Bart van den Krommenacker
852639614
Inhoudsopgave
Leereenheid 1 - De objectieve zijde van een strafbaar feit
Leereenheid 2 – De subjectieve zijde van een strafbaar feit
Leereenheid 3 – Strafuitsluitingsgronden
Leereenheid 4 – De strafbare poging en voorbereiding
Leereenheid 5 – Deelneming aan strafbare feiten
Jurisprudentie
Voorarrest
{ }
Inverzekeringstelling Bewaring Gevangenhouding
{ }
Voorlopige hechtenis
Het rechterlijk beslissingsschema
- Om een einduitspraak te kunnen in een strafzaak, moet de rechter na afloop van het onderzoek
ter terechtzitting drie typen vragen beantwoorden:
1. formele vragen (voorvragen);
2. materiële vragen (hoofdvragen);
3. straftoemetingsvraag.
- De formele vragen van artikel 348 Sv zijn:
1. Is de dagvaarding geldig?
Nee: de dagvaarding is nietig.
Ja: ga naar de volgende vraag.
2. Is de rechter bevoegd?
Nee: de rechter is onbevoegd.
Ja: ga naar de volgende vraag.
3. Is de officier van justitie ontvankelijk?
Nee: de officier van justitie is niet-ontvankelijk.
Ja: ga naar de volgende vraag.
4. Is er reden tot schorsing der vervolging?
Nee: ga naar de volgende vraag.
Ja: de vervolging wordt geschorst.
- Artikel 350 Sv bevat, taalkundig gezien, drie materiële vragen. De tweede daarvan, te
weten of het feit strafbaar is, kan echter worden onderverdeeld in twee afzonderlijke vragen.
1. Is bewezen dat het ten laste gelegde feit door de verdachte is begaan?
Nee: de verdachte wordt vrijgesproken.
Ja: ga naar de volgende vraag.
2. Kan het bewezenverklaarde worden gekwalificeerd?
Nee: de verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.
Ja: ga naar de volgende vraag.
3. Is het bewezenverklaarde wederrechtelijk?
Nee: de verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.
Ja: ga naar de volgende vraag.
4. Is de verdachte verwijtbaar?
1
, Nee: de verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.
Ja: de vervolging wordt geschorst.
Artikel 350 Sv Artikel 352 Sv
Is het ten laste gelegde bewezen? Zo niet: vrijspraak
Levert het bewezen verklaarde een strafbaar feit op? Zo niet: ontslag van alle rechtsvervolging
Is de dader strafbaar? Zo niet: ontslag van alle rechtsvervolging
Jurisprudentie
- HR 14 februari 1916, NJ 1916/681 (Melk en water)
- HR 20 februari 1933, NJ 1933, 918 (Veearts)
- HR 19 februari 1963, NJ 1963/512 (Verpleegster)
- HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0139 (Porsche)
- HR 24 oktober 1978, NJ 1979/52 (Uitzendbureau Cito)
- HR 8 september 1987, NJ 1988/612 (Grenswisselkantoor)
Leereenheid 1 - De objectieve zijde van een strafbaar feit
Tekstboek De Hullu, hoofdstuk 3 par 1.1 -1.3 (8e druk: p. 147 - 152; 9e druk: p. 169-175), 2, 3 en
4 (8e druk: p. 172 - 198; 9e druk p. 197-230)
Jurisprudentie Causaliteit
- HR 23 december 1980, NJ 1981, 534, r.o. 5 (Aortaperforatie)
- HR 7 mei 1985, NJ 1985, 821, r.o. 5.2.2 en 5.2.3 (Haarlemse doodslag)
- HR 25 juni 1996, NJ 1997, 563, r.o. 5.3 tot en met 5.4.2 (Niet-behandelde longinfectie)
- HR 20 september 2005, NJ 2006, 86, r.o. 3.5 (Hevige emoties II)
- HR 13 juni 2006, NJ 2007, 48 , r.o. 3.4 (Bloedvergiftiging)
- HR 27 maart 2012, NJ 2012, 301, r.o. 2.4.1 tot en met 2.4.4 (Groninger HIV)
- HR 30 september 2003, NJ 2005, 69 (Shaken Baby)
Jurisprudentie Wederrechtelijkheid
- HR 9 februari 1971, NJ 1972, 1 (Dreigbrief) . U kunt zich beperken tot de overwegingen van de
Hoge Raad omtrent cassatiemiddel V en VI en hetgeen in de kennisclip 'Dreigbrief' is opgenomen
Causale leerstukken strafrecht:
- Condicio sine qua non-leer (CSQN): Elke factor die niet weggedacht kan worden zonder
dat het gevolg wegvalt, geldt als oorzaak. Deze leer is weinig selectief en wijst snel meerdere
oorzaken aan.
