Dwangmiddelen
hoorcollege +
jurisprudentie
MASTER STRAFRECHT RIJKSUNIVERSITEIT
GRONINGEN 2024/2025
, Samenvatting dwangmiddelen
Ik adviseer om deze aantekeningen te bestuderen in samenhang met de hoorcollegesheets.
LET OP: de laatste aantekeningen van de laatste twee hoorcolleges ontbreken.
Hoorcollege :1
Onderwerp : Opsporingsonderzoek Algemeen
Dwangmiddelen
Dwangmiddelen zijn bevoegdheden die een inbreuk kunnen maken op grondrechten. Zo tast
een aanhouding de vrijheid van een persoon aan, terwijl een huiszoeking inbreuk maakt op de
privacy. Ook telefoontaps vallen hieronder. In dit vak kijken we daarnaast naar
opsporingsmethoden die geen directe inbreuk maken op grondrechten. Sommige
dwangmiddelen kunnen een verdachte bovendien dwingen tot bepaald gedrag.
Artikel 1 Sv
Het strafvorderlijke legaliteitsbeginsel, vastgelegd in artikel 1 Sv, houdt in dat strafvordering
alleen plaatsvindt op de wijze die de wet voorschrijft. Strafvordering omvat de gehele
procedure in strafzaken: opsporing, vervolging en uiteindelijk de tenuitvoerlegging. De “wet”
verwijst hier naar wetgeving in formele zin, zoals bedoeld in artikel 107 van de Grondwet.
Achtergrond van artikel 1 Sv
Artikel 1 Sv waarborgt de rechtseenheid: overal in Nederland moet hetzelfde strafprocesrecht
gelden, zodat het niet uitmaakt waar iemand terechtstaat. Vroeger bestonden er verschillende
regels per regio, maar dat is hiermee opgeheven. Daarnaast biedt het artikel burgers
rechtszekerheid en rechtsbescherming, doordat de overheid gebonden is aan vaste regels bij
de uitoefening van haar macht. Dit voorkomt willekeur en wordt steeds belangrijker naarmate
de overheid dieper kan ingrijpen in het leven van burgers.
Startpunt van artikel 1 Sv
De vraag is of artikel 1 Sv altijd strikt moet worden opgevat. Er zijn namelijk ontwikkelingen
die dit uitgangspunt relativeren:
Delegatie: bepaalde bevoegdheden zijn geregeld via lagere regelgeving, zoals artikel
61a lid 3 Sv en artikel 51b lid 5 Sv.
Jurisprudentie: veel onderwerpen zijn door de rechtspraak verder ingevuld, zoals
AVAS, voeging ad informandum, de binding van het OM aan eigen richtlijnen en de
doorbreking van het verschoningsrecht.
Internationale verdragen: bepalingen uit verdragen, zoals artikel 6 EVRM, anoniem
getuigenbewijs of het Handvest van de EU, werken rechtstreeks door in het nationale
strafprocesrecht.
Deze ontwikkelingen zijn meestal niet in strijd met artikel 1 Sv. Sterker nog, jurisprudentie
versterkt vaak de rechtsbescherming en sluit daarmee aan bij de bedoeling van het artikel.
Alleen bij delegatie kan spanning ontstaan, omdat dit de rechtszekerheid kan aantasten.
Modernisering van het Wetboek van Strafvordering
De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot modernisering van het Wetboek van
Strafvordering erkent dat in de praktijk veel strafprocesrecht via lagere regelgeving wordt
geregeld, zoals amvb’s. De kern van de duurzame regels blijft echter in het Wetboek zelf
opgenomen, terwijl meer technische en vaak wijzigende bepalingen via amvb’s kunnen
worden vastgelegd. De Raad van State heeft met dit uitgangspunt ingestemd.
1
, Samenvatting dwangmiddelen
Opsporing
Het startpunt van de strafvordering is artikel 1 Sv. In het tweede boek van het Wetboek van
Strafvordering, dat gaat over strafvordering in eerste aanleg, is in Titel I het
opsporingsonderzoek geregeld. De algemene bepalingen (artikelen 140 en verder Sv) volgen
pas ná de opsomming van de vele opsporingsbevoegdheden, wat historisch gezien niet de
oorspronkelijke bedoeling was. Binnen de modernisering krijgt het wetboek een nieuwe
structuur: Boek 1 behandelt het algemene deel van de strafvordering, en Boek 2 gaat over het
opsporingsonderzoek en de bevoegdheden die daarbij horen.
