Leereenheid 4.1
Aan te geven wat het verschil is tussen biomen, biogeografische regio’s en ecosystemen
De verspreiding van planten en dieren op aarde kan worden beschreven op verschillende
schalen en criteria:
De beschrijving in biomen = gebaseerd op hoofdzaken en op algemene kenmerken
van de vegetatie (plantendek)
- Het tropisch regenwoud, woestijnen, graslanden zijn voorbeelden van een
biomen
Ondanks de structurele gelijkenis, is de soortsamenstelling van het tropisch
regenwoud in Zuid-Amerika, Afrika en Zuid-oost Azië compleet verschillend
daarom ook indelingen waarin de gelijkenis tussen soorten centraal staat =
biogeografische regio’s
- Zo is er een beschrijving van de verspreiding van dieren in zes zoögrafische
regio’s en de verspreiding van planten in florarijken
- Beide beschrijbingen weerspiegelen de evolutionaire verwantschappen binnen
groepen van soorten ontstaan door baririères en verbindingen gecreeërd door
platentektoniek.
- De indeling in biogeografische indeling heeft vooral historische waarde
Ecosysteem = min of meer aaneengesloten gebied dat tamelijk precies kan worden
afgegrensd met min of meer dezelfde omstandigheden,
- Ecosysteem is een flexibel begrip.
- het bestuderen van één ecosysteem is lastig omdat het eigenlijk geen gesloten
eenheid is, omdat bijv. dieren over grote afstanden migreren, waardoor
afbakening lastig is.
- Om ze toch te bestuderen wordt uitgegaan van de gebieden worden zodanig
afgebakend dat de planten en dieren meer relaties met elkaar onderhouden dan
met organismen van buiten
Te begrijpen dat het begrip ecosysteem op diverse ruimtelijke schalen (megaschaal,
mesoschaal en microschaal) kan worden toegepast
Op megaschaal (zeer groot) kan men de ecosystemen land en oceaan onderscheiden
Op macroschaal (groot) zou het tropisch regenwoud van Centraal Afrika als één
ecosyteem beschouwd kunnen worden.
Op mesoschaal (midden) kan in Nederland bijvoorbeeld het bosgebied van de
Veluwe als ecosysteem worden beschoud
Op microschaal (klein) kan een slootje of zelfs een koeienvlaai als apart systeem
worden bekeken
Uit te leggen dat natuurlijke ecosystemen in het algemeen meer variatie in abiotische
omstandigheden en in soorten bevatten dan ecosystemen die door de mens zijn aangelegd.
De door mens aangelegde ecosystemen zijn weinig gevarieerd.
- Voorbeelden: graanvelden, weiland en naaldbossen
, - Ze bestaan slechts uit enkele planten- en diersoorten die egaal verdeeld zijn over
de ruimte
In een natuurlijk ecosysteem is er veel meer structuur te herkennen
- Er komen scherpe grenzen voor, zoals de rand van een beek
- Maar er komen ook geleidelijke overgangen voor zoals heuveltjes gradiënten
- Er is meer gelaagdheid gaat gepaard met variatie in abiotische
omstandigheden.
Leereenheid 4.2
Te begrijpen dat abiotische omstandigheden en biotische elementen samen bepalen hoe het
ecosysteem functioneert
De potenties van een ecosysteem worden allereerst bepaald door de abiotische
omstandigheden:
Voor terrestrische ecosystemen zijn dat:
- Klimaat (zonlicht, temperatuur, neerslag en wind),
bodemgesteldheid (structuur, mineralen, beschikbaarheid O2),
hydrologie (gedrag van water in de bodem)
Voor aquatische ecosystemen zijn dat:
- Licht, temperatuur, zuurstof en mineralen
De dagelijkse/jaarlijkse verandering in abiotische omstandigheden zijn in het
algemeen kleiner in de aquatische dan in de terrestrische ecosytemen
Een ecosysteem wordt vooral gekenmerkt door biotische elementen: de levende
organismen
Organismen die voor hun koolstofvoorziening onafhankelijk zijn van anderen
autotroof
- Hiertoe behoren de meeste groepen planten en veel bacteriën
- Ze betrekken hun energie meestal uit zonlicht
- Gebruiken anorganische ionen en moleculen als bouwstoffen
Organismen die voor hun koolstofvoorziening afhankelijk zijn van andere
heterotroof
- Zij betrekken hun bouwstoffen en vaak energie van organische moleculen die
andere organismen maken.
