Wat is Recht? Wat is het onderscheid?
Recht is iets anders dan moraal en feitelijk wenselijk gedrag.
Hoe verhoudt recht zich tot feitelijk menselijk gedrag?
Het Recht bevat rechtsnormen, dit zijn feiten hoe je je behoort te gedragen, zoals dat je niet door
rood licht mag rijden. Echter; niet iedereen houdt zich hieraan. Zo zou het wel moeten maar is het
niet (feitelijk menselijk gedrag).
Hoe verhoudt recht zich tot het moraal?
Bij allebei draait het om wat mensen behoren te doen, beiden bevatten gedragsnormen.
Bijvoorbeeld: moord of doodslag, dit behoor je als mens niet te doen.
Soms ligt het iets genuanceerder zoals met liegen. Bijvoorbeeld onder ede mag je niet liegen, maar in
een strafzaak tijdens een verhoor is het niet verboden. Liegen tegen je partner kan moreel gezien
niet maar is niet verboden.
Dus met andere woorden, er is geen 1 op 1 relatie tussen recht en moraal, soms komen
morele normen en rechtsnormen met elkaar overeen en soms zijn ze in strijd met elkaar.
Het recht bevindt zich eigenlijk tussen moraal en feitelijk gedrag
Maar hoe weet je nou of een norm een rechtsnorm is? Dan komt ie uit een rechtsbron.
Rechtsbron: ‘’de bron waaruit rechtsnomen voorkomen’’
- Feiten
- Procedures
- Gebeurtenissen
Rechtsbronnen kunnen van elkaar worden onderscheiden o.b.v. de wijze van
totstandkoming, oftewel de bron waaruit zij voortkomen.
In het boek worden zeven rechtsbronnen aangegeven:
1. De wet
2. Jurisprudentie
3. Gewoonterecht
4. Algemene rechtsbeginselen
5. Soft Law
6. Verdragen
7. Besluiten van internationale organisatie.
Verordening -> handeling die in alle lidstaten van de EU rechtstreeks van toepassing is. Lidstaten
mogen hier dus niks aan veranderen.
Richtlijn -> is een rechtshandeling die een bepaald doel vastlegt dat de EU landen moeten bereiken.
Het doel is bindend, maar hoe dat doel behaald wordt mogen de lidstaten zelf invullen. Maar er is
wel een resultaatsverplichting.
,Besluit -> Bindend voor degene op wie het van toepassing is.
De wet
De wet heeft twee kenmerken
1. De wet is algemeen
Dit betekent dat de wet van toepassing is op een onbepaald aantal personen (natuurlijke- en
rechtspersonen) en gevallen. Dit kan ook regionaal zijn dus in een bepaalde provincie of voor een
bepaalde groep, zoals alleen volwassenen.
2. De wet is afkomstig van een instantie die bevoegd is om wetten te maken
o Regering en Staten-Generaal: formele wetgever (artikel 81 Gw).
o Regering: algemene maatregel van bestuur (AMvB).
o Minister: ministeriele regeling.
o Provincie: provinciale verordeningen.
o Gemeente: algemene plaatselijke verordeningen (APV).
Een bijzonder bevoegde wetgever is de Europese Unie: verordeningen. Deze zijn afkomstig van de
Europese wetgever: het Europees parlement en de Raad. LET OP: deze verordeningen gelden direct
in Nederland en de Nederlandse wetgever moet en mag deze verordeningen dan ook niet omzetten
in bijvoorbeeld een wet in formele zin. Ze gelden precies zoals ze door de Europese wetgever zijn
vastgesteld.
Jurisprudentie
Recht gemaakt door rechters.
De rechter is rechtsprekend, niet wetgevend. Dit is vanuit democratisch oogpunt gezien onwenselijk
(rechters zijn immers niet gekozen). Soms is de rechter gedwongen (door bijvoorbeeld dat de taal in
het wetboek niet zo duidelijk is) om toch een rechtsnorm te formuleren. Een rechter moet immers
een uitspraak doen (art. 13 wet algemene bepalingen). Hierdoor vormt de rechter nieuw rechts
‘’rechtersrecht’’, oftewel jurisprudentie (een gezaghebbende uitspraak die een nieuwe rechtsregels
bevat).
