Samenvatting
verbintenissenrecht
Overeenkomst en verbintenis
Verbintenis
Een verbintenis (6:1) is een rechtsverhouding tussen twee (of meer) personen,
waarbij de ene partij (de schuldenaar) verplicht is tot een prestatie (doen, niet-
doen of dulden) jegens de andere partij (de schuldeiser), die een
corresponderend recht heeft op die prestatie.
💡 Oftewel: een verbintenis heeft een passieve en actieve kant.
Overeenkomst
Een overeenkomst (6:213) is een meerzijdige rechtshandeling, waarbij twee of
meer partijen door op elkaar aansluitende verklaringen (aanbod en
aanvaarding) een verbintenis in het leven roepen (art. 6:217 BW). De
overeenkomst is daarmee een bron van verbintenissen, maar niet elke
verbintenis vloeit voort uit een overeenkomst.
Vereisten
Twee of meer partijen: Er moeten minimaal twee partijen zijn.
Aanbod en aanvaarding: De overeenkomst komt tot stand door een aanbod
van de ene partij en de aanvaarding daarvan door de andere partij (art.
6:217 lid 1 BW).
Wilsovereenstemming: Partijen moeten overeenstemmende
wilsverklaringen hebben, of er moet gerechtvaardigd vertrouwen zijn op
overeenstemming (art. 3:33, 3:35 BW, wilsvertrouwensleer).
Samenvatting verbintenissenrecht 1
, Gericht op rechtsgevolg: De overeenkomst moet gericht zijn op het
scheppen van verbintenissen (obligatoire werking).
💡 Het aangaan van een overeenkomst is een voorbeeld van een
rechtshandeling.
Een overeenkomst leidt altijd tot een rechtshandeling.
❗ Dus bij een overeenkomst dient er sprake te zijn van twee
rechtshandelingen:
Wanneer aanbod en aanvaarding op elkaar aansluiten is er sprake
van wilsovereenstemming waardoor een overeenkomst ontstaat.
Want het aanbod en de aanvaarding zijn beide uitingen van de wil.
De wil moet zich via een verklaring (aanbod of aanvaarding)
openbaren.
Zonder overeenstemmende wilsverklaringen, dus als er geen
wilsovereenstemming is, komt er geen overeenkomst tot stand.
Gronden waarop een overeenkomst kan ontstaan
1. De wet (6:1) → hoofdregel
Bijvoorbeeld: onrechtmatige daad, onverschuldigde betaling,
ongerechtvaardigde verrijking etc.
2. Quint/Te Poel → verbintenis op basis van ongeschreven recht (evt.
redelijkheid en billijkheid)
Samenvatting verbintenissenrecht 2
, 🧑⚖️ Quint/Te Poel
Verruiming van de bronnen van verbintenissen
De Hoge Raad oordeelde dat verbintenissen niet expliciet in een
wetsartikel hoeven te zijn vastgelegd. In plaats daarvan kan een
verbintenis ontstaan uit een oplossing die:
past binnen het systeem van de wet, en
aansluit bij reeds geregelde gevallen in de wet.
Dit doorbrak de strikte interpretatie uit het oude BW, dat
verbintenissen alleen uit overeenkomst of de wet liet voortvloeien
(6:1).
3. Overeenkomst (6:213) of natuurlijke verbintenis → verbintenisscheppende
rechtshandelingen
Soorten verbintenissen
Inhoud
Enkelvoudige verbintenis: er is sprake van één prestatie waartoe de
schuldenaar verplicht is. Er is dus maar één mogelijkheid om aan de
verbintenis te voldoen.
Alternatieve verbintenis: er zijn meerdere prestaties mogelijk, maar de
schuldenaar hoeft er maar één te verrichten om aan zijn verplichting te
voldoen. Nakoming van één volstaat.
Generieke verbintenis: verbintenis waarbij het voorwerp van de prestatie
alleen naar de soort is bepaald, en niet naar een individueel bepaald object.
Dit betekent dat de schuldenaar voldoet aan zijn verplichting dor een zaak
van de afgesproken soort en kwaliteit te leveren, zonder dat een specifiek
individueel object is aangewezen → bijv. als iemand zich verbindt om “één
ton tarwe” te leveren, is dat een generieke verbintenis: het maakt niet uit
welke ton tarwe wordt geleverd, zolang deze maar aan de afgesproken
soort en kwaliteit voldoet.
Resultaatsverbintenis: de schuldenaar is verplicht een bepaald resultaat te
bereiken.
Samenvatting verbintenissenrecht 3
, Inspanningsverbintenis: de schuldenaar is verplicht zich in te spannen,
maar niet om een concreet resultaat te garanderen.
Werking
Onvoorwaardelijke verbintenis (standaard): direct van kracht en niet
afhankelijk van een toekomstige onzekere gebeurtenis. De schuldenaar
moet de prestatie leveren zodra de verbintenis is ontstaan, en de
schuldeiser kan nakoming direct eisen.
