H1 tm H4
1. Tijd van jagers en boeren (tot 3000 v.Chr.)
2. Tijd van Grieken en Romeinen (3000 v.Chr. - 500 n.Chr.)
3. Tijd van monniken en ridders (500-1000)
4. Tijd van steden en staten (1000-1500)
, 1.1 Van jager-verzamelaars naar boeren
- De levenswijze van jager-verzamelaars
- Het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen
Jagen (nomaden)→ landbouw (sedentair).
Jagers-verzamelaars en boeren hadden geen schrift, alleen archeologische vondsten van
ze.
Grafgiften → teken van geloof en sociale verschillen.
Klimaatverandering → ontstaan landbouwrevolutie (jagen → landbouw).
Veeteelt ontstond.
Teveel bevolking door landbouw in Midden-Oosten → trokken naar West-Europa (met hun
kennis → verspreiding).
Boeren konden meer bezitten dan jagers → toename sociale verschillen.
1.2 Dorpen en steden
- Het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen
- Het ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen
Hunebedden.
Hunebedbouwers (trechterbekercultuur) leefden in kleine dorpen in Noord-Europa → in
zelfde tijd ontstonden in Midden-Oosten de eerste steden.
Midden-Oosten:
Kanalen graven → rivierwater naar akkers. Ze hadden dammetjes. Slib in water was erg
vruchtbaar voor de grond. Er was sprake van irrigatiewater. Niet meer afhankelijk van
klimaat. Ontstaan leiders: rijke oogst vaak → macht. Koningschap ontstond.
Door irrigatie → steden. Er kwamen voedselvoorraden, niet iedereen hoefde meer boer te
zijn. Specialisatie in dingen → ontstaan beroepen.
Ontstaan stadstaten. Er was sprake van een hiërarchische samenleving.
Polytheïsme: geloven in meerdere goden.
Men dacht koning staat in connectie met god.
Ziggurat: belangrijke tempel: dichter bij god. De belangrijke god van de stad werd hier
geëerd en de tempel had ook een eco functie: er werden goederen verhandeld en boeren
leverden hier deel van belasting aan koning. Deze belasting werd verdeeld onder hoge
mensen. Het schrift ontstond. Spijkerschrift. Schrijvers kregen veel aanzien.
1. Tijd van jagers en boeren (tot 3000 v.Chr.)
2. Tijd van Grieken en Romeinen (3000 v.Chr. - 500 n.Chr.)
3. Tijd van monniken en ridders (500-1000)
4. Tijd van steden en staten (1000-1500)
, 1.1 Van jager-verzamelaars naar boeren
- De levenswijze van jager-verzamelaars
- Het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen
Jagen (nomaden)→ landbouw (sedentair).
Jagers-verzamelaars en boeren hadden geen schrift, alleen archeologische vondsten van
ze.
Grafgiften → teken van geloof en sociale verschillen.
Klimaatverandering → ontstaan landbouwrevolutie (jagen → landbouw).
Veeteelt ontstond.
Teveel bevolking door landbouw in Midden-Oosten → trokken naar West-Europa (met hun
kennis → verspreiding).
Boeren konden meer bezitten dan jagers → toename sociale verschillen.
1.2 Dorpen en steden
- Het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen
- Het ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen
Hunebedden.
Hunebedbouwers (trechterbekercultuur) leefden in kleine dorpen in Noord-Europa → in
zelfde tijd ontstonden in Midden-Oosten de eerste steden.
Midden-Oosten:
Kanalen graven → rivierwater naar akkers. Ze hadden dammetjes. Slib in water was erg
vruchtbaar voor de grond. Er was sprake van irrigatiewater. Niet meer afhankelijk van
klimaat. Ontstaan leiders: rijke oogst vaak → macht. Koningschap ontstond.
Door irrigatie → steden. Er kwamen voedselvoorraden, niet iedereen hoefde meer boer te
zijn. Specialisatie in dingen → ontstaan beroepen.
Ontstaan stadstaten. Er was sprake van een hiërarchische samenleving.
Polytheïsme: geloven in meerdere goden.
Men dacht koning staat in connectie met god.
Ziggurat: belangrijke tempel: dichter bij god. De belangrijke god van de stad werd hier
geëerd en de tempel had ook een eco functie: er werden goederen verhandeld en boeren
leverden hier deel van belasting aan koning. Deze belasting werd verdeeld onder hoge
mensen. Het schrift ontstond. Spijkerschrift. Schrijvers kregen veel aanzien.