- Causa proxima-leer: Alleen de meest nabije oorzaak in tijd is relevant. Dit kan echter
leiden tot maatschappelijk onwenselijke uitkomsten.
- Voorzienbaarheidsleer (adequatietheorie): De verdachte is alleen aansprakelijk voor
gevolgen die naar algemene ervaringsregels voorzienbaar waren. Door de objectieve benadering
kan dit soms tot onredelijke oordelen leiden.
- Redelijke toerekening (heersende leer): Een gevolg wordt toegerekend als het
redelijkerwijs binnen het perspectief van de gedraging van de verdachte valt. Hoe gevaarlijker de
gedraging, hoe ruimer dit perspectief. Onvoorziene handelingen van derden sluiten toerekening
niet per definitie uit.
2
,Causaliteit in het Strafrecht – Gecombineerd Overzicht
Stap 1 – Condicio sine qua non (CSQN)
- Elke factor die niet weggedacht kan worden zonder dat het gevolg wegvalt, geldt als oorzaak.
- Equivalentietheorie: ziet alle noodzakelijke voorwaarden als gelijkwaardig → te ruim.
- Startpunt toets: zonder gedraging geen gevolg?
Nee → Geen causaliteit.
Ja → Stap 2.
Stap 2 – Alternatieve oorzaak?
Ja → Is deze hoogst onwaarschijnlijk?
Nee → Geen causaliteit.
Ja → Stap 3.
Nee → Stap 3.
Stap 3 – Redelijke toerekening (Heersende leer sinds Letale longembolie, 1978)
- Normatief criterium: Kan het gevolg redelijkerwijs aan de gedraging worden toegerekend?
- Factoren (gekleurd door andere causaliteitsleren):
a. Voorzienbaarheid (Adequatietheorie): lag het gevolg in de lijn der verwachting?
b. Tussenkomende factoren:
- Medische fout → doorbreekt keten niet zonder meer
→ HR Aortaperforatie (1980)
- Medische fout bij opzet op dood → keten blijft
→ HR Haarlemse doodslag (1985)
- Slachtoffer weigert behandeling → keten blijft als beslissing voortkomt uit verdachte’s
gedraging
→ HR Niet-behandelde longinfectie (1996)
- Kwetsbaarheid slachtoffer (“you take the victim as you find them”)
→ HR Hevige emoties II (2005)
c. Alternatieve oorzaken:
- Alleen relevant als niet hoogst onwaarschijnlijk
→ HR Bloedvergiftiging (2006)
→ HR Groninger HIV (2012)
d. Tijd/oorzaaksafstand: hoe groter de afstand, hoe minder snel toerekening.
- Overige klassieke leren (meer voor invulling, niet als zelfstandig criterium):
- Causa proxima: meest nabije oorzaak → te beperkt.
- Relevantietheorie: oorzaak die voor het delict het meest relevant is.
- Bij nalaten: redelijke toerekening mogelijk bij aanzienlijke verhoging van kans op gevolg (vgl.
Shaken-baby).
Stap 4 – Eindoordeel
Ja bij redelijke toerekening → Causaal verband aanwezig
Nee → Geen causaliteit
Thema Arrest Rechtsregel
Medische fout Aortaperforatie (1980) Medische fout doorbreekt causale
keten niet zonder meer bij op zichzelf
dodelijk letsel.