Er zijn dus twee redenen waarom een rechter een nieuwe rechtsregel moet formuleren:
1. Bij een onduidelijke rechtsnorm: er is interpretatie nodig.
Wanneer één of meer worden in de wet onduidelijk zijn, soms kan een woord voor meer dan één
uitleg vatbaar zijn (een goed, billijk, redelijk, ernstig verwijtbaar). Het gaat om het definiëren van het
begrip. Een rechter kan slechts op de wetsbepaling zelf een beslissing nemen welke uitleg de juiste is:
welke uitleg de rechter ook kiest, hij zal een nieuwe rechtsregel moeten formuleren met de nodige
consequenties van dien.
1. Belangenafweging
Een rechter kan in een geschil botsende belangen of beginselen tegen elkaar af moeten wegen. Dus
het gaat hierbij niet om het definieren van het begrip, maar of afwegen van verschillende belangen.
Denk aan de ‘’Rijdende Rechter’’ verhalen, garages die 75 cm op het erf staan van de buurvrouw etc.
,Rechter moet dan het belang van het eigendomsrecht van de één afwegen tegen het belang van de
ander (financieel nadeel door het herstellen hiervan: welk belang weegt zwaarder?).
Ook bij open normen kan belangenafweging spelen, zoals bijvoorbeeld bij de open norm
‘geluidshinder’: het gaat dan niet om de interpretatie van hinder, maar om de aard, de duur,
en ernst ervan t.o.v. een ander belang.
Meestal moeten fundamentele rechten moeten worden afgewogen tegenover
maatschappelijke belangen zoals openbare veiligheid en volksgezondheid.
Precedentenwerking bij Jurisprudentie: een uitspraak met een nieuwe rechtsregel krijgt een
algemene werking omdat andere rechters in soortgelijke gevallen deze uitspraak overnemen.
Let op: dit is geen verplichting, maar gebeurt doorgaans wel. Helemaal indien het afkomstig is van
een hoge rechter vanwege rechtseenheid.
Vandaar dat men spreek van ‘’milde precedentenwerking’’ in Nederland.
Er bestaat uit Europese Jurisprudentie, afkomstig van het EHRM en het HbJEU.
Gewoonterecht
Bij gewoonterecht is niet (precies) duidelijk wie er verantwoordelijk voor was en wanneer de norm is
ontstaan (bij wet en jurisprudentie wel). Deze normen ontstaan door gewoonte.
Twee noodzakelijke voorwaarden voor gewoonterecht:
2. Vast gebruik (usus): De regel wordt in praktijk daadwerkelijk gevolgd door een bepaalde
groep natuurlijke personen en/of rechtspersonen of zelfs tussen staten.
a. Gewoonterecht tussen staten is internationaal gewoonterecht.
3. Rechtsovertuiging (of intellectuele voorwaarde): Rechtsgenoten (dus bijvoorbeeld mensen)
geloven dat zij dat gebruik juridisch gezien behoren te volgen (dus niet als een vrijblijvende
gewoonte), en dat bij afwijking van deze gewoonte rechtens zou mogen en moeten worden
opgetreden
Usus verwijst naar het feit dat een gewoonte consistent en herhaaldelijk wordt gevolgd door mensen
in een gemeenschap. Het is de daadwerkelijke praktijk, dus het feit dat mensen zich al langere tijd
aan een bepaalde gedragsregel houden.
Voorbeeld van usus: Stel dat het in een dorp al jaren de gewoonte is dat buren elkaar
helpen met het onderhouden van elkaars erfgrenzen, zonder dat dit in een formele wet
staat. Als iedereen zich hier consequent aan houdt, dan is er sprake van usus.
Usus (het feitelijke gebruik) alleen is niet genoeg om een gewoonte juridisch bindend te maken. Er is
ook rechtsovertuiging (ofwel opinio juris) nodig, wat betekent dat mensen moeten geloven dat ze
deze gewoonte volgen omdat het een juridische verplichting is.
Opinio juris sive necessitatis is de overtuiging dat deze gewoonte juridisch verplicht is. Het gaat om
het idee dat mensen het gebruik als een juridische plicht zien en niet zomaar als iets vrijblijvends.
Kort samengevat: er moet sprake zijn van praktijk en rechtsovertuiging.
Verdragen
Verdragen zijn overeenkomsten tussen landen of internationale organisaties, waarin ze afspreken
wat hun rechten en plichten zijn tegenover elkaar. Verdragen zorgen ervoor dat partijen weten wat
,ze van elkaar kunnen verwachten en welke verplichtingen ze naar elkaar toe hebben. Die
ondertekenen ze ook.
Verdragen zijn overeenkomsten tussen:
1. Staten onderling
2. Staten en internationale organisaties
3. Internationale organisaties onderling
Partijen kennen hiermee de rechten en plichten naar elkaar toe en gaan verplichtingen aan.
Verdragen kunnen drie karakters hebben:
Traités-contrats
Vergelijkbaar met een contract; bevat specifieke afspraken tussen landen. Dit zijn verdragen met een
prestatie en tegenprestatie m.b.t. een specifieke transactie.
Voorbeeld: Stel, Land A verkoopt tanks aan Land B. Dit is een duidelijk afgebakende afspraak: Land A
levert tanks en Land B betaalt ervoor. Beide partijen gaan een verplichting aan en weten precies wat
ze van elkaar krijgen.
Traités-lois
Vergelijkbaar met een wet (algemene regels). Deze verdragen leggen algemene regels vast tussen
partijen.
Voorbeeld: een verdragenverdrag is een verdrag dat regels vaststelt over hoe landen nieuwe
verdragen afsluiten. Het zegt dus niet dat een bepaald land iets moet doen in één specifieke situatie,
maar bevat regels die steeds gelden wanneer landen met elkaar verdragen willen sluiten.
Tratés-constitutions
Vergelijkbaar met een grondwet; richt een nieuwe organisatie op. Dit zijn verdragen waarmee een
internationale organisatie wordt opgericht. Dus het creëert een nieuwe internationale organisatie en
bepaalt hoe deze organisatie werkt, wat haar doel is en welke regels voor haar gelden.
Voorbeeld: het Handvest van de Verenigde Naties (VN) en het Verdrag betreffende de Europese
Unie zijn beide verdragen waarmee een internationale organisatie is opgericht. Het Handvest vormt
als het ware de "grondwet" van de VN: het legt de basisregels van de VN vast, zoals het doel van de
organisatie en hoe de VN-lidstaten met elkaar omgaan.
Europese verdragen (dus basisafspraken tussen de lidstaten van de EU), vallen onder het primaire
Unierecht: het betreft hier dus wel Unierecht, dus het gaat om verdragen tussen lidstaten van de
Europese unie.
Voorbeelden van Europese verdragen zijn het EVRM, IVBPR, Verdrag betreffende de Europese Unie
en Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).
Voor de volledigheid: onder het secundaire Unierecht vallen verordeningen, besluiten en Europese
Jurisprudentie.
Even samenvattend: primair unierecht zijn de grondslagen van de EU(voorbeeld o.a. VEU en VWEU,
VN-handvest). Het bestaat uit de belangrijkste verdragen tussen de EU-lidstaten. Deze verdragen
leggen dus de basisregels en wordt soms vergeleken met de grondwet (meestal traités-
,constitutions), secundair unierecht is het recht dat voortvloeit uit het primaire unierecht. Het
bestaat uit verordeningen, besluiten en Europese Jurisprudentie.
De Verdragen van de EU (VEU en VWEU) worden vaak gezien als traités-constitutions, omdat ze de
basis vormen van de EU en als het ware de "grondwet" van de EU vormen. Ze bepalen de structuur,
bevoegdheden, en fundamentele regels van de EU.
Besluiten van internationale organisaties
Sommige internationale organisaties, hebben de bevoegdheid om juridisch bindende besluiten te
nemen voor de verdragspartijen. Deze bevoegdheid ontleent de internationale organisatie aan het
oprichtingsverdrag (traités-constritutions).
Een voorbeeld: de VN ontleent een juridisch verbindende bevoegdheid aan het VN-
Handvest.
Besluiten van internationale organisaties vallen onder het secundair unierecht, evenals
verordeningen en Europese jurisprudentie. Onder het primaire unierecht vallen Europese verdragen.
Algemene rechtsbeginselen
Ongeschreven rechtsbeginselen. Algemene rechtsbeginselen helpen rechters en beleidsmakers om
wetten en regels op een eerlijke manier toe te passen, vooral als de wet zelf geen duidelijke
oplossing biedt. Deze beginselen zijn als het ware een moreel kompas dat ervoor zorgt dat
beslissingen rechtvaardig en redelijk blijven.
Algemene rechtsbeginselen hebben twee kernmerken:
1. Moreel karakter: algemene rechtsbeginselen zijn gebaseerd op ideeën over wat eerlijk en
rechtvaardig is. Ze zijn meer dan juridische regels; ze weerspiegelen ook morele waarden die
wij als maatschappij belangrijk vinden. Ze zijn als het ware de “hoekstenen” van het recht,
omdat ze helpen om rechtvaardigheid in de samenleving te waarborgen.
2. Open karakter en ruimte betekenis: deze beginselen hebben vaak een brede, open
betekenis. Ze zijn niet precies gedefinieerd en kunnen op verschillende manieren worden
geïnterpreteerd. Dit betekent dat rechters bij het toepassen van deze beginselen eerst
moeten nagaan wat een beginsel in een specifieke situatie betekent. Ze moeten het beginsel
"invullen" om te bepalen wat er in dat geval eerlijk en rechtvaardig is.
Bijvoorbeeld: eerlijkheid, zorgvuldigheid, redelijkheid, billijkheid, gelijkheid en rechtszekerheid.
Zorgvuldigheid: Overheden en instellingen moeten zorgvuldig te werk gaan en de gevolgen van hun
beslissingen goed overwegen. Als een gemeente bijvoorbeeld een weg wil aanleggen, moet ze de
belangen van omwonenden zorgvuldig afwegen en hen de kans geven om bezwaar te maken.
Gelijkheid: Dit beginsel houdt in dat iedereen gelijk moet worden behandeld in gelijke situaties. Een
wet die bijvoorbeeld bepaalde groepen anders behandelt zonder goede reden, kan door een rechter
ongeldig worden verklaard, omdat deze in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.
Voorbeeld: Stel dat een overheid besluit om een snelweg aan te leggen die dwars door een woonwijk
gaat. De wet geeft de overheid toestemming om dit te doen, maar bewoners voelen zich hierdoor
ernstig benadeeld. De bewoners kunnen dan een beroep doen op het beginsel van zorgvuldigheid en
redelijkheid en billijkheid. De rechter kan kijken of de overheid echt zorgvuldig te werk is gegaan
, door bijvoorbeeld alle belangen af te wegen en of de beslissing redelijk en eerlijk is voor de
bewoners.
Soft Law
Soft law heeft geen rechtsgevolgen. Is niet rechtens afdwingbaar of handhaafbaar, in tegenstelling
tot gewoonterecht. soft law kan wel gebruikt worden om het harde recht in te kleuren bij
interpretatie en belangenafweging (dus bij de vorming van nieuwe rechtsregels. Soft law bestaat in
veel gedaantes: conclusies, aanbevelingen, gedragscodes, bekendmakingen, richtsnoeren,
beleidsdoelstelling.
Voorbeeld: een ongeluk op de skibaan, de ene botst achterop de ander. Wie is aansprakelijk? Uit de
‘huisregels’ blijkt dat degene die achter een ander skiet, extra waakzaam dient te zijn op botsingen
die voor de skiërs gebeuren. Op basis van deze vorm van soft law kan de rechter de aansprakelijkheid
inkleuren ten nadele van de skiër die achterop de ander botste.
Hoofstuk samenvatting
Nationaal: wet, jurisprudentie, gewoonterecht, rechtsbeginselen, soft law
Internationaal: verdragen, besluiten van internationale organisaties
Verschillen tussen de verschillende rechtsbronnen zijn te maken op basis van producent (staten,
wetgever, rechter, gewoonte) en herkomst (Europa, staten, ‘’den haag’’, provincies, gemeente)
Hoofdstuk 2 publiekrecht en
privaatrecht
Wetten horen of tot het publiekrecht of tot het privaatrecht. De vraag is: hoe kun je zien of een wet
tot het publiekrecht of het privaatrecht valt? Ook wel publiekrecht en civiel recht
Onderdeel van het publiekrecht: staatsrecht, bestuursrecht, strafrecht, gemeenterecht,
Belastingrecht.
Onderdeel van het privaatrecht: personen- en familierecht, vermogensrecht, ondernemingsrecht,
arbeidsrecht, burgerlijk wetboek.
Europees recht kan zowel niet als privaatrecht als publiekrecht worden beschouwd.
Hoe kun je zien of een wet tot het publiekrecht of privaatrecht valt?
1. Algemeen belang vs particulier belang.
In het publiekrecht staat het algemeen belang centraal. In het privaatrecht staat het particulier
belang centraal.
Voorbeeld: het strafrecht zijn voornamelijk publieke belangen en echtscheidingen vooral particuliere
belangen.
Het komt in praktijk ook voor dat privaatrechtelijke rechtspersonen ook algemene belangen dienen,
bijvoorbeeld een garage die een APK-keuring uitvoert en daarmee voertuigen geschikt verklaart om