,Voorwoord
Mijn naam is X. Sinds oktober 2024 werk ik als systeemgericht behandelaar bij X in X. X is een organisatie in
heel Nederland met ongeveer 3900 medewerkers in onderwijs en zorg.
X helpt mensen die slechthorend, doof, doofblind zijn of een taalontwikkelingsstoornis (TOS) of een
communicatief meervoudige beperking hebben.
Als systeemgericht behandelaar bij X Velp werk ik vooral met kinderen die een taalontwikkelingsstoornis
(TOS) hebben.
Samen met collega’s en andere behandelaars vormen we een team met verschillende specialisaties. We
helpen ouders en kinderen zo goed mogelijk, zodat de kinderen later goed mee kunnen doen in de
maatschappij.
Mijn werk bestaat vooral uit:
Samen met ouders en kind zorgen voor een goede thuissituatie om beter te communiceren;
Ouders uitleg geven over de communicatieproblemen van hun kind;
Ouders sterker maken zodat ze beter om kunnen gaan met opvoedvragen die horen bij de
communicatieproblemen;
Zorgen dat doelen in het behandelplan goed staan en dat de voortgang wordt bijgehouden in het
zorgsysteem.
Om beter te worden in het begeleiden van ouders en kinderen volg ik de opleiding Social Work bij NCOI.
Voor de module Werken met Methodieken heb ik deze opdracht gemaakt. Deze module was leerzaam,
omdat je weer nadenkt over de stappen in een plancyclus. Soms sla je die stappen in het werk snel over.
,Samenvatting
Deze plancyclus heb ik gemaakt als opdracht voor de module ‘Werken met methodieken’. Ik heb hierbij het
boek ‘De Plancyclus in het sociaal-agogisch werk’ van Britt Fontaine (2010) gebruikt. Volgens haar is de
plancyclus de basis van het sociaal-agogisch werk.
Fase 1: oriënterende fase
In deze fase kijken we eerst naar onze eigen indruk van het probleem. Daarna doen we een eerste
onderzoek naar het probleem zelf. Het resultaat is een duidelijke probleemdefinitie waar iedereen het mee
eens is (Fontaine, 2010).
X is een meisje van 3 jaar uit een druk gezin met 3 zusjes. Bij haar en haar tweelingzusje Daisy is vorig jaar
(2024) TOS vastgesteld. X kan zich slecht concentreren op school, vraagt veel aandacht en is snel gevoelig
voor pijn. Eerst dacht men dat haar gedrag bij de TOS hoorde, maar nu verbetert de taal, maar blijft het
gedrag hetzelfde.
Dit is een probleem voor X, haar ouders en begeleiders en moet verder onderzocht worden. De
probleemdefinitie is:
X heeft TOS. Ze maakt vaak speelgoed kapot en is onrustig met andere kinderen. Op school kan ze zich
moeilijk concentreren en trekt zich terug als ze op haar gedrag wordt aangesproken.
Fase 2: diagnostische fase
In deze fase onderzoeken en analyseren we het probleem verder. Eerst bepaal je wat je precies wilt
onderzoeken met behulp van hypothesen (Fontaine, 2010).
We onderzoeken de hypothese dat X dit gedrag vertoont omdat ze problemen heeft met het verwerken
van prikkels.
Dit onderzoeken we met een observatieplan en gebruiken daarbij de vragenlijsten van de Sensory Profile
Companion.
Fase 3: planning- en uitvoeringsfase
Hier stellen we een doel vast (Fontaine, 2010).
Het doel is: over 6 maanden heeft X meer controle over haar prikkelverwerking.
Dit doel wordt uitgewerkt in een plan van aanpak, het werkplan. We gebruiken daarbij de methode ZAP
(zintuigelijk activiteiten programma). Het werkplan duurt 6 maanden en bestaat uit tussendoelen.
,Fase 4: evaluatiefase
In deze fase kijk je welke resultaten X heeft behaald. Ook kijk je naar je eigen werk als hulpverlener en
evalueer je dat (Fontaine, 2010).
We zijn net begonnen met het werkplan, dus een eindbeoordeling kan nog niet. Wel doen we tussentijdse
evaluaties, zoals reflectie op ons eigen handelen en op het proces.
De eindbeoordeling doen we met het model van Kirkpatrick. Dit kijkt naar vier niveaus: tevredenheid,
geleerde kennis, toepassing en effect.
,