Voorwaardelijke verbintenis (6:21): is afhankelijk van een toekomstige
onzekere gebeurtenis. Er zijn twee soorten voorwaarden: opschortende
voorwaarde en ontbindende voorwaarde.
Afdwingbaarheid
Afdwingbare verbintenis: een gewone verbintenis is in rechte afdwingbaar.
De schuldeiser kan via de rechter nakoming eisen van de schuldenaar
(3:296).
Niet-afdwingbare verbintenis: een natuurlijke verbintenis is niet
afdwingbaar. De schuldeiser kan de nakoming niet via de rechter
afdwingen. Let wel: als een natuurlijke verbintenis vrijwillig wordt
nagekomen, kan het betaalde niet als onverschuldigd worden
teruggevorderd.
Rechtshandeling
Een rechtshandeling is een handeling die gericht is op het doen ontstaan,
wijzigen of tenietgaan van een rechtsgevolg, en die dat rechtsgevolg ook
daadwerkelijk heeft omdat de handeling met die bedoeling is verricht → voorts
vereist een rechtshandeling een op rechtsgevolg gerichte wil die zich door een
verklaring heeft geopenbaard (3:33 BW). De kernvereisten voor een
rechtshandeling zijn dus:
Wil: Er moet een op een rechtsgevolg gerichte wil zijn.
Verklaring: Deze wil moet zich (uitwendig) manifesteren, bijvoorbeeld door
een mondelinge of schriftelijke verklaring, of door gedragingen (art. 3:33 en
3:37 BW).
Samenvatting verbintenissenrecht 4
, Overeenstemming tussen wil en verklaring: Wil en verklaring moeten
overeenstemmen. Bij discrepantie kan toch een rechtshandeling tot stand
komen indien de wederpartij gerechtvaardigd heeft vertrouwd op de
verklaring (art. 3:35 BW, wilsvertrouwensleer).
💡 Een rechtshandeling kan leiden tot een overeenkomst, maar dit hoeft
niet altijd!
Een overeenkomst leidt altijd tot een rechtshandeling.
Totstandkoming
3:37 lid 3: een verklaring werkt pas zodra die verklaring de andere partij
heeft bereikt.
Een verklaring die degene tot wie zij is gericht niet of niet tijdig bereikt,
heeft desondanks haar werking, indien dit niet of niet tijdig bereiken
voor risico van de geadresseerde komt.
De bewijslast rust dan dan op de afzender.
Een reeds verzonden verklaring kan door een tweede verklaring worden
ingetrokken. De intrekking slaagt alleen als de tweede verklaring de
geadresseerde eerder dan of gelijktijdig met de eerste verklaring heeft
bereikt → dus: wanneer iemand bijvoorbeeld een aanbod doet (de eerste
verklaring), maar zich direct daarna bedenkt en dit aanbod wil intrekken (de
tweede verklaring), dan werkt die intrekking alleen als de geadresseerde de
intrekking ontvangt voordat of op hetzelfde moment als het oorspronkelijke
aanbod. Ontvangt de geadresseerde het aanbod eerst, dan heeft de
intrekking geen werking meer en blijft het aanbod geldig.
❗ Dubbele grondslag rechtshandeling
1. Wil moet zich door een verklaring openbaren (3:33);
2. Gaat er iets mis, dan komen wil en verklaring niet overeen. Dan
kan alsnog sprake zijn van een rechtshandeling als de fident
(ontvanger) mocht vertrouwen op dat de wil en verklaring overeen
kwamen (zie kopje “Wilsvertrouwensleer”).
Samenvatting verbintenissenrecht 5
, Wilsvertrouwensleer
Wilsontbreken
3 mogelijkheden bij wilsontbreken:
De wil en verklaring komen niet overeen → er ontbreekt dus een op een
rechtsgevolg gerichte wil. De rechtshandeling is dan nietig.
De wil en verklaring komen wél overeen, maar de wil wordt geacht te
ontbreken door een geestelijke stoornis (3:34 BW). De rechtshandeling is
vernietigbaar (of nietig bij eenzijdige rechtshandelingen die niet tot een
bepaald persoon zijn gericht).
Gerechtvaardigd vertrouwen/opgewekte vertrouwen (3:35 BW). Bij een
geslaagd beroep houdt de rechtshandeling stand.
Geestelijke stoornis
In het geval dat een verklaring onder invloed van een geestelijke stoornis is
afgelegd, geldt 3:34 BW. 3:34 BW ziet op alle vormen van geestelijke stoornis,
tijdelijk of blijvend en ongeacht de oorzaak van de stoornis. Ook een moment
van verstrooidheid of een toestand van dronkenschap of van hevige opwinding,
mits ernstig genoeg, vallen hier onder. Bijvoorbeeld: psychose, dronkenschap
(tijdelijk), drugs (tijdelijk).
