Het biopsychosociale model
Biologische invalshoek:
De biologische
Er zijn diverse cognitieve activiteiten:
- Het geheugen
- De aandacht
- Het concentreren
- Plannen en redeneren
- De emotionele reacties
- Het verplaatsen in anderen
- Het respecteren van of het juist haten van andere
- het tot in stand komen van acties
o Impulsiviteit
o Vermogen tot reflecteren
Een bijzondere variant van biologisch denken in de psychiatrie is die waarbij men de studie van
het gedrag van dieren (De ethologie) gebruikt om inzicht te krijgen in de structuur van het
menselijk gedrag.
Literatuur:
Het biopsychosociale model is een concept dat in de nationale en internationale psychiatrie na de
tweede wereldoorlog grote invloed heeft gekregen.
Het biopsychosociaal model gaat ervan uit dat het ontstaan, voortbestaan en herstel van een klacht
uitkomsten zijn van een samenspel van biologische, psychologische en sociale factoren.
Biologische factoren:
De drie invalshoeken
Biologische invalhoek
Informatieverzameling:
De sociaal werker moet informatie verzamelen over de volgende factoren:
- De belangrijkste somatische gegevens en eventuele lopende behandelingen
- De wijze waarop iemand zijn stoornis, de gevolgen daarvan en de eventuele behandeling
beleefd
- De sociale context. Het gaat daarbij om de leef-en woonsituatie (het eerste milieu), het
werk (het tweede milieu), en het contact met familie, medeburgers, vrienden, kennissen en
dergelijken (derde milieu) en de mate van steun die de cliënt daaruit ontvangt. Ook de
cultuur, religieuze of politieke overtuigingen horen daarbij.
Het is van belang dat de sociaal werker een indruk vormt van de wijze waarop al deze aspecten
zich gedurende het ontstaan van de stoornis hebben ontwikkeld. à een indruk vormen van de
ervaring met vroegere behandelaars.
De sociaal werker dient basale (eenvoudig, globaal) kennis te hebben van hoe iemand
biopsychosociaal functioneerde voor hij ziek werd, dat wil zeggen van zijn lichamelijke gezondheid,
zijn persoonlijkheid en psychische gezondheid, zijn sociaal functioneren en eerdere ervaringen met
de gezondheidszorg.
Classificatie
Voor het classifiseren van de aandoening van een cliënt worden er algemeen erkende
classificatiesystemen gebruikt waarin alle bekende en officieel erkende ziekten zijn opgenomen en
beschreven. Er zijn twee systemen die worden gebruikt.
- De Diagnostic and statistical Manual of Mental Disorders, ook wel DSM-5 genoemd
o Wordt het meest in Nederland gebruikt
- World Health Organization (WHO) en wordt aangeduid met de term ICD-10.
o Wordt in andere landen gebruikt.
DSM
- De DSM-systeem kwam in 1950 op.
- De reden is dat men een systeem wilde waarin de verschillende stoornissen zo helder en
concreet opgeschreven waren dat het kon worden gebruikt voor een zo betrouwbaar
, mogelijk registratie; aan dat aspect was in de eerste twee edities van de DSM geen
specifieke aandacht geschonken
- De tweede doelstelling om een systeem te ontwerpen dat het ook bruikbaar was voor
metenschappelijk onderzoek. Dat betekent dat zo precies mogelijk werd omschreven
wanneer men een bepaalde diagnose kon stellen.
o Er wordt dus per stoornis criteria geformuleerd waaraan een cliënt minimaal moest
voldoen.
o Men mocht iemand pas als lijdende aan een depressie beschrijven als hij een
bepaald soort en aantal symptomen vertoonde.
- Met de DSM kan men op een betrouwbare wijze cliënten in groepen verdelen. Met die
groepen kan men bijvoorbeeld wetenschappelijk onderzoek gaan doen, bij gebruik in de
praktijk, globaal vaststellen welke behandeling daarvoor gebruikelijk is. Men heeft nog
onvoldoende kennis hoe de stoornis ontstaan en hoe het behandeld moet
worden.
o Het DSM-systeem helpt met de indeling van de cliënt in een groep, maar daarmee
is er nog gen diagnose zoals nodig is om voor iemand een op zijn individuele
situatie toegesneden behandelplan te maken
o De DSM is te beschouwen als een soort overzichtskaart, waarop men zich in het
groot kan oriënteren, maar men moet vervolgens zelf met de cliënt uitzoeken waar
hij precies op de kaart thuishoort.
