1. Een eerste kennismaking met het strafrecht.................................................................3
J. Claessen, ‘Waarom straffen we eigenlijk?’, Ars Aequi 2022, afl. 1...............................4
2 Inleiding materiaal strafrecht.......................................................................................... 6
3. Schuld/Opzet................................................................................................................ 12
4. Strafuitsluitingsgronden...............................................................................................16
6. Poging en voorbereiding..............................................................................................22
8. Deelneming.................................................................................................................. 27
9. Straffen en maatregelen.............................................................................................. 32
12. Een inleiding op het strafprocesrecht.........................................................................37
13. het voorbereidend onderzoek....................................................................................41
Samenvatting boek....................................................................................................... 41
Brightspace.................................................................................................................. 54
Arrest Controle en Opsporing.......................................................................................56
14. Vervolging.................................................................................................................. 58
Samenvatting boek....................................................................................................... 58
Brightspace.................................................................................................................. 64
Arrest Azewijnse paard................................................................................................. 67
HR 27 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1413, NJ 1999/221......................................70
15. Onderzoek ter terechtzitting......................................................................................71
Samenvatting boek....................................................................................................... 71
Online les...................................................................................................................... 78
Brightspace.................................................................................................................. 81
16. De vragen van art. 348 Sv (formele vragen)..............................................................83
Samenvatting boek....................................................................................................... 83
Brightspace.................................................................................................................. 88
Online les...................................................................................................................... 93
17. De vragen van art. 350 Sv (materiele vragen)...........................................................94
Online les...................................................................................................................... 94
Samenvatting boek....................................................................................................... 94
Brightspace................................................................................................................ 100
18. Bewijsrecht.............................................................................................................. 102
Online les.................................................................................................................... 102
Samenvatting boek..................................................................................................... 104
Brightspace................................................................................................................ 109
Arrest De Auditu......................................................................................................... 109
Artikel......................................................................................................................... 111
, 1. EEN EERSTE KENNISMAKING MET HET STRAFRECHT
Doelen van straffen
Het opleggen van een straf dient voornamelijk twee doelen: vergelding en preventie. Het
kwaad dat de dader van een strafbaar feit veroorzaakt bij het slachtoffer of aan de
maatschappij als geheel, wordt door het opleggen van straf in de eerste plaats vergolden
door leedtoevoeging. De preventiegedachte gaat uit van een eenvoudig principe: mensen
willen geen straf krijgen, dus zullen zij gedrag dat mogelijk tot straf leidt, zoveel mogelijk
proberen te voorkomen.
Er zijn twee soorten preventie te onderscheiden, namelijk de speciale en generale preventie.
Speciale preventie moet voorkomen, of ontmoedigen, dat de gestrafte wederom in de fout
gaat. Het opleggen van voorwaardelijke straffen leunt zwaar op dit principe. De leer van de
generale preventie heeft als uitgangspunt dat ook anderen dan de gestrafte lering trekken uit
het feit dat er voor het plegen van een strafbaar feit een straf opgelegd kan worden.
Materieel strafrecht, formeel strafrecht en sanctierecht
Het rechtsgebied strafrecht kan worden onderverdeeld in drie delen:
1. Het materiële strafrecht
bepaalt welk gedrag niet toegestaan is en welke personen daarvoor kunnen worden gestraft.
Het gaat hierbij om de strafbepalingen (bijv. diefstal en moord), maar ook de algemene
leerstukken die betrekking hebben op de uitsluiting van strafbaarheid (bijv. noodweer) en
uitbreiding van strafbaarheid.
Dit deel van het strafrecht wordt voornamelijk gevonden in het Wetboek van Strafrecht.
2. Het formele strafrecht wordt ook wel het strafprocesrecht of de strafvordering genoemd.
Dit deel bepaalt welke regels moeten worden gevolgd wanneer een norm van het materiële
strafrecht is overtreden.
Dit deel van het strafrecht is voor het grootste deel geregeld in het Wetboek van
Strafvordering.
3. Het sanctierecht
heeft betrekking op de voorwaarden waaronder bepaalde straffen mogen worden opgelegd
en ten uitvoer gelegd.
Het gaat dan bijvoorbeeld om de vraag of voor een bepaald strafbaar feit een
taakstraf mag worden opgelegd en welke voorwaarden de rechter precies mag stellen
wanneer hij een straf voorwaardelijk oplegt.
