De oogstand
Een ideale oogstand is een oogstand waarbij de gezichtsassen van beide ogen de foveae met het
fixatiepunt verbinden.
Een oogstand is dus recht als het fixatiepunt in beide ogen op de foveae wordt afgebeeld en recht
vooruit wordt gelokaliseerd.
De reflexbeeldjes staan in beide ogen dan centraal of symmetrisch.’
Een oogstand is orthofoor (=normale oogstand in rust) indien er onder alle omstandigheden een
rechte oogstand is.
→ dit is meestal nooit het geval omdat er meestal een latente afwijking te vinden is wanneer de
samenwerking tussen de ogen verbroken wordt.
Indien de lokalisatierichting van beide foveae niet meer in deze richting is, heb je te maken met een
manifeste afwijking. Het onderzoek naar de oogstand is erop gericht om zoveel mogelijk informatie
te krijgen over de latente en manifeste scheelzienshoek.
Manifest scheelzien= zichtbaar scheelzien
Latent scheelzien= verborgen scheelzien
Onderzoek naar oogstand
Om de oogstand te onderzoeken zijn er twee verschillende manieren om informatie te verkrijgen:
• Objectieve methode
o Geeft informatie op basis wat de onderzoeker zelf waarneemt.
• Subjectieve methode
o De informatie is gebaseerd op wat de patiënt waarneemt.
De onderzoeks- en meetmethode naar de oogstand zijn grotendeels objectief.
Het objectieve gedeelte is weer in te delen in:
• Kwalitatief
o Hiermee wordt een afwijkende oogstand opgespoord.
o Hiermee detecteer je mogelijk scheelzien.
o Er wordt gebruik gemaakt van een meetapparatuur en fixatielampje.
• Kwantitatief
o Geeft informatie over de grootte van de afwijking van de oogstand
o Van zeer globaal tot zeer nauwkeurig kan met verschillende apparatuur gemeten
worden of iemand een manifeste dan wel latente vorm van scheelzienshoek heeft.
1
, Algemene indruk
Bij het onderzoeken naar de oogstand is het belangrijk de patiënt eerst zonder enige apparatuur te
observeren → algemene indruk.
Het is mogelijk dat er zo allerlei uiterlijke afwijkingen, gedragingen en houdingen opvallen die van
belang kunnen zijn voor het verdere onderzoek.
Veel gemakkelijk te herkennen aandoeningen kunnen worden verbonden met een hoge incidentie
van strabismus en oogbewegingsproblemen, waaronder:
• Albinisme
• Syndroom van Down
• Hersenverlamming
• Hydrocephalus
• Microcephalus
• Craniosynostosis
Het doel is he opsporen van factoren die van invloed kunnen zijn op verdere onderzoek en het stellen
van de diagnose.
Je kan dit toepassen bij alle patiënten.
Principe:
• Alle uiterlijke kenmerken worden geobserveerd (objectief).
o Bijvoorbeeld de houding van het hoofd.
• Observeer tijdens de binnenkomst en tijdens de anamnese.
o Bij een kind observeer je terwijl de ouder praat en de anamnese afneemt.
• Een globale indruk van de opvallende factoren geven richting aan je verdere onderzoek.
Uitvoering:
1. Ga recht voor de patiënt zitten en observeer de patiënt.
2. Let op de volgende factoren:
o Torticollis
▪ Dwanghouding voor betering van binoculair enkelzien
o Asymmetrie van het hoofd
o Asymmetrie van het gelaat
o Opvallend grote/kleine PD
2