- Het DSM-systeem biedt geen nader houvast voor het bepalen van de grens tussen wat
normaal en abnormaal is, het geeft slechts een aanwijzing.
- Behalve stoornissen besloot men voor elke cliënt een aantal andere gegevens registreren
waar men de invloed van het biopsychosociale model al kan herkennen. Dat zijn gegevens
over iemands persoonlijkheid, zijn lichamelijke toestand, de psychosociale problemen en
zijn functioneren als persoon gedurende het laatste jaar.
- Zo ontstond een systeem van vijf zogenoemde ‘assen’, waarmee elke cliënt in kaart kan
gebracht worden.
Assen in de DSM-IV-TR
As I
Op deze as worden de ‘stoornissen’ geregistreerd (depressie, dementie, schizofrenie en
dergelijke): in feite dus de verschillende syndromen. Net zoals Kreapelin ging men tot dusver wat
de oorzaken van die syndromen betreft niet verder dan het verdelen van de syndromen in
syndromen die door een hersenaandoening, een andere lichamelijke aandoening of een
bepaalde van buitenaf komende stof (alcohol, drugs etc.) werden veroorzaakt en syndromen
waarbij dat niet het geval was. Van die laatste groep syndromen beschreef men tot op heden
alleen de klachten en/of symptomen en het beloop. Allee de posttraumatische-stressstoornis
vormt hierop een uitzondering: hiermee bedoelt men dat ontstaat na een ernstig pscyhotrauma,
een ongewoon schokkende gebeurtenis, zoals iets levensbedreigends, verkrachting of
oorlogservaringen
As II
Hierop worden opvallende persoonlijkheidstrekken beschreven als afwijkende
persoonlijkheidstypen. Het gaat dus in de praktijk om kenmerken die iemand zijn hele volwassen
leven al heeft, en niet zoals bij de stoornissen op as I gedurende kortere of langere periode
daarvan. In feite krijgt men zo een indruk van hoe iemand met de opgaven van het dagelijks
leven omgaat.
As III
Op deze as staat de eventuele lichamelijke ziekten
As IV
Hierop worden de pscyhosociale en andere omgevingsproblemen geregistreerd.
As V
Op deze as wordt geregistreerd hoe iemand het laatste jaar psychosociale heeft
gefunctioneerd(als persoon in werk, relaties etc.)
Classificatie is de eerste stap; daarna volgt de echte diagnostiek.
Structuurdiagnose:
Na de classificatie volgt de ‘structuurdiagnostiek’. In de classificatie is het syndroom, dat wil
zeggen de stoornis is volgens de critereia van het DSM-systeem, vastgesteld en ook is geprobeerd
de gegevens op de andere assen zo goed mogelijk in te vullen.
- Met de structuurdiagnostiek bedoelt men het komen tot een formulering van hoe de
stoornis bij deze individuele cliënt tot stand is gekomen en waarom deze blijft bestaan.
- De diagnose is de theorie van deze ziekte. Het begrip structuur verwijst naar hoe dingen in
elkaar zitten. Op deze wijze probeert men als ware een verhaal te construeren waarop men
, de therapie kan baseren en waarmee men ook aan de cliënt kan uitleggen wat er aan de
hand is en waarop een bepaalde aanpak nodig of wenselijk is.
Biopsychosociale benadering biedt een kader waarmee men systematisch alle mogelijke factoren
kan nalopen, maar deze ook met elkaar in verband kan proberen te brengen. Deze benadering gaat
er immers van uit dat alles met alles kan samen hangen. In de praktijk gaat het om een kort
verhaaltje van enkele zinnen waarin de essentiële gegevens van iemands toestand worden
samengevat en zo mogelijk met elkaar in verband worden gebracht.
Stress-kwetsbaarheidsmodel
- Om een structuurdiagnose te stellen wordt er gebruik gemaakt van een ander model dat
goed in te passen is in de biopsychosociale benadering, het stress-kwetsbaarheidsmodel.