Medische fout + opzet Haarlemse doodslag (1985) Tekortschieten zorg sluit causaliteit
niet uit bij opzet op de dood.
Slachtoffer weigert behandeling Niet-behandelde longinfectie (1996) Beslissing slachtoffer kan binnen
keten vallen als voortkomend uit
verdachte’s gedraging.
Kwetsbaarheid slachtoffer Hevige emoties II (2005) Verdachte neemt slachtoffer zoals hij
is; bijzondere gevoeligheden blijven
toerekenbaar.
3
, Alternatieve oorzaak onwaarschijnlijk Bloedvergiftiging (2006) Alleen reële alternatieven kunnen
causaliteit doorbreken.
Alternatieve besmettingsroute Groninger HIV (2012) Alternatief moet hoogst
onwaarschijnlijk zijn voor
toerekening.
Nalaten & verhoogde kans Shaken-baby Nalaten kan worden toegerekend bij
aanzienlijke kansverhoging en reële
mogelijkheid tot voorkomen gevolg.
Paragraaf 1 – Daderschap
1.1 Soorten daderschap
• Gewoon daderschap
Een natuurlijk persoon begaat zelf de delictsgedraging, bijvoorbeeld iemand die zelf een
fiets steelt.
• Functioneel daderschap
Iemand is verantwoordelijk voor een strafbaar feit dat feitelijk door een ander is gepleegd,
omdat hij door eigen handelen of nalaten de gedraging heeft mogelijk gemaakt of
bevorderd.
Voorbeeld: een leidinggevende die werknemers bewust gevaarlijk laat werken en zo arbo-
overtredingen veroorzaakt.
• Rechtspersoon als dader
Een bedrijf of organisatie kan strafbaar zijn op basis van de sociale handelingsleer.
Hierbij kijkt men of de gedraging aan de rechtspersoon kan worden toegerekend:
o Past dit binnen maatschappelijke opvattingen?
o Was er beschikkingsmacht (macht om het gedrag te sturen)?
o Redelijke toerekening is het overkoepelende criterium.
Kernprincipe: Nederland kent daadstrafrecht (gericht op uiterlijke handelingen), geen
Gesinnungsstrafrecht (gericht op innerlijke overtuigingen). Je mag denken wat je wilt, maar pas
een uiting in handelingen kan strafbaar zijn.
1.2 Gedragsbegrip
• Niet puur fysiek: een gedraging hoeft niet altijd een fysieke actie te zijn.
1. Samenhang gedrag–wil: intentie (subjectief) en handeling (objectief) horen vaak
bij elkaar.
2. Resultaatgericht gedrag: het kan ook gaan om het veroorzaken van een bepaald
gevolg, zelfs als er geen directe fysieke handeling is.
Voorbeeld: iemand laat bewust na een hek te sluiten zodat een gevaarlijke hond ontsnapt.
Paragraaf 2 – Strafrechtelijke causaliteit
2.1 Reikwijdte
Causaliteit gaat over de vraag of het gevolg juridisch aan de gedraging van de verdachte kan
worden toegerekend. Dit speelt vooral bij delicten waar een gevolg expliciet in de
delictsomschrijving staat (bijvoorbeeld dood door schuld).
2.2 Klassieke theorieën
• Condicio sine qua non (onmisbare voorwaarde)
Een gevolg is causaal verbonden als het zonder de gedraging niet was ingetreden.
Probleem: kan leiden tot een te lange lijst aan oorzaken, zonder selectie van relevantie.
• Equivalentietheorie
Alle noodzakelijke voorwaarden tellen even zwaar; iedere niet-wegdenkbare voorwaarde
is een oorzaak.
Bezwaar: te ruim; het strafrecht wil juist selecteren welke oorzaak juridisch relevant is.
• Causa proxima-leer
Alleen de meest nabije, niet-wegdenkbare oorzaak telt (de “laatste schakel”).
4