Gewone opsporingsambtenaren (artikel 141 Sv)
Artikel 141 Sv noemt de zogenoemde gewone opsporingsambtenaren. Zij zijn bevoegd om
alle strafbare feiten op te sporen. Het gaat om:
a. Officieren van justitie. Hoewel artikel 148 lid 3 Sv bepaalt dat zij zelf
opsporingsonderzoek kunnen uitvoeren, doen zij dat in de praktijk nauwelijks. De officier van
justitie geeft leiding aan de opsporing, ziet toe op de rechtmatigheid en verleent vaak de
noodzakelijke bevelen.
b. Politieambtenaren. Dit betreft de ambtenaren die zijn aangesteld voor de uitvoering van
de politietaak (artikel 2 Politiewet 2012, onderdelen a, c en d). Niet elke politieambtenaar valt
hieronder: wie uitsluitend administratieve werkzaamheden verricht, is geen
opsporingsambtenaar.
Artikel 142 Sv gaat over de buitengewone opsporingsambtenaren. Artikel 127 Sv bevat een
algemene definitie: opsporingsambtenaren zijn alle personen die belast zijn met de opsporing
van strafbare feiten.
Politietaak
Artikel 3 Politiewet 2012 bepaalt dat de politie onder gezag van het bevoegde gezag en in
overeenstemming met de rechtsregels tot taak heeft de rechtsorde daadwerkelijk te handhaven
en hulp te verlenen aan hen die dat nodig hebben.
Strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en gezag
Artikel 12 Politiewet 2012 regelt dat de politie, wanneer zij optreedt ter strafrechtelijke
handhaving van de rechtsorde of taken uitvoert voor justitie, onder gezag staat van de officier
van justitie. Deze kan aanwijzingen geven voor de uitvoering van deze taken. Strafrechtelijke
handhaving omvat het voorkomen, opsporen, beëindigen, vervolgen en berechten van
strafbare feiten, evenals de uitvoering van rechterlijke of OM-beslissingen in strafzaken. Dit
sluit aan bij artikel 1 lid 2 van de Politiewet 2012.
141 Sv: gewone opsporingsambtenaren (vervolg)
Naast officieren van justitie en politieambtenaren vallen ook militairen van de Koninklijke
Marechaussee en de opsporingsambtenaren van de bijzondere opsporingsdiensten onder de
groep van algemene opsporingsambtenaren. Zij mogen in beginsel alle strafbare feiten
opsporen. In de praktijk beperken zij zich vaak tot hun eigen werkveld. Zo kan een FIOD-
medewerker in theorie ook een diefstal onderzoeken, maar in de praktijk richt hij zich vooral
op belastingfraude.
Bijzondere opsporingsdiensten
De bijzondere opsporingsdiensten hebben een algemene opsporingsbevoegdheid, maar hun
feitelijke taak is beperkt tot een specifiek beleidsterrein. Zij vallen niet onder de Politiewet
2012, maar onder de Wet op de Bijzondere Opsporingsdiensten. Volgens artikel 3 van die wet
staan zij onder gezag van de officier van justitie en zijn zij belast met de strafrechtelijke
2
, Samenvatting dwangmiddelen
handhaving van de rechtsorde binnen hun beleidsterrein. Artikel 6 geeft hen bevoegdheid tot
geweldgebruik. In de praktijk vallen zij onder het Functioneel Parket.
De vier bijzondere opsporingsdiensten zijn:
1. FIOD (Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst). Deze dienst onderzoekt
belastingfraude. Zo werd op 31 maart een 44-jarige man uit Best aangehouden omdat
zijn onderneming verdacht werd van fraude. Zijn woning en twee kantoren zijn
doorzocht en er is beslag gelegd op administratief en digitaal materiaal.
2. NVWA-IOD (Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Nederlandse Voedsel- en
Warenautoriteit). Deze dienst treft regelmatig illegale middelen aan. Op 28
november werd bij een verdachte bijna 3.000 liter onkruidverdelger gevonden die hij
illegaal verkocht aan afnemers in Europa. Het onderzoek stond onder leiding van het
Functioneel Parket.
3. ILT-IOD (Inlichtingen- en Opsporingsdienst Inspectie Leefomgeving en
Transport). Deze dienst doet onderzoek naar milieu- en transportgerelateerde
delicten. Bij metaalverwerkingsbedrijven in Zuid-Nederland werd bijvoorbeeld
onderzocht of oude cv-ketels zonder de juiste certificering als afval werden verwerkt,
wat schadelijk kan zijn voor het milieu.
4. NLA-DO (Nederlandse Arbeidsinspectie – Directie Opsporing). Deze dienst valt
onder Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Een voorbeeld is een onderzoek waarbij
vier werknemers van een Haags uitzendbureau zijn aangehouden op verdenking van
mensensmokkel, en twee anderen voor witwassen.
Gewone opsporingsambtenaren
Gewone opsporingsambtenaren beschikken over een algemene opsporingsbevoegdheid, maar
richten zich vaak op een specifiek terrein. Zo concentreert de FIOD zich op fiscale fraude,
maar als zij tijdens een onderzoek een vuurwapen aantreffen, mogen zij dat in beslag nemen
en ook dat feit onderzoeken.
Buitengewone opsporingsambtenaren (BOA’s), artikel 142 Sv
BOA’s zijn geen politieambtenaren en vallen ook niet onder