Het beval een impliciete visie op het ontstaan van psychische stoornissen.
- Het gaat ervan uit dat het menselijk gedrag kan worden gezien als een voortdurende
interactie met de buitenwereld. Deze stelt een persoon voortdurend voor problemen (ook
stressor genoemd). Hij wordt enerzijds door de buitenwereld uitgenodigd, vaak zelfs
uitgedaagd, en wil iets gaan doen, maar ontmoet daarbij hindernissen. Anderzijds wordt hij
ook vaak gealarmeerd of zelfs bedreigd en wil hij een dergelijke bedreiging het hoofd
bieden.
- Het probleem wordt een stressor genoemd en de toestand waarin iemand komt door een
stressor wordt wel aangeduid met de term stress. Mens kan dit opvatten als een
evenwichtsverstoring.
- Een toestand van stress roept reacties op: men moet daarmee omgaan, iets doen om het
evenwicht te herstellen. Die activiteit wordt coping genoemd: men zou dat verweer of het
hoofd bieden aan kunnen noemen. Dat lukt soms niet, omdat iemand op bepaalde punten
kwetsbaar is, een bepaalde mogelijkheid tot coping mist. Dan wordt het evenwicht niet
hersteld en raakt iemand ‘ontregeld.
- In een structuurdiagnose proberen we naast het syndroom een korte samenvatting te
geven van wat naar onze veronderstelling de stressoren zijn geweest en kwetsbaarheid
heeft gemaakt dat een decompensatie kon plaatsvonden.
Dit wordt ook wel de balans tussen draagkracht genoemd. Het complex van stressoren kan men
samenvatten als de last die iemand te dragen krijgt, kwetsbaarheid kan men typeren als het
tekortschieten van de draagkracht.
Het is van belang bij de formulering van de structuurdiagnose ook rekening te houden met iemands
kracht, met zijn sterke punten.
Naast risicofactoren kan men ook beschermende of proactieve factoren onderscheiden. Zo geld dat
de omgeving niet alleen van belang is als bron van stressoren, maar ook als bron van steun. Men
moet in de structuurdiagnose niet alleen de de stressoren en de kwetsbaarheid verwerken, maar
ook de protectieve factoren, zoals kracht en de steun waarover iemand beschikt.
Een belangrijke kenmerk van een structuurdiagnose is dat deze meestal als hypothese moet
worden beschouwd die in de loop van het behandelproces op haar geldigheid moeten worden
getoetst. Het stellen van een diagnose is geen eenmalig gebeuren, het is een proces. Men moet
zich bij elke bespreking van een cliënt afvragen of de formulering nog geldt, dan wel moet worden
aangevuld of herzien.
Stressoren:
Biologisch niveau:
- Het gaat om hersenziekten, overige somatische ziekten, drugs, intoxicaties en
geneesmiddelen
- Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen twee manieren waarop een lichamelijke
ziekte betrokken kan zijn bij het ontstaan van een psychische stoornis.
Psychologisch niveau:
- Het gaat om het moeten verwerken van ernstige trauma’s, verliezen, bedreigingen,
teleurstellingen, frustraties en dergelijke. Tot dit niveau hoort ook het moeten leven met
grote innerlijke spanningen e conflicten. Het kan om tijdelijke of chronische stressoren
Sociologisch niveau:
- Het gaat om onverwachte opgaven en problemen, zoals het overlijden van een partner. Het
sociologisch niveau betreft ook allerlei andere vormen van verlies (werk, status, vrienden).
Tevens horen de chronische alledaagse zorgen die nooit overgaan en maar blijven irriteren.
Ook de problemen die bij het begin van een nieuwe levensfase optreden, zoals ouder
worden, samenwonen en kinderen.
Kwetsbaarheid:
Biologisch niveau:
, - Hiertoe horen alle somatische aandoeningen die iemands draagkracht ondermijnen. Het is
van belang na te gaan hoe iemand met een dergelijke genetische factor in zijn leven
omgaat.
Psychologisch niveau:
- Hierbij behoren eigenschappen die tot iemands persoonlijkheid behoren. Het gaat over de
eerste instantie uit naar de wijze waarop iemand met stressoren pleegt om te gaan.