Voorwaarden
1. Aanwezigheid van een geestelijke stoornis;
2. Causaal verband: Er moet een oorzakelijk verband bestaan tussen de
geestelijke stoornis en de rechtshandeling zijn, waardoor zijn wil tot het
verrichten van de rechtshandeling ontbrak. De wil kan op twee manieren
ontbreken (nadeel hoeft hierbij niet te zijn ontstaan):
a. verklaring is onder invloed van stoornis gedaan; of
b. stoornis belette een redelijke beoordeling van belangen → kon iemand
door zijn stoornis niet goed inschatten wat hij deed, dan telt zijn wil niet
en mag daar niet over worden getwijfeld (= onweerlegbaar).
Samenvatting verbintenissenrecht 6
, ❗ Vermoeden
Let op: Is de rechtshandeling nadelig voor de geestelijk gestoorde,
dan wordt de verklaring vermoed onder invloed van de stoornis te zijn
gedaan (= weerlegbaar).
Gerechtvaardigd vertrouwen
3:35 regelt dat een rechtshandeling toch geldig kan zijn, ook als de interne wil
van de handelende persoon niet overeenstemt met de verklaring, mits de
wederpartij gerechtvaardigd mocht vertrouwen op die verklaring of gedraging.
Dit wordt ook wel het leerstuk van het opgewekte vertrouwen genoemd binnen
de wilsvertrouwensleer , waardoor de totstandkoming van de rechtshandeling
een dubbele grondslag heeft:
1. De geopenbaarde wil 3:33 BW → De totstandkoming van de verklaring
wordt geregeld in 3:37 BW: in beginsel vormvrij en kan ook in gedragingen
besloten liggen.
2. Het opgewekte vertrouwen 3:35 BW: in alle gevallen waarin bij een
eenzijdige gerichte of meerzijdige rechtshandeling een afwijking bestaat.
De wederpartij wordt beschermd als aan de volgende voorwaarden is
voldaan:
Verklaring of gedraging: Er moet sprake zijn van een verklaring of
gedraging van de persoon aan wie het vertrouwen wordt
tegengeworpen. Dit kan een mondelinge of schriftelijke uiting zijn, maar
ook een gedraging zoals knikken, handen schudden of het uitvoeren
van een overeenkomst.
Opvatting door de wederpartij: De wederpartij moet deze verklaring of
gedraging hebben opgevat als een tot haar gerichte verklaring van een
bepaalde strekking (bijvoorbeeld: “ik ga akkoord met het contract”).
Gerechtvaardigd vertrouwen: De wederpartij mocht onder de gegeven
omstandigheden redelijkerwijs erop vertrouwen dat de verklaring
overeenkwam met de wil van de handelende persoon. Dit wordt
beoordeeld naar objectieve maatstaven: wat mocht de wederpartij in de
situatie verwachten? De wederpartij moet te goeder trouw zijn (3:11
BW) → zij mocht niet weten en hoefde ook niet te weten dat er een
discrepantie bestond tussen wil en verklaring. 3:11 BW bepaalt dat
Samenvatting verbintenissenrecht 7
, goede trouw ontbreekt als iemand feiten kende of behoorde te kennen
die aan het vertrouwen in de weg staan (zie ook Eelman/Hin,
Westhoff/Spronsen, Hajziani/van Woerden en S/MS).
Samenvatting verbintenissenrecht 8
, 🧑🎓 Eelman/Hin
Casus
Eelman verkocht in 1954 zijn boerderij aan Hin voor een
normale prijs. Later weigerde Eelman mee te werken aan de
levering, omdat hij stelde dat hij bij het sluiten van de
overeenkomst leed aan schizofrenie en daardoor niet in staat
was zijn wil te bepalen (hij dacht dat het op zijn boerderij
spookte). Eelman werd kort daarna onder curatele gesteld.
Eelman beriep zich op wilsontbreken (nu art. 3:34 BW): door
zijn geestelijke stoornis ontbrak bij hem de wil die
overeenstemde met de verklaring. Hin stelde dat hij erop
mocht vertrouwen dat Eelman wilsbekwaam was (nu art. 3:35
BW).
Kan Eelman de koopovereenkomst vernietigen wegens zijn
geestelijke stoornis, of mocht Hin vertrouwen op de
geldigheid van de overeenkomst?
Rechtsregel
De Hoge Raad oordeelde dat Eelman alleen succesvol een
beroep op wilsontbreken kan doen als niet alleen vaststaat dat
hij geestelijk gestoord was, maar óók dat Hin wist of had
moeten begrijpen dat Eelman niet in staat was zijn wil te
bepalen. In deze zaak was de prijs normaal en had Hin geen
reden om aan Eelmans geestesgesteldheid te twijfelen. Omdat
Hin niet wist en niet hoefde te weten dat Eelman geestelijk
gestoord was, bleef de overeenkomst in stand en moest
Eelman leveren.
Hangt altijd van de omstandigheden van het geval. Relevante
factoren:
1. Afkoelingsperiode en nadeel → Westhoff Spronsen
2. Onderzoeksplicht → Hajziani/Van Woerden
3. Vaardigheden van een persoon
Samenvatting verbintenissenrecht 9
, 4. Aard van personen
Samenvatting verbintenissenrecht 10