Hoofdstuk 11: Staatsrecht
11.2
Een staat is een organisatie. Deze organisatie oefent macht uit over een bepaalde bevolking
(gemeenschap) binnen een bepaald grondgebied. Als een van deze kenmerken ontbreekt kun jen iet
van een staat spreken. De organisatie moet onafhankelijk gezag hebben.
11.3
Voor het staatsrecht is de wet als bron van belang. Je kunt het staatsrecht vinden in bijvoorbeeld de
Grondwet (GW) en het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden.
Het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden is van belang als je meer wilt weten over de
onderling verhoudingen tussen de landen die onder het Koninkrijk der Nederlanden vallen. In het
statuut is vastgelegd welke aangelegenheden gemeenschappelijk worden geregeld en welke behoren
tot de ‘eigen’ aangelegenheid.
De Grondwet is de basiswet voor Nederland. Een grondwet heeft een belangrijke functie bij de
totstandkoming van de nieuwe staat. De bijzondere status van de Grondwet komt tot uitdrukking in
de speciale procedure die nodig is om deze te wijzigen. Dit voorkomt dat er te makkelijk verandering
worden aangebracht.
11.4
Je kan spreken van een democratische staat als de volgende vier elementen aanwezig zijn:
1. Scheiding van de machten
Om machtsconcentratie te voorkomen werden deze opgesplitst: de wetgevende, de uitvoerende en
de rechtsprekende macht. De trias politica (scheiding van de machten) bedacht door de Franse
filosoof Montesquieu.
De wetgevende macht in Nederland is de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk. De regering
bestaat uit de Koning en de ministers en de Staten-Generaal (parlement/volksvertegenwoordiging)
bestaat uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer. Zij maken samen de wetten in formele zin.
De uitvoerende macht ligt in Nederland bij de regering (bestuur). Het bestuur bestaat uit de centrale
overheid (Het Rijk), de provincies en de gemeenten.
Rechtsprekende macht in Nederland zijn de rechters. Bij privaatrecht gaat het dan om een burgerlijke
rechter (civiele rechter) en bij publiekrecht gaat het om een strafrechter of een bestuursrechter
(administratieve rechter)
2. Legaliteitsbeginsel
Het legaliteitsbeginsel betekent dat er geen bevoegdheid mag bestaan zonder een wettelijke basis.
De overheid moet al haar handelen baseren op de wetten.
In Nederland hebben we geen directe democratie maar een vertegenwoordigende democratie. Ook
hebben we het actieve kiesrecht (dat je mag stemmen) en het passieve kiesrecht (dat je jezelf
verkiesbaar mag stellen).
3. Eerbiediging van grondrechten
In een staat die een democratische rechtstaat wil zijn, moeten fundamentele mensenrechten worden
geëerbiedigd, zoals recht op leven, vrijheid, lichamelijke integriteit en vrijheid van meningsuiting. Dit
zijn rechten die de mens ‘van nature’ toekomen. Als dit gebeurt via de Grondwet en internationale
verdragen, kan van grondrechten gesproken worden.
Grondrechten worden onderscheiden in klassieke en sociale grondrechten. Klassieke grondrechten
(vrijheidsrechten) zijn rechten die de mens op grond van hun mens-zijn krijgt, onafhankelijk van de
vraag of de staat die rechten toekend. Sociale grondrechten vergen overheidsbemoeienis, dit betreft
de zorgverplichting van de overheid.