- De competentie om dit soort problemen op te lossen kan men ook met de beeldende term
‘ik-sterkte’ aanduiden. Het is afkomstig uit het psychoanalytisch denkkader, waarin het ‘ik’
de centrale instantie van de persoonlijkheid is die alles in regie heeft en aanstuurt. Het gaat
daarbij om het verwerken van de informatie die binnenkomt en het omzetten daarvan in
actie.
- De mate waarin iemand dit op een harmonieuze en productieve wijze kan doen, met andere
woorden het evenwicht kan bewaren, is een maat voor de ik-sterkte.
- Het vermogen tot reflectie, tot bezinning en tot beheersing en uitstel is een belangrijk
kenmerk van ik-sterkte.
- Cognitieve psychologie: het is nuttig om te onderzoeken waardoor het proces van het
omgaan met stressoren bij iemand wordt bepaald. Dit kan met nade voor de therapeutische
aanpak van belang zijn. De cognitieve therapievormen zijn erop gefocust die denkbeelden
te corrigeren.
- Leertheorie: het kan nuttig zijn om na te gaan of mensen in de loop van hun leven een
bepaald probleemoplossend gedrag hebben aangeleerd dat contraproductief werkt
(bijvoorbeeld bij een conflict altijd weglopen en het contact mijden. Men kijkt met de bril
van de leertheorie, en de hierop gebaseerde gedragstherapie zou hier wel eens een
oplossing kunnen bieden: men probeert iemand dan nieuw gedrag aan te leren.
- Psychoanalsye: hier sta je langer stil vanwege het belang voor de praktijk. Deze manier
van kijken let vooral op hoe mensen met problematische, lastige gevoelens omgaan. Die
ontstaan uit te botsing tussen wat mensen verlangen, wat de buitenwereld vraagt en oplegt
aan de beperkingen en/of wat zij van zichzelf niet accepteren, omdat zij veroordelen vanuit
hun eigen normen en waarden. Afweermechanismen zijn manieren om de bewuste beleving
van de pijnlijke gevoelens weg te werken. Het zijn geen bewuste strategieën, maar soort
psychische reflexen die zich voltrekken zonder dat men dat weet. Deze
afweermechanismen kunnen zich soms een nuttige functie hebben voor de aanpassing,
maar vaak leiden zij tot een eenzijdige, niet-realistische of conflictueuze omgang met de
werkelijkheid.
Sociologisch niveau:
- De kwaliteit van het sociale netwerk is een belangrijke bron van externe steun.
Vriendschappen of familiecontacten waar men op kan terugvallen zijn belangrijke
protectieve factoren. Het wegvallen van dergelijke sociale steunpunten maakt iemand
sociaal kwetsbaar.
- Bij de structuurdiagnostiek probeert men na te gaan welke van de genoemde stressoren en
kwetsbaarheden een rol spelen bij het ontstaan, maar ook bij het blijven voortbestaan van
een bepaalde stoornis en de wijze waarop iemand daarmee omgaat. Die
structuurdiagnostiek kan en moet men net zo lang verfijnen tot men voldoende
aanknopingspunten heeft voor een behandelplan. Op de grond van ervaringen zal men
telkens tot bijstelling, soms tot een heroriëntatie komen.
Het biopsychosociale model in de praktijk:
- Het belangrijkste implicatie van het werken met het biopsychosociale model is natuurlijk
dat men zich bij elke behandeling, hoe technisch, hoe instrumenteel die ook is, steeds
realiseert dat men met een medemens met al de daarbij behorende aspecten van doen
heeft.
- Een goede behandelrelatie is dus niet alleen vanuit humanitair gezichtspunt een must,
maar ook een machtig aspecifiek, dat wil zeggen bij elke specifieke behandeling
toepasbaar, therapeuticum.