,Commuun en bijzonder strafrecht
Het commune strafrecht is het algemene strafrecht dat voor iedereen geldt. Dit is ook wel het
strafrecht dat in de wetboeken is opgenomen. De kern hiervan staat in het wetboek van strafrecht en
het wetboek van strafvordering.
Bijzondere strafwetten staan buiten het wetboek van strafrecht maar bevatten ook strafbepalingen.
Deze wetten gelden soms alleen in bepaalde omstandigheden of voor bepaalde groepen men sen. Ze
zijn vaak gericht op een specifiek onderwerp, zoals bijvoorbeeld Wegenverkeerswet, Opiumwet en
Wet Wapens en Munitie.
Gewone wetgeving (zoals Sv en Sr) komen tot stand via de formele wetgever: regering (koning +
ministers) + staten generaal (eerste en tweede kamer). Echter bestaan er ook regels met
strafbepalingen die niet via deze weg tot stand komen, zoals bijvoorbeeld: een algemene maatregel
van bestuurd (AMvB) of een ministeriele regeling.
De invloed van internationaal en supranationaal recht
1. Internationaal recht bestaat uit verdragen tussen staten. Staten sluiten verdragen waarin zij
zich verplichten tot bepaald gedrag, zoals het beschermen van mensenrechten of bestrijden
van criminaliteit zoals mensenhandel. Voorbeeld hiervan het is EVRM waar Nederland partij
van is. Het EVRM bevat fundamentele rechten zoals het recht op een eerlijk proces. De
Nederlandse wetgeving moet conform deze rechten zijn. Rechters in Nederland moeten dus
toetsen of een strafvorderlijke handeling in lijn zijn met het EVRM. Het EVRM heeft wel een
bindende werking via het EHRM (jurisprudentie) en ook verdragsgeplchting bij ondertekening.
2. Supranationaal recht komt van organisaties waar staten een deel van hun soevereiniteit aan
hebben overdragen. Dat betekent: de organisatie mag regels stellen die boven de nationale
wetgeving gaan en die direct doorwerken in nationale rechtsstelsels.
- Voorbeeld: de Europese Unie kan via richtlijnen en verordeningen invloed uitoefenen op
het nationale strafrecht. Richtlijnen moeten door NL worden omgezet in nationale
wetgeving. Verordeningen werken direct door en hoeven niet te worden omgezet
- Vooral op het gebied van grensoverschrijdende criminaliteit zoals mensenhandel en
witwassen is de EU actief.
J. CLAESSEN, ‘WAAROM STRAFFEN WE EIGENLIJK?’, ARS AEQUI 2022, AFL. 1
Claessen onderzoek de filosofische en juridische rechtvaardiging van straf. Hij legt uit dat we niet
zomaar kunnen straffen – er moet een legitieme doordachte reden voor zijn. Anders is straf gewoon
willekeur en dat is onrechtvaardig.
Historische achtergrond: de invloed van de verlichting
- In de verlichting (18e eeuw) gingen filosofen nadenken over hoe macht gebruikt mag
worden.
- Strafrecht moest zuig zijn met leed: je mag alleen straffen als het echt nodig is.
- Motto: gij zult de ander niet schaden’’ -> dus straffen mag alleen als het een
maatschappelijk nut heeft.
- De legitimatie van strafrecht wordt sindsdien gezocht in twee stromingen:
o Preventietheorieën
o Vergeldingtheorieën
Preventietheorieën gaan ervan uit dat wanneer iemand een misdaad heeft gepleegd, hij
gestraft moet worden, opdat nieuwe criminaliteit wordt voorkomen. Een straf heeft
,afschrikwekkende werking heeft voor zowel de desbetreffende dader (speciale preventie) als
potentiële daders (generale preventie). Achter deze afschrikkingsgedachte gaat de
rationelekeuzetheorie schuil. Volgens deze theorie heeft de mens twee drijfveren: hij streeft
naar geluk/genot en hij tracht lijden/pijn te vermijden. Door straf te stellen op misdaad wordt
de hoeveelheid lijden/pijn groter dan de hoeveelheid geluk/genot die met misdaad wordt
verkregen en daarom zal een weldenkend mens afzien van het plegen van misdaad.
