7.1 Inleiding
In een mededelende zin staat er maar 1 zinsdeel voor de persoonsvorm. Voorbeelden van
uitzonderingen:
1) Die jongen, die is niet te vertrouwen.
2) Herman, je moet eens goed naar me luisteren.
3) Verdorie, dat wordt een beetje te gek.
Meer dan 1 zinsdeel voor de persoonsvorm Zinsdelen staan vóór de ‘eigenlijke zin’
Herman en Verdorie hebben een losse band met de rest van de zin: in een andere zin functioneren ze
op dezelde manier.
Die jongen heeft een nauwe band met de rest van de zin: die jongen is een aankondiging en precieze
omschrijving van die verderop in de zin.
7.2 Omschrijving vooraf en achteraf van zinsdelen
De specificering = niet voorlopig of herhalend. De plaats van de specificering bepaalt of het gaat om
een voorlopig of herhalend zinsdeel.
Omschrijving vooraf
1) Dat pakje, dat zou ik niet openmaken. Dat pakje = lijdend voorwerp
Dat = herhalend lijdend voorwerp
2) Sterk, dat ben ik niet. Sterk = naamwoordelijk deel
dat = herhalens naamwoordelijk deel
3) Die jongen, die is niet te vertrouwen. Die jongen = onderwerpen
Die = herhalend onderwerp
Omschrijving achteraf
1)Hij is niet te vertrouwen, die man. Hij = voorlopig onderwerp
Die man = onderwerp
2) Ik huur het niet, dat huis. Het = voorlopig lijdend voorwerp
Dat huis = lijdend voorwerp
7.3 Aangesproken persoon
De gecursiveerde stukken noemt men de aangesproken persoon:
1) Karel, je moet even bij de directeur komen.
2) Beste mensen, we gaan beginnen.
Losse band tussen aangesproken persoon en de rest van de zin. de aangesproken persoon kan je
zowel vooraan, in en achteraan de zin zetten.
, 7.4 Het tussenwerpsel
Het gecursiveerde stuk noem je een tussenwerpsel:
1) Verdorie, dat wordt een beetje te gek.
Tussenwerpsels zijn uitdrukkingen van emotie, begroetingen, aansporingen, klanknabootsingen en
dergelijke, die tamelijk los, van de eigenlijke zin staan.
De term tussenwerpsel is de enige die zowel gebruikt wordt voor een bepaald deel van de zin als
voor een bepaald soort woorden.