- Alle dieren, sommige planten, schimmels en diverse bacteriën zijn heterotroof
Te begrijpen dat de voedsel- en- energiestromen in een ecosysteem kunnen worden
weergeven in een voedselpiramide met verschillende trofische niveaus, waarbij in een
trofisch niveau per tijdseenheid minder organische stof wordt geproduceerd dan in het
niveau eronder.
De relaties tussen organismen en hun energie-en bouwstoffenvoorziening kunnen we
weergeven als een voedselpiramide.
De verschillende lagen in de piramide noemt men trofische niveaus
- De niveaus corresponderen met de productie niveaus
, - Doordat organismen binnen een bepaalde laag energie gebruiken en een deel van
de productie verloren gaat voor de bovenliggende laag, worden de lagen steeds
smaller naarmate ze hoger liggen in de piramide. per tijdseenheid minder
organische stof geproduceerd dan in de laag eronder.
De verschillende trofische niveaus in een voedselpiramide aan duiden (producenten, primaire
consumenten, secundaire consumenten etc)
Het proces waarbij een nieuwe organische stof wordt gevormd door groei of
voortplanting = productie
- Omdat autotrofe organismen organische uit anorganische stof produceren
primaire producenten
Het proces waarbij een organisme organische stof gebruikt voor de energie-en
bouwstoffenvoorziening van een organisme = consumptie
- Organismen die van hun energie-en bouwstoffenvoorziening afhankelijk zijn van
primair geproduceerde organische stoffen heten primaire consumenten. Deze
groep bestaat vooral uit planteneters (herbivoren)
- De groep van secundaire consumenten bestaat vooral uit vleeseters (carnivoren)
- Een aparte groep van consumenten vormen de afvaleters (detritivoren) dit zijn
vaak ongewervelde dieren (insecten, wormen, enz.)
Reducenten zetten de laatste stap in de afbraak van organische stof, dit zijn mirco-
organismen (bacteriën, schimmels). Zij breken organische stoffen af tot anorganische
verbindingen die weer opgenomen kunnen worden door autotrofe primaire
producten microbiële decompositie.
Aan te geven welk type organismen (autotrofe groene planten, herbivoren of carnivoren) een
bepaald trofisch niveau bezetten
Aan te geven wat het verschil is tussen biomen, biogeografische regio’s en ecosystemen
De verspreiding van planten en dieren op aarde kan worden beschreven op verschillende
schalen en criteria:
De beschrijving in biomen = gebaseerd op hoofdzaken en op algemene kenmerken
van de vegetatie (plantendek)
- Het tropisch regenwoud, woestijnen, graslanden zijn voorbeelden van een
biomen
Ondanks de structurele gelijkenis, is de soortsamenstelling van het tropisch
regenwoud in Zuid-Amerika, Afrika en Zuid-oost Azië compleet verschillend
daarom ook indelingen waarin de gelijkenis tussen soorten centraal staat =
biogeografische regio’s
- Zo is er een beschrijving van de verspreiding van dieren in zes zoögrafische
regio’s en de verspreiding van planten in florarijken
- Beide beschrijbingen weerspiegelen de evolutionaire verwantschappen binnen
groepen van soorten ontstaan door baririères en verbindingen gecreeërd door
platentektoniek.
- De indeling in biogeografische indeling heeft vooral historische waarde
Ecosysteem = min of meer aaneengesloten gebied dat tamelijk precies kan worden
afgegrensd met min of meer dezelfde omstandigheden,
- Ecosysteem is een flexibel begrip.
- het bestuderen van één ecosysteem is lastig omdat het eigenlijk geen gesloten
eenheid is, omdat bijv. dieren over grote afstanden migreren, waardoor
afbakening lastig is.
- Om ze toch te bestuderen wordt uitgegaan van de gebieden worden zodanig
afgebakend dat de planten en dieren meer relaties met elkaar onderhouden dan
met organismen van buiten
Te begrijpen dat het begrip ecosysteem op diverse ruimtelijke schalen (megaschaal,
mesoschaal en microschaal) kan worden toegepast
Op megaschaal (zeer groot) kan men de ecosystemen land en oceaan onderscheiden
Op macroschaal (groot) zou het tropisch regenwoud van Centraal Afrika als één
ecosyteem beschouwd kunnen worden.