- De tweede belangrijke implicatie is de noodzaak van aandacht voor de sociale systemen
waarin de cliënt leeft en waaraan hij zoveel steun kan ontlenen. Zijn relatie, gezin en allen
met wie hij zich nauw verbonden voelt, komen daarbij op de eerste plaats. Het is van
belang om steeds op te letten in hoeverre die op een zinvolle wijze bij de behandeling
betrokken kunnen of soms ook moeten worden.
en probleem wordt in het algemeen een ‘stressor’ genomen
Biologische invalshoek:
De biologische
Er zijn diverse cognitieve activiteiten:
- Het geheugen
- De aandacht
- Het concentreren
- Plannen en redeneren
- De emotionele reacties
- Het verplaatsen in anderen
- Het respecteren van of het juist haten van andere
- het tot in stand komen van acties
o Impulsiviteit
o Vermogen tot reflecteren
Een bijzondere variant van biologisch denken in de psychiatrie is die waarbij men de studie van
het gedrag van dieren (De ethologie) gebruikt om inzicht te krijgen in de structuur van het
menselijk gedrag.
Literatuur:
Het biopsychosociale model is een concept dat in de nationale en internationale psychiatrie na de
tweede wereldoorlog grote invloed heeft gekregen.
Het biopsychosociaal model gaat ervan uit dat het ontstaan, voortbestaan en herstel van een klacht
uitkomsten zijn van een samenspel van biologische, psychologische en sociale factoren.
Biologische factoren:
De drie invalshoeken
Biologische invalhoek
Informatieverzameling:
De sociaal werker moet informatie verzamelen over de volgende factoren:
- De belangrijkste somatische gegevens en eventuele lopende behandelingen
- De wijze waarop iemand zijn stoornis, de gevolgen daarvan en de eventuele behandeling
beleefd
- De sociale context. Het gaat daarbij om de leef-en woonsituatie (het eerste milieu), het
werk (het tweede milieu), en het contact met familie, medeburgers, vrienden, kennissen en
dergelijken (derde milieu) en de mate van steun die de cliënt daaruit ontvangt. Ook de
cultuur, religieuze of politieke overtuigingen horen daarbij.
Het is van belang dat de sociaal werker een indruk vormt van de wijze waarop al deze aspecten
zich gedurende het ontstaan van de stoornis hebben ontwikkeld. à een indruk vormen van de
ervaring met vroegere behandelaars.
De sociaal werker dient basale (eenvoudig, globaal) kennis te hebben van hoe iemand
biopsychosociaal functioneerde voor hij ziek werd, dat wil zeggen van zijn lichamelijke gezondheid,
zijn persoonlijkheid en psychische gezondheid, zijn sociaal functioneren en eerdere ervaringen met
de gezondheidszorg.
Classificatie
Voor het classifiseren van de aandoening van een cliënt worden er algemeen erkende
classificatiesystemen gebruikt waarin alle bekende en officieel erkende ziekten zijn opgenomen en
beschreven. Er zijn twee systemen die worden gebruikt.
- De Diagnostic and statistical Manual of Mental Disorders, ook wel DSM-5 genoemd
o Wordt het meest in Nederland gebruikt
- World Health Organization (WHO) en wordt aangeduid met de term ICD-10.
o Wordt in andere landen gebruikt.
DSM
- De DSM-systeem kwam in 1950 op.
- De reden is dat men een systeem wilde waarin de verschillende stoornissen zo helder en
concreet opgeschreven waren dat het kon worden gebruikt voor een zo betrouwbaar
, mogelijk registratie; aan dat aspect was in de eerste twee edities van de DSM geen
specifieke aandacht geschonken
- De tweede doelstelling om een systeem te ontwerpen dat het ook bruikbaar was voor
metenschappelijk onderzoek. Dat betekent dat zo precies mogelijk werd omschreven
wanneer men een bepaalde diagnose kon stellen.
o Er wordt dus per stoornis criteria geformuleerd waaraan een cliënt minimaal moest
voldoen.
o Men mocht iemand pas als lijdende aan een depressie beschrijven als hij een
bepaald soort en aantal symptomen vertoonde.
- Met de DSM kan men op een betrouwbare wijze cliënten in groepen verdelen. Met die
groepen kan men bijvoorbeeld wetenschappelijk onderzoek gaan doen, bij gebruik in de
praktijk, globaal vaststellen welke behandeling daarvoor gebruikelijk is. Men heeft nog
onvoldoende kennis hoe de stoornis ontstaan en hoe het behandeld moet
worden.
o Het DSM-systeem helpt met de indeling van de cliënt in een groep, maar daarmee
is er nog gen diagnose zoals nodig is om voor iemand een op zijn individuele
situatie toegesneden behandelplan te maken
o De DSM is te beschouwen als een soort overzichtskaart, waarop men zich in het
groot kan oriënteren, maar men moet vervolgens zelf met de cliënt uitzoeken waar
hij precies op de kaart thuishoort.