Preventiedenkers besteden ook aandacht aan beveiliging van de samenleving middels
opsluiting dan wel resocialisatie. Soms kan opsluiting van gevaarlijke mensen die ernstige
misdaden plegen, inderdaad nodig zijn, maar dat zou ook kunnen met een
beveiligingsmaatregel zoals de terbeschikkingstelling, die tevens behandeling inhoudt. Ook
resocialisatie kan nodig zijn ter voorkoming dat iemand opnieuw de fout ingaat, maar
resocialisatie (iemand helpen) en straf (iemand bewust schaden, bijvoorbeeld door iemands
vrijheid af te nemen) gaan lastig samen. Recidivecijfers liegen er niet om: circa 50% van de
gedetineerden gaat binnen twee jaar na invrijheidstelling opnieuw de fout in. De vraag is dus
of straf wel zo goed werkt ter voorkoming van slecht gedrag als vaak wordt gedacht.
Anders dan preventietheorieën stellen vergeldingstheorieën doorgaans simpelweg dat
iemand die een strafbaar feit pleegt, straf verdient. Zij stellen dat de gerechtigheid in beginsel
eist dat een gepleegde misdaad wordt bestraft oftewel vergolden. Sommige
vergeldingsdenkers stellen dat met straf het door misdaad verstoorde evenwicht wordt
hersteld. Maar hoe kan een orde die wortelt in de morele basisregel ‘Gij zult een ander niet
schaden’ worden hersteld door een reactie die diezelfde regel schendt? Welbeschouwd
wordt met vergelding van kwaad met kwaad niets hersteld. Hoogstens ontstaat er een
nieuwe machtsbalans: de dader merkt dat hij uiteindelijk niet de baas is. Zo bezien bestaat er
een link met de afschrikkingstheorie: door straf wordt de dader extrinsiek gedisciplineerd
door degene die sterker is dan hijzelf. Iemand bewust schaden kan nooit goed zijn, dat leerden Plato
en Seneca ons al. Mensen slecht behandelen zal hen ook niet in goede mensen veranderen,
integendeel. Zelf pleit ik primair voor herstelrecht: na misdaad dient in beginsel geen straf maar
herstel van schade plaats te vinden, waarbij het zoveel mogelijk aan de partijen zelf is om de
oorzaken en gevolgen van de misdaad te bespreken alsook om te onderzoeken hoe herstel in het
voorliggende geval het beste kan worden gerealiseerd. Vaak gaat het om herstel van (im)materiële
schade, maar het belangrijkst is misschien wel herstel van vertrouwen en
verbondenheid tussen mensen. Door straf worden deze niet hersteld; straffen is namelijk
reageren vanuit wantrouwen en afgescheidenheid.
Waarom voldeed het gewoonterecht steeds minder en groeide de behoefte aan codificatie?
De samenleving werd steeds complexer. Hierdoor boden ongeschreven rechtsregels te weinig
rechtszekerheid en -eenheid. Codificatie, mits goed uitgevoerd, biedt die zekerheid en eenheid in
grotere mate dan het gewoonterecht. Door de regels vast te leggen in wetgeving weten burgers beter
waar ze aan toe zijn (rechtszekerheid) en kan recht gesproken worden volgens steeds dezelfde
regels die minder afhankelijk zijn van plaatselijke en tijdgebonden tradities en gewoontes
(rechtseenheid). Zie Strafrecht met mate, par. 1.4.1.
Geef aan waarom gesteld kan worden dat het straf(proces)recht steeds instrumenteler van
aard wordt.
Deze ontwikkeling hangt samen met het feit dat de samenleving steeds meer verzakelijkt en gericht is
op efficiency. Bovendien wordt het straf(proces)recht door de overheid in toenemende mate gebruikt
om de samenleving veiliger te maken. Er worden bijvoorbeeld steeds meer opsporingsbevoegdheden
gecreëerd die (preventief) ingrijpen in de levens van burgers om op die manier strafbare feiten te
voorkomen. Zie Strafrecht met mate, par. 1.4.5.4 en 1.4.5.5.
Het strafrecht als ultimum remedium houdt in dat de inzet van het strafrecht slechts aan de orde is
wanneer de mogelijkheden van de overige rechtsgebieden (bestuurs- en privaatrecht) ontoereikend
blijken.