Op mesoschaal (midden) kan in Nederland bijvoorbeeld het bosgebied van de
Veluwe als ecosysteem worden beschoud
Op microschaal (klein) kan een slootje of zelfs een koeienvlaai als apart systeem
worden bekeken
Uit te leggen dat natuurlijke ecosystemen in het algemeen meer variatie in abiotische
omstandigheden en in soorten bevatten dan ecosystemen die door de mens zijn aangelegd.
De door mens aangelegde ecosystemen zijn weinig gevarieerd.
- Voorbeelden: graanvelden, weiland en naaldbossen
, - Ze bestaan slechts uit enkele planten- en diersoorten die egaal verdeeld zijn over
de ruimte
In een natuurlijk ecosysteem is er veel meer structuur te herkennen
- Er komen scherpe grenzen voor, zoals de rand van een beek
- Maar er komen ook geleidelijke overgangen voor zoals heuveltjes gradiënten
- Er is meer gelaagdheid gaat gepaard met variatie in abiotische
omstandigheden.
Leereenheid 4.2
Te begrijpen dat abiotische omstandigheden en biotische elementen samen bepalen hoe het
ecosysteem functioneert
De potenties van een ecosysteem worden allereerst bepaald door de abiotische
omstandigheden:
Voor terrestrische ecosystemen zijn dat:
- Klimaat (zonlicht, temperatuur, neerslag en wind),
bodemgesteldheid (structuur, mineralen, beschikbaarheid O2),
hydrologie (gedrag van water in de bodem)
Voor aquatische ecosystemen zijn dat:
- Licht, temperatuur, zuurstof en mineralen
De dagelijkse/jaarlijkse verandering in abiotische omstandigheden zijn in het
algemeen kleiner in de aquatische dan in de terrestrische ecosytemen
Een ecosysteem wordt vooral gekenmerkt door biotische elementen: de levende
organismen
Organismen die voor hun koolstofvoorziening onafhankelijk zijn van anderen
autotroof
- Hiertoe behoren de meeste groepen planten en veel bacteriën
- Ze betrekken hun energie meestal uit zonlicht
- Gebruiken anorganische ionen en moleculen als bouwstoffen
Organismen die voor hun koolstofvoorziening afhankelijk zijn van andere
heterotroof
- Zij betrekken hun bouwstoffen en vaak energie van organische moleculen die
andere organismen maken.
- Alle dieren, sommige planten, schimmels en diverse bacteriën zijn heterotroof
Te begrijpen dat de voedsel- en- energiestromen in een ecosysteem kunnen worden
weergeven in een voedselpiramide met verschillende trofische niveaus, waarbij in een
trofisch niveau per tijdseenheid minder organische stof wordt geproduceerd dan in het
niveau eronder.
De relaties tussen organismen en hun energie-en bouwstoffenvoorziening kunnen we
weergeven als een voedselpiramide.
De verschillende lagen in de piramide noemt men trofische niveaus
- De niveaus corresponderen met de productie niveaus
, - Doordat organismen binnen een bepaalde laag energie gebruiken en een deel van
de productie verloren gaat voor de bovenliggende laag, worden de lagen steeds
smaller naarmate ze hoger liggen in de piramide. per tijdseenheid minder
organische stof geproduceerd dan in de laag eronder.
De verschillende trofische niveaus in een voedselpiramide aan duiden (producenten, primaire
consumenten, secundaire consumenten etc)
Het proces waarbij een nieuwe organische stof wordt gevormd door groei of
voortplanting = productie
- Omdat autotrofe organismen organische uit anorganische stof produceren
primaire producenten
Het proces waarbij een organisme organische stof gebruikt voor de energie-en
bouwstoffenvoorziening van een organisme = consumptie
- Organismen die van hun energie-en bouwstoffenvoorziening afhankelijk zijn van
primair geproduceerde organische stoffen heten primaire consumenten. Deze
groep bestaat vooral uit planteneters (herbivoren)
- De groep van secundaire consumenten bestaat vooral uit vleeseters (carnivoren)
- Een aparte groep van consumenten vormen de afvaleters (detritivoren) dit zijn
vaak ongewervelde dieren (insecten, wormen, enz.)
Reducenten zetten de laatste stap in de afbraak van organische stof, dit zijn mirco-
organismen (bacteriën, schimmels). Zij breken organische stoffen af tot anorganische
verbindingen die weer opgenomen kunnen worden door autotrofe primaire
producten microbiële decompositie.
Aan te geven welk type organismen (autotrofe groene planten, herbivoren of carnivoren) een
bepaald trofisch niveau bezetten