- Het DSM-systeem biedt geen nader houvast voor het bepalen van de grens tussen wat
normaal en abnormaal is, het geeft slechts een aanwijzing.
- Behalve stoornissen besloot men voor elke cliënt een aantal andere gegevens registreren
waar men de invloed van het biopsychosociale model al kan herkennen. Dat zijn gegevens
over iemands persoonlijkheid, zijn lichamelijke toestand, de psychosociale problemen en
zijn functioneren als persoon gedurende het laatste jaar.
- Zo ontstond een systeem van vijf zogenoemde ‘assen’, waarmee elke cliënt in kaart kan
gebracht worden.
Assen in de DSM-IV-TR
As I
Op deze as worden de ‘stoornissen’ geregistreerd (depressie, dementie, schizofrenie en
dergelijke): in feite dus de verschillende syndromen. Net zoals Kreapelin ging men tot dusver wat
de oorzaken van die syndromen betreft niet verder dan het verdelen van de syndromen in
syndromen die door een hersenaandoening, een andere lichamelijke aandoening of een
bepaalde van buitenaf komende stof (alcohol, drugs etc.) werden veroorzaakt en syndromen
waarbij dat niet het geval was. Van die laatste groep syndromen beschreef men tot op heden
alleen de klachten en/of symptomen en het beloop. Allee de posttraumatische-stressstoornis
vormt hierop een uitzondering: hiermee bedoelt men dat ontstaat na een ernstig pscyhotrauma,
een ongewoon schokkende gebeurtenis, zoals iets levensbedreigends, verkrachting of
oorlogservaringen
As II
Hierop worden opvallende persoonlijkheidstrekken beschreven als afwijkende
persoonlijkheidstypen. Het gaat dus in de praktijk om kenmerken die iemand zijn hele volwassen
leven al heeft, en niet zoals bij de stoornissen op as I gedurende kortere of langere periode
daarvan. In feite krijgt men zo een indruk van hoe iemand met de opgaven van het dagelijks
leven omgaat.
As III
Op deze as staat de eventuele lichamelijke ziekten
As IV
Hierop worden de pscyhosociale en andere omgevingsproblemen geregistreerd.
As V
Op deze as wordt geregistreerd hoe iemand het laatste jaar psychosociale heeft
gefunctioneerd(als persoon in werk, relaties etc.)
Classificatie is de eerste stap; daarna volgt de echte diagnostiek.
Structuurdiagnose:
Na de classificatie volgt de ‘structuurdiagnostiek’. In de classificatie is het syndroom, dat wil
zeggen de stoornis is volgens de critereia van het DSM-systeem, vastgesteld en ook is geprobeerd
de gegevens op de andere assen zo goed mogelijk in te vullen.
- Met de structuurdiagnostiek bedoelt men het komen tot een formulering van hoe de
stoornis bij deze individuele cliënt tot stand is gekomen en waarom deze blijft bestaan.
- De diagnose is de theorie van deze ziekte. Het begrip structuur verwijst naar hoe dingen in
elkaar zitten. Op deze wijze probeert men als ware een verhaal te construeren waarop men
, de therapie kan baseren en waarmee men ook aan de cliënt kan uitleggen wat er aan de
hand is en waarop een bepaalde aanpak nodig of wenselijk is.
Biopsychosociale benadering biedt een kader waarmee men systematisch alle mogelijke factoren
kan nalopen, maar deze ook met elkaar in verband kan proberen te brengen. Deze benadering gaat
er immers van uit dat alles met alles kan samen hangen. In de praktijk gaat het om een kort
verhaaltje van enkele zinnen waarin de essentiële gegevens van iemands toestand worden
samengevat en zo mogelijk met elkaar in verband worden gebracht.
Stress-kwetsbaarheidsmodel
- Om een structuurdiagnose te stellen wordt er gebruik gemaakt van een ander model dat
goed in te passen is in de biopsychosociale benadering, het stress-kwetsbaarheidsmodel.
