Onderzoek, PB0412, Open Universiteit
Opleiding Arbeids- en
Organisatiepsychologie
1.1
Onderzoekers hebben een morele verantwoordelijkheid naar deelnemers om ze te beschermen
tegen negatieve effecten van hun onderzoek. Daarom zijn er etische richtlijnen vastgelegd;
onderzoekers realiseren hierdoor dat ze de deelnemers moeten respecteren en rechten moeten
bewaken. Vooraf aan het onderzoek wordt deze getest aan een etische comissie.
- Minimized harm; zo min mogelijk belasting voor de proefpersonen in het onderzoek
- Informed consent; info verstrekken over het onderzoek en toestemming vragen voor
deelname onderzoek. Er bestaan 2 vormen;
Active; een handeling verricht om toestemming te geven (bijvoorbeeld akkoord tekenen)
Passive; als je niet wil deelnemen moet je een handeling verrichten. Wil je deelnemen dan
hoef je dus niks te doen.
Vereisten Informed consent:
- Anonimiteit voor de deelnemers (hoe gegevens worden verwerkt)
- Contact informatie bij noodgevallen (dus een partner of ouder of kind oid)
- Duur moet helder zijn
- Doel in grote lijnen zonder jargon helder zijn voor iedere deelnemer
- Nut voor de maatschappij
- Procedure, moet van te voren helder zijn
- Risico’s, zowel lichamelijk als psychisch
- Recht op beëindiging, proefpersonen moeten elk moment kunnen stoppen + beschrijven
wat er dan met de gegevens gebeurd
- Vrijwillige deelname; weigeren mag geen consequenties hebben
De proceduresectie is bij experimenteel onderzoek uitgebreider dan bij andere onderzoeken door de
etische aspecten.
Na afloop van het onderzoek is het etisch om een debrieding te doen
- Debriefing = na afloop vragen stellen, wegnemen misconcepties (mensen moet het
onderzoek hetzelfde verlaten als dat ze binnen kwamen)
Bedrog is tijdens onderzoek ongeoorloofd. Er zijn algemene richtlijnen voor; emotioneel na
debriefing is niet toegstaan. Bedrog = voorgelogen worden.
Uitzonderingen die wel toegestaan zijn;
- Gebruik van handlangers (zoals bij Asch experiment)
- Staged manipulations in field settings (omstandigheden manipuleren)
- Misleidende instructies (zoals bij het Milgramm schokken effect)
, 1.2 Validiteit
Betrouwbaarheid = ruis, error, inconsistentie, willekeurig, statistisch en bij inconsistent gebruik van
meetinstrumenten.
Validiteit = bias, systematisch, meten wat je wil weten, filosofisch
Een test kan niet valide zijn maar wel betrouwbaar. Daarom is validiteit in eerste instantie
belangrijker dan betrouwbaarheid.
- Interne validiteit = bewijs dat x verandering veroorzaakt bij Y
- Externe validiteit = de generaliseerbaarheid naar de doelpopulatie
Bedreigers interne validiteit
- Compenserende rivaliteit
- Interactie tussen verschillende bedreigers
- Instrumentatie
- Rijping
- Selectie
- Statistische regressie
- Tussentijds voorval
- Testeffect
- Uitval
- Verspreiding vd ingreep
Bedreigers externe validiteit
- Interactie tussen de voormeting en de experimentele stimulus
- Een niet representatieve steekproef
- Reactieve experimentele situatie
Experiment bias = wanneer een proefpersoon het de leider naar de zin wil maken
Selectieve perceptie = door verwachtingen bepaalde gedragingen niet waarnemen
1.3 Doel van een experiment is causale relaties empirisch observeren en evalueren
Controle groep gebruiken is Mill’s methode. Er zijn 2 vormen van bewijs leveren;
1. Method of agreement = als x zich voor doet dan ook y.
2. Method of difference = als x zich niet voordoet, doet y zich ook niet voor.
- Zuiver experiment = randomisatie én een controle groep
Pre-post control, posttest only control, Solomon 4 groepen design
- Quasi experiment = bestaande groepen (hoge ecologische validiteit)
Pretest post control, enkelvoudige tijdreeks (geen controlegroep), meervoudige tijdreeks
(wel controle groep)
- Pre experimenteel = geen controle groep
One shot case study, one group pre post test, bestaande groepen alleen post test
- Randomisatie controleert voor onbekende variabelen
- Matchen = gelijk maken van de experimentele en de controle groep. Dus in iedere conditie
plaats je steeds iemand die op belangrijke achtergrondskenmerken vergelijkbaar is.
- Homogeniseren = groep gelijk maken op 1 externe variabele. Je wil geen diversiteit in je
populatie. Je gaat een nauwere populatie dekken, waar je zoveel mogelijk
achtergrondverschillen juist uitselecteert, zodat je in je steekproef een heel specifiek soort
persoon hebt, dus minder ruis hebt.
- Precisie controle = gelijke persoon in elke groep indelen
- Globale controle = de frequentie van de kenmerken is gelijk
- Blokontwerp/groepsgewijs matchen = voorafgaand aan het experiment maak je homogene
groepen waarbij evenveel eenheden in de experimentele als in de controle groep zitten