,2 INLEIDING MATERIAAL STRAFRECHT
Grondtrekken van het Nederlandse strafrecht, pagina 29 t/m 55
Plaats en structuur van strafbepalingen
Welk gedrag strafbaar is, wordt in de eerste plaats aangegeven door de wet. De inhoud van
die wettelijke verbodsbepalingen wordt soms verder ingevuld door rechtspraak. Een
strafbepaling in de meest volledige vorm bestaat uit:
1. Delictsomschrijving: geeft aan welke ongewenste gedraging de wetgever strafbaar
heeft willen stellen
2. Kwalificatie-aanduiding: maakt duidelijk hoe het gedrag in juridische opzicht moet
worden benoemd
3. Strafbedreiging: bepaalt welk soort straf mag worden opgelegd
Niet alle strafbepalingen kennen een dergelijke duidelijke omschrijving van het strafbare
gedrag en een kwalificatie-aanduiding. Deze wordt in sommige bepalingen al geacht in de
delictsomschrijving te liggen. Dit is bijv. bij artikel 300 lid 1 Sr. Het mishandelingsartikel.
De opbouw van een strafbaar feit
Een strafbaar feit is een menselijke gedraging die valt binnen de grenzen van een wettelijke
delictsomschrijving, die wederrechtelijk is en aan schuld te wijten. Hierin liggen vier
componenten die cumulatieve voorwaarden zijn waaraan moet worden voldaan voordat
iemand gestraft kan worden. Dit zijn:
Er zijn vier componenten/voorwaarden waaraan moet worden voldaan voordat iemand gestraft kan
worden (voorwaarden voor strafbaarheid). Indien hier niet aan voldaan kan worden dan volgt
vrijspraak.
De vier componenten (ook wel opbouw strafbaar feit):
1. Menselijke gedraging
De gedraging moet verricht zijn door een mens. Dit kunnen zijn natuurlijke personen
als rechtspersonen. Verder moet het gaan om een gedraging. Vervolging kan niet
vanwege bepaalde gedachten, maar wel voor actief optreden of het nalaten hiervan.
2. Wettelijke delictsomschrijving
Gedragingen zijn pas strafbaar als zij in de strafwet terug te vinden zijn. Het is voor
de wetgever onmogelijk om alle denkbare strafbare gedragingen expliciet in de wet op te
nemen. Daarom heeft de wetgever zulke gedragingen algemeen in de wet
omschreven. Dit wordt ook wel de bestanddelen genoemd. Wordt schuld in de
delictsomschrijving genoemd dan is dit ‘schuld als culpa’
3. Wederrechtelijkheid (als element)
In strijd met het geschreven en ongeschreven recht. Als iemand niet handelt in strijd met het
recht, dan dient er ook geen straf te volgen. Daarmee is niets gezegd over de mate waarin
deze gedraging aan de dader verweten kan worden (wederrechtelijkheid van de gedraging).
Daarmee is niet gezegd over de mate waarin deze gedraging aan de dader verweten kan
worden want dat is het terrein van schuld.
Meestal is het zo dat met het vervullen van de delictsomschrijving de wederrechtelijkheid ook
gegeven is. De aanwezigheid van wederrechtelijkheid van bepaald gedrag is dan eigenlijk
niet meer dan de veronderstelde afwezigheid van een geldig excuus voor het vervullen van
de delictsomschrijving. In sommige gevallen bestaat en grond om aan te nemen dat de
gedraging niet wederrechtelijk was. Dan spreken we van een rechtvaardigingsgrond.
4. Schuld (als element)
Ook wel verwijtbaarheid. Niemand kan gestraft worden zonder dat hij schuld heeft. Schuld
moet dan worden opgevat als verwijtbaarheid. Daarvan is sprake als men van iemand in de
redelijkheid kon vergen dat hij zich ander gedroeg dan hij deed. Als iemand een andere optie
had dan het overtreden van de wet bestaat er verwijtbaarheid. Evenals voor de
wederrechtelijkheid geldt voor de verwijtbaarheid dat deze verondersteld wordt
aanwezig te zijn door het vervullen van de delictsomschrijving (schuld als culpa) . Als de
verwijtbaarheid ontbreekt is er sprake van een schulduitsluitingsgrond.