Het beval een impliciete visie op het ontstaan van psychische stoornissen.
- Het gaat ervan uit dat het menselijk gedrag kan worden gezien als een voortdurende
interactie met de buitenwereld. Deze stelt een persoon voortdurend voor problemen (ook
stressor genoemd). Hij wordt enerzijds door de buitenwereld uitgenodigd, vaak zelfs
uitgedaagd, en wil iets gaan doen, maar ontmoet daarbij hindernissen. Anderzijds wordt hij
ook vaak gealarmeerd of zelfs bedreigd en wil hij een dergelijke bedreiging het hoofd
bieden.
- Het probleem wordt een stressor genoemd en de toestand waarin iemand komt door een
stressor wordt wel aangeduid met de term stress. Mens kan dit opvatten als een
evenwichtsverstoring.
- Een toestand van stress roept reacties op: men moet daarmee omgaan, iets doen om het
evenwicht te herstellen. Die activiteit wordt coping genoemd: men zou dat verweer of het
hoofd bieden aan kunnen noemen. Dat lukt soms niet, omdat iemand op bepaalde punten
kwetsbaar is, een bepaalde mogelijkheid tot coping mist. Dan wordt het evenwicht niet
hersteld en raakt iemand ‘ontregeld.
- In een structuurdiagnose proberen we naast het syndroom een korte samenvatting te
geven van wat naar onze veronderstelling de stressoren zijn geweest en kwetsbaarheid
heeft gemaakt dat een decompensatie kon plaatsvonden.
Dit wordt ook wel de balans tussen draagkracht genoemd. Het complex van stressoren kan men
samenvatten als de last die iemand te dragen krijgt, kwetsbaarheid kan men typeren als het
tekortschieten van de draagkracht.
Het is van belang bij de formulering van de structuurdiagnose ook rekening te houden met iemands
kracht, met zijn sterke punten.
Naast risicofactoren kan men ook beschermende of proactieve factoren onderscheiden. Zo geld dat
de omgeving niet alleen van belang is als bron van stressoren, maar ook als bron van steun. Men
moet in de structuurdiagnose niet alleen de de stressoren en de kwetsbaarheid verwerken, maar
ook de protectieve factoren, zoals kracht en de steun waarover iemand beschikt.
Een belangrijke kenmerk van een structuurdiagnose is dat deze meestal als hypothese moet
worden beschouwd die in de loop van het behandelproces op haar geldigheid moeten worden
getoetst. Het stellen van een diagnose is geen eenmalig gebeuren, het is een proces. Men moet
zich bij elke bespreking van een cliënt afvragen of de formulering nog geldt, dan wel moet worden
aangevuld of herzien.
Stressoren:
Biologisch niveau:
- Het gaat om hersenziekten, overige somatische ziekten, drugs, intoxicaties en
geneesmiddelen
- Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen twee manieren waarop een lichamelijke
ziekte betrokken kan zijn bij het ontstaan van een psychische stoornis.
Psychologisch niveau:
- Het gaat om het moeten verwerken van ernstige trauma’s, verliezen, bedreigingen,
teleurstellingen, frustraties en dergelijke. Tot dit niveau hoort ook het moeten leven met
grote innerlijke spanningen e conflicten. Het kan om tijdelijke of chronische stressoren
Sociologisch niveau:
- Het gaat om onverwachte opgaven en problemen, zoals het overlijden van een partner. Het
sociologisch niveau betreft ook allerlei andere vormen van verlies (werk, status, vrienden).
Tevens horen de chronische alledaagse zorgen die nooit overgaan en maar blijven irriteren.
Ook de problemen die bij het begin van een nieuwe levensfase optreden, zoals ouder
worden, samenwonen en kinderen.
Kwetsbaarheid:
Biologisch niveau:
, - Hiertoe horen alle somatische aandoeningen die iemands draagkracht ondermijnen. Het is
van belang na te gaan hoe iemand met een dergelijke genetische factor in zijn leven
omgaat.
Psychologisch niveau:
- Hierbij behoren eigenschappen die tot iemands persoonlijkheid behoren. Het gaat over de
eerste instantie uit naar de wijze waarop iemand met stressoren pleegt om te gaan.
