2 Sr gelden de volgende termijn:
Een taakstraf kan nooit langer duren dan 240 uur.
De taakstraf moet binnen een jaar na het onherroepelijk worden
van het vonnis, worden voltooid.
Voor het geval de taakstraf niet voldoende wordt uitgevoerd, moet
de rechter bepalen wat de duur van de vervangende hechtenis is.
De vervangende hechtenis mag de termijn van vier maanden niet
overschrijden.
Geldboete (art. 23 Sr):
Minimaal € 3,- en maximaal € 830.000,-.
Bij de veroordeling van een rechtspersoon kan naar de naast hogere
categorie worden uitgeweken. Dit is slechts mogelijk wanneer voor
het feit waarvoor de rechtspersoon veroordeeld wordt, in een
bepaald geval geen passende categorie geldboete wordt
voorgeschreven.
Er kan ook een geldboete worden opgelegd die ten hoogste tien
procent bedraagt van de jaaromzet van de rechtspersoon in het
boekjaar voorafgaande aan de uitspraak of strafbeschikking.
De rechter die een geldboete oplegt, moet steeds rekening houden
met de draagkracht van de verdachte (art. 24 Sr). Tevens kan de
rechter in dat opzicht besluiten boetes van meer dan € 225,- in
gedeeltes te laten voldoen.
Bij het niet voldoen van een geldboete kan - net als bij de taakstraf -
vervangende hechtenis worden opgelegd.
Bijkomende straffen:
Het Wetboek van Strafrecht kent de volgende bijkomende straffen:
Ontzetting uit bepaalde rechten (art. 28-31 Sr);
De rechter kan deze ontzetting pas uitspreken wanneer de
gewone strafbepaling daartoe de mogelijkheid geeft.
Verbeurdverklaring (art. 33-33c Sr);
Justitie neemt een bepaald voorwerp van verdachte af.
Voor de verbeurdverklaring van voorwerpen gelden drie
vereisten:
o Er moet een veroordeling zijn wegens een strafbaar feit.
o De voorwerpen moeten vatbaar zijn voor verbeurdverklaring
(art. 33a Sr).
o Er moet een ‘zekere’ relatie bestaan tussen het strafbare feit
en het voorwerp.
Openbaarmaking van het vonnis (art. 36 Sr):
Is slechts toegelaten bij de artikelen die dit expliciet aangeven
(bijv. art. 106 lid 3, 176 lid 2, 309, 325 lid 1 en 349 lid 3 Sr).