, Legaliteit en interpretatie
In art. 1 lid 1 Sr is het materieelstrafrechtelijk legaliteitsbeginsel (te onderscheiden van het
formeelstrafrechtelijk legaliteitsbeginsel in art.1 Sv) te vinden:
‘Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling’.
Dit beginsel wordt ook wel het ‘nulla poena sine lege’-beginsel genoemd: geen straf zonder
wetsbepaling.
Uit art. 1 lid 1 Sr volgt een aantal zaken:
Strafbare feiten moeten beschreven zijn; ongeschreven recht creëert geen strafbaarheid.
De term ‘wettelijke’ moet zo worden uitgelegd dat niet alleen wetten in formele zin (dat is wat
anders dan formeel recht!), maar ook wetten in materiële zin (en dat is weer wat anders dan
materieel recht!), zoals een Algemene Plaatselijke Verordening (APV), gedragingen strafbaar
kunnen stellen. Zo mogen lagere regelgevers dan onze formele wetgever zelfstandig
strafbepalingen opnemen in hun regelgeving. Echter, lagere regelgevers zijn slechts bevoegd
om overtredingen op te nemen in hun regelgeving, en geen misdrijven.
Uit de woorden ‘voorafgegane strafbepaling’ volgt het verbod van terugwerkende kracht. Een
gedraging is pas strafbaar als deze ten tijde van het begaan van het feit in de wet strafbaar
was gesteld.
De strekking van een strafbepaling moet voldoende duidelijk en dus voorzienbaar zijn (lex
certa). Dit bepaaldheidsgebod hangt samen met het rechtszekerheidsbeginsel.
Het is de rechter verboden om een strafbepaling analoog te interpreteren. Als fictief
voorbeeld: als in de APV van gemeente X een strafbepaling zou zijn opgenomen waarin staat
dat het verboden is om op zondag appels te plukken, dan mag de rechter die strafbepaling
niet zo uitleggen dat het op zondag ook verboden is om peren te plukken, omdat dat net als
appels onder de noemer ‘fruit’ valt. Ook mag hij de strafbepaling niet zo uitleggen dat het
verboden is om op zaterdag appels te plukken, omdat die dag net als zondag ook een
weekenddag betreft. Analogische interpretatie is de rechter verboden omdat het niet de
bedoeling is dat de rechter op de stoel van de wetgever gaat zitten en gaat bepalen wat wel
of niet strafbaar zou moeten zijn.
Artikel 1 (het legaliteitsbeginsel) heeft als doel rechtszekerheid te bewerkstelligen
De rechtszekerheid eist onder andere dat omschrijvingen van wettelijke strafbepalingen voldoende
helder zijn. Uit de tekst van de delictsomschrijving moet duidelijk blijken wat precies verboden is,
zodat burgers hun gedrag daarop kunnen afstemmen. Zou dit anders zijn, dan zouden mensen
voortdurend in onzekerheid leven omzat zij nooit weten of hun gedragingen strafbaar zijn opf niet.
Bovendien zetten onduidelijkheden de deur open voor willekeur.
Ondanks de eis van duidelijkheid ontkomt men bij een delictsomschrijving toch niet aan een zekere
vaagheid. Het is immers voor de wetgever onmogelijk om in detail elke strafbepaling in de wet te
omschrijving. Soms moet een bestandsdeel die wat algemeen of vaag is geïnterpreteerd worden.
Hiervoor zijn er een aantal methoden:
1. Wetshistorische interpretatie: om te kunnen bepalen wat de inhoud van een wetsbepaling is
wordt gekeken naar de totstandkomingsgeschiedenis van de bepaling in kwestie. Meestal
wordt gekeken naar kamerstukken, zoals de memorie van het wetsvoorstel.
2. Grammaticale interpretatie: hierbij wordt de inhoud van de wet bepaald aan de hand van de
taalkundige betekenis van de woorden in de desbetreffende bepaling. Ook wordt gelet op
zinsverband. Let op woorden zoals ‘’volgens de definitie’’, ‘’taalkundig gezien’’. ‘’de letterlijke
betekenis’’.
3. Systematische interpretatie: de wet wordt uitgelegd aan de hand van de systematiek van de
wet. Let op woorden zoals ‘’plaats in de wet’’, ‘’in samenhang met’’, ten opzichte van andere
bepalingen’’.