Sediment is een bodem die op een natuurlijke manier is neergelegd (zee > zand, rivier >
steentjes).
Holoceen en Pleistoceen:
- Begin Holoceen is de oertijd.
IJstijden:
- Laagte temperatuur is de toptemperatuur van de ijstijd.
- Interglaciaal (tussen de ijstijden in – gemiddelde temp.).
- Glaciaal (ijstijd – laagste temp.).
- Postglaciaal (tijd na de ijstijd).
- Preglaciaal (temperatuur daalt).
- 1 ijstijd duurt 100/1000 jaar.
- Neerslag is voorwaardelijk voor de ijstijd.
- 0 graden is de grens van verdamping of niet (water).
- Koude ijstijd = weinig ijsvorming / neerslag.
- Warmere ijstijd = veel ijsvorming / neerslag.
- 2 laatste ijstijden vonden laats in de pleistoceen.
Saalien ijstijd:
- IJs kwam tot halverwege Nederland.
- Alle continentale zeeën stonden droog (bijv. Noordzee).
- H.U.N. lijn: denkbeeldige lijn die we over Nederland konden trekken, om te zien tot
waar het ijs kwam. Betekenis: Haarlem, Utrecht, Nijmegen.
- Er wordt veel sediment meegenomen.
- Stuwwallen worden gevormd.
- IJs smelt > sediment blijft over (stuwwallen, stuwwallenlandschap).
- Ten Noorden van de H.U.N. lijn vinden we nog klein stuwwallen.
Keileem landschap:
- Alleen ten Noorden van de H.U.N. lijn.
- Is erg vruchtbaar.
- Keien en klei liggen hierbij aan de oppervlakte.
Laatste ijstijd: Weichselien, dekzand:
- Relatief warme ijstijd.
- Continentale zeeën staan droog.
- Door wind wordt dekzand neergelegd (dekzandlandschap).
- Bodem is niet erg vruchtbaar, maar löss wel.
- Dekzand liggen vooral rechts van Nederland
- Dekzand kan alweer bedekt zijn met iets anders.
Potstal:
- Mest toevoegen aan droge grond, zodat de grond daar vruchtbaarder werd.
- Estdorp (rondom een veld).
- Ze leefden hier in armoede.
Holoceen na de laatste ijstijd:
- Over het dekzand afgezet in laatste ijstijd:
- Basisveen later Hollandveen
- Hoogveen: Noord Nederland ondoorlatend keileem.