- De competentie om dit soort problemen op te lossen kan men ook met de beeldende term
‘ik-sterkte’ aanduiden. Het is afkomstig uit het psychoanalytisch denkkader, waarin het ‘ik’
de centrale instantie van de persoonlijkheid is die alles in regie heeft en aanstuurt. Het gaat
daarbij om het verwerken van de informatie die binnenkomt en het omzetten daarvan in
actie.
- De mate waarin iemand dit op een harmonieuze en productieve wijze kan doen, met andere
woorden het evenwicht kan bewaren, is een maat voor de ik-sterkte.
- Het vermogen tot reflectie, tot bezinning en tot beheersing en uitstel is een belangrijk
kenmerk van ik-sterkte.
- Cognitieve psychologie: het is nuttig om te onderzoeken waardoor het proces van het
omgaan met stressoren bij iemand wordt bepaald. Dit kan met nade voor de therapeutische
aanpak van belang zijn. De cognitieve therapievormen zijn erop gefocust die denkbeelden
te corrigeren.
- Leertheorie: het kan nuttig zijn om na te gaan of mensen in de loop van hun leven een
bepaald probleemoplossend gedrag hebben aangeleerd dat contraproductief werkt
(bijvoorbeeld bij een conflict altijd weglopen en het contact mijden. Men kijkt met de bril
van de leertheorie, en de hierop gebaseerde gedragstherapie zou hier wel eens een
oplossing kunnen bieden: men probeert iemand dan nieuw gedrag aan te leren.
- Psychoanalsye: hier sta je langer stil vanwege het belang voor de praktijk. Deze manier
van kijken let vooral op hoe mensen met problematische, lastige gevoelens omgaan. Die
ontstaan uit te botsing tussen wat mensen verlangen, wat de buitenwereld vraagt en oplegt
aan de beperkingen en/of wat zij van zichzelf niet accepteren, omdat zij veroordelen vanuit
hun eigen normen en waarden. Afweermechanismen zijn manieren om de bewuste beleving
van de pijnlijke gevoelens weg te werken. Het zijn geen bewuste strategieën, maar soort
psychische reflexen die zich voltrekken zonder dat men dat weet. Deze
afweermechanismen kunnen zich soms een nuttige functie hebben voor de aanpassing,
maar vaak leiden zij tot een eenzijdige, niet-realistische of conflictueuze omgang met de
werkelijkheid.
Sociologisch niveau:
- De kwaliteit van het sociale netwerk is een belangrijke bron van externe steun.
Vriendschappen of familiecontacten waar men op kan terugvallen zijn belangrijke
protectieve factoren. Het wegvallen van dergelijke sociale steunpunten maakt iemand
sociaal kwetsbaar.
- Bij de structuurdiagnostiek probeert men na te gaan welke van de genoemde stressoren en
kwetsbaarheden een rol spelen bij het ontstaan, maar ook bij het blijven voortbestaan van
een bepaalde stoornis en de wijze waarop iemand daarmee omgaat. Die
structuurdiagnostiek kan en moet men net zo lang verfijnen tot men voldoende
aanknopingspunten heeft voor een behandelplan. Op de grond van ervaringen zal men
telkens tot bijstelling, soms tot een heroriëntatie komen.
Het biopsychosociale model in de praktijk:
- Het belangrijkste implicatie van het werken met het biopsychosociale model is natuurlijk
dat men zich bij elke behandeling, hoe technisch, hoe instrumenteel die ook is, steeds
realiseert dat men met een medemens met al de daarbij behorende aspecten van doen
heeft.
- Een goede behandelrelatie is dus niet alleen vanuit humanitair gezichtspunt een must,
maar ook een machtig aspecifiek, dat wil zeggen bij elke specifieke behandeling
toepasbaar, therapeuticum.
- De tweede belangrijke implicatie is de noodzaak van aandacht voor de sociale systemen
waarin de cliënt leeft en waaraan hij zoveel steun kan ontlenen. Zijn relatie, gezin en allen
met wie hij zich nauw verbonden voelt, komen daarbij op de eerste plaats. Het is van
belang om steeds op te letten in hoeverre die op een zinvolle wijze bij de behandeling
betrokken kunnen of soms ook moeten worden.
en probleem wordt in het algemeen een ‘stressor’ genomen