Utrecht Week 1
Inleiding
In deze samenvatting wordt alles van het vak stofwisseling 1 uit week 1 besproken. Aantekeningen
van de hoorcolleges, antwoorden van de werkgroepen en samenvattingen van de e-modules. Ook
zullen er open oefenvragen achterin de samenvatting te vinden zijn om je kennis te testen met de
daarbij horende antwoorden. Succes met leren en mochten er vragen zijn hoor ik het graag!
1
,Inhoudsopgave
Inleiding..................................................................................................................................................1
Hoorcollege 1.........................................................................................................................................3
Tussencollege 1......................................................................................................................................5
Werkgroep 1...........................................................................................................................................8
Hoorcollege 2.........................................................................................................................................9
Hoorcollege 3.......................................................................................................................................11
E-module vetten...................................................................................................................................13
E-module mineralen en vitamines........................................................................................................15
Werkgroep 2.........................................................................................................................................18
Oefenvragen.........................................................................................................................................19
Antwoorden.........................................................................................................................................20
2
, Hoorcollege 1
Voeding bevat brandstof wat we nodig hebben om te leven. Energie is nodig bij de opbouw van
producten bijvoorbeeld DNA en eiwitten.
Energie wordt uitgedrukt in Joule, maar in dit vakgebied wordt er bijna altijd met calorieën gerekend.
1 J = 0,24 cal
1 cal = 4,2 J
1 Cal = 1 kcal = 1000 cal
Energie verbruik (=vermogen) in: Watt = Joule/seconde
Let op: cal en Cal zijn twee verschillende dingen, Cal zijn 1000 cal, de hoofdletter C staat dus eigenlijk
voor kilocalorie.
Energie wordt voor het grootste gedeelte gebruikt voor het metabolisme (stofwisseling).
BMI = gewicht (kg)/ (lengte*lengte (m)). Een gezond gewicht zit tussen de 18< BMI < 25
Enkelvoudige simpele verbindingen tussen C en H geven meer energie dan de meer geoxideerde
stoffen. Vetten geven meer energie af omdat ze meer enkelvoudige CH-verbindingen bevatten dan
bijvoorbeeld glucose.
De atwater factoren zeggen iets over hoeveel Cal er uit een gram voedingsstof komt.
Eiwitten = 4,0 Cal
Vetten = 8,9 Cal op de toets mag uitgegaan worden van 9,0 Cal
Koolhydraten = 4,0 Cal
Alcohol = 7,0 Cal
Bij een normaal dieet is het gezond om 55% van je energie uit koolhydraten te halen. Vet is 30-35%
van je dagelijkse energie inname en eiwitten zijn 10-15 % van je energie inname.
Het grootste deel van de energie die in het lichaam wordt opgeslagen zijn vetten (97,5%) maar 2,5%
van de energievoorraad wordt opgeslagen in de vorm van koolhydraten.
Lever kan 80g glycogeen opslaan, spieren ongeveer 350g opslaan maar die kunnen dit niet meer aan
de bloedsomloop af worden gegeven.
De hersenen kunnen geen vetzuren opnemen en halen hun energie dus alleen uit glucose (150g per
24u), na 12 uur is er dus al te weinig glucose aanwezig.
Het maag-darm kanaal is belangrijk voor de digestie, secretie, absorptie, motiliteit en regulatie.
Stofwisseling omvat de omzetting van een stof A naar stof B en het transport van een stof over een
membraan.
Er zijn heel veel stofwisselingsziektes, deze kunnen verschillende oorzaken hebben. Zo kan het zijn
dat een belangrijk eindproduct niet gevormd kan worden waardoor een patiënt minder energie
heeft. Het kan zijn dat een product niet wordt afgebroken waardoor er een overschot aan product
ontstaat. Ook kan het zijn dat er aangepaste modificatie plaats kan vinden wat kan zorgen voor meer
of minder uitscheiding. Ook het transport over een membraan kan verstoord zijn.
3