Hoofdstuk 15: Strafprocesrecht
Het formele strafrecht (strafprocesrecht) bestaat uit drie fasen:
- Fase 1: Opsporing
De opsporing begint nadat er aangifte is gedaan of na ontdekking op heterdaad, waardoor de politie
op het spoor komt van een mogelijk strafbaar feit. Iemand wordt als verdachte aangemerkt als naar
aanleiding van bepaalde feiten en omstandigheden (bijv. getuigenverklaringen/camerabeelden), het
redelijke vermoede is dat iemand zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. Uit deze feiten
en omstandigheden moeten vervolgens een redelijk vermoeden van schuld voortvloeien. Dit houdt in
dat er meer dan alleen vermoeden is.
De verdachte heeft ook rechten:
- Recht op raadsman
- Zwijgrecht (cautie)
- Recht om de processtukken in te zien
Wat betreft plichten krijgt de verdachte te maken met dwangmiddelen. Dwangmiddelen kunnen
betrekking hebben op de lichamelijke integriteit, voorwerpen, plaatsen of persoonlijke vrijheid. De
dwangmiddelen die tijdens deze fase kunnen worden ingezet en de persoonlijke vrijheid van de
verdachte beperken zijn:
- Staande houden
Kan bij redelijk vermoeden van elk strafbaar feit. Er wordt gevraagd naar persoonlijke
informatie van de verdachte.
- Aanhouden
Aanhouden op heterdaad kan door iedereen worden gedaan voor elk strafbaar feit. Een
aanhouding buiten heterdaad kan alleen worden verricht door een opsporingsambtenaar bij
een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.
- Ophouden voor verhoor
Nadat de verdachte is aanhouden wordt deze voorgeleid aan de officier van justitie. Hij kan
bevelen de verdachte vrij te laten als hij verhoor niet nodig vindt. Hij kan ook bepalen de
verdachte te vervolgen, de verdachte krijgt een dagvaarding. Ook kan hij de verdachte langer
vasthouden. Verdachte mag maximaal negen uur worden opgehouden voor verhoor bij
feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan. (Tijd tussen 24:00-09:00 telt niet mee,
dus totaal 18 uur)
- Inzekeringstelling
In het belang van het onderzoek kan de verdachte worden vastgehouden door de officier van
justitie. De duur hiervan is drie dagen en kan met nog eens drie dagen worden verlengd. Dit
geldt alleen voor feiten waarbij voorlopige hechtenis is toegelaten.
Opportuniteitsbeginsel (het OM beslist of de verdachte wel of niet wordt vervolgd)
- Sepot: het OvJ kan of wil niet vervolgen. (Strafproces wordt beëindigd)
- Technisch sepot: onvoldoende bewijs.
- Beleidssepot: klein vergrijp, genoeg spijt betuigd
- Strafbeschikking: geldboete of taakstraf (rechter blijft buiten beeld als er geen verzet is)
- Vervolging: Strafbeschikking is een manier om de zak snel af te doen. Het OM kan dus zelf
straffen opleggen, het opleggen van een strafbeschikking is een daad van vervolging.