VOORKOMINGSMETHODEN........................................................................................................................ 2
INLEIDING VOORKOMING ............................................................................................................................................ 2
VIER BASISMETHODEN ............................................................................................................................................... 2
Objectvrijstelling ............................................................................................................................................. 3
Belastingvermindering .................................................................................................................................... 3
Kostenaftrek .................................................................................................................................................... 4
Tariefreductie .................................................................................................................................................. 4
DRIE VARIANTEN BELASTINGVRIJSTELLING ...................................................................................................................... 4
Belastingvrijstelling aan de top....................................................................................................................... 5
Belastingvrijstelling aan de voet ..................................................................................................................... 5
Evenredigheidsmethode.................................................................................................................................. 5
ONDERNEMEN OVER DE GRENS .................................................................................................................. 7
WINST UIT ONDERNEMING ......................................................................................................................................... 7
NATIONALE HEFFINGSMOGELIJKHEDEN .......................................................................................................................... 7
Inwoner (binnenlands belastingplichtige) ....................................................................................................... 7
Niet-inwoner (buitenlands belastingplichtige)................................................................................................ 7
REIKWIJDTE ART. 7 OESO MODELVERDRAG .................................................................................................................. 8
Uit derde staat afkomstige inkomsten............................................................................................................ 8
VERDELINGSWIJZE ART. 7 OESO MODELVERDRAG.......................................................................................................... 9
VERDRAGSBEGRIP ‘VASTE INRICHTING’ .......................................................................................................................... 9
Fysieke vaste inrichting ................................................................................................................................... 9
Temporele of project vaste inrichting ........................................................................................................... 10
Vaste vertegenwoordiger.............................................................................................................................. 11
WINSTTOEREKENINGSMETHODEN .............................................................................................................................. 11
FINANCIERING VASTE INRICHTING ............................................................................................................................... 11
,Voorkomingsmethoden
Inleiding voorkoming
De voorkoming is geregeld in art. 23A en 23B OESO Modelverdrag. Nederland hanteert art. 23A OESO
Modelverdrag. Dit is lijn met de kapitaalimportneutraliteit. In lid 1 staat dat als het gaat om een
inwoner van een verdragsluitende staat die inkomen verkrijgt uit de andere staat en dat wordt belast
in die andere staat, dan zal de woonstaat voorzien in voorkoming van dat inkomen
vrijstellingsmethode. Als het echter gaat om betalingen die vallen onder de reikwijdte van art. 10 en
11 OESO Modelverdrag, dan is lid 2 van toepassing. Stel een inwoner van Nederland verkrijgt dividend
en dit mag worden belast door de andere staat. De woonstaat (Nederland) geeft een aftrek van de in
de woonstaat verschuldigde belasting beperkte verrekeningsmethode. De aftrek is gelijk aan de in
de bronstaat op die inkomensbestanddelen verschuldigde belasting. De aftrek mag niet de belasting
verschuldigd in de woonstaat die aan de bestanddelen is toe te rekenen, overschrijden. De aftrek is
dus gelijk aan de in de andere staat betaalde belasting, maar met een verrekeningslimiet. Art. 23B lid
1 OESO Modelverdrag geeft aan de woonstaat geen vrijstelling, maar juist aftrek zal verlenen.
De nadere invulling van de voorkomingsmethodiek is opgenomen in het Besluit voorkoming dubbele
belasting 2001 (BvdB 2001). Dit besluit regelt in ieder geval de voorkoming in situaties dat er geen
verdrag bestaat of als het verdrag niet voorziet in een oplossing.
Vier basismethoden
Een subject wordt voor een object in de heffing betrokken. Het object (grondslag) wordt berekend.
Vervolgens is de te betalen belasting gelijk aan het object maal het tarief.
Formule: object (A) x tarief (B) = verschuldigde belasting (C)
• Objectvrijstelling (knoopt aan bij A)
• Belastingvermindering (knoopt aan bij C):
o Belastingvrijstelling
o Belastingverrekening
• Kostenaftrek (knoopt aan bij A)
• Tariefreductie (knoopt aan bij B)
Voorbeeld:
• 80 buitenlandse winst
• VPB-tarief buitenland is 20%
• 120 Nederlandse winst
• Wereldwinst is dus 200
• VPB-tarief Nederland is 25%
Situatie zonder voorkoming:
Buitenlande belasting 20% van 80 16
Nederlandse belasting 25% van 200 50
Totaal winstbelasting 66
Totale winst 200
Totale belasting -66
Netto winst 134
2
, Objectvrijstelling
De objectvrijstelling zorgt ervoor dat het bewuste inkomen niet in de grondslag zit, zoals bij de
deelnemingsvrijstelling. Bij deze methode wordt niet de objectvrijstelling van art. 15e Wet VPB
bedoeld, omdat hierbij wel degelijk de buitenlandse winst in de grondslag zit.
Buitenlande belasting 20% van 80 16
Nederlandse belasting 25% van 120 30
Totaal winstbelasting 46
Totale winst 200
Totale belasting -46
Netto winst 154
Belastingvermindering
Bij de belastingvrijstelling wordt er rekening gehouden met de persoonlijke draagkracht van een
natuurlijk persoon. De belastingvrijstelling wil niet zeggen dat het bestanddeel niet in het object zit. Er
wordt slechts een vermindering gegeven. Deze vermindering werkt anders dan bij
belastingverrekening. De belastingvrijstelling is meer een fictieve verrekening. De belastingvrijstelling
werkt hetzelfde uit als de objectvrijstelling wanneer het tarief niet varieert.
De belastingvermindering zorgt ervoor dat buitenlandse belasting in mindering komt op de te betalen
Nederlandse belasting belastingverrekening. Nederland hanteert deze methodiek niet.
Belastingvrijstelling
Buitenlande belasting 20% van 80 16
Nederlandse belasting 25% van 200 50
Voorkoming Nederland 80/200 x 50 -20
Totaal winstbelasting 46
Totale winst 200
Totale belasting -46
Netto winst 154
Belastingverrekening
Buitenlande belasting 20% van 80 16
Nederlandse belasting 25% van 200 50
Voorkoming Nederland -16
Totaal winstbelasting 50
Totale winst 200
Totale belasting -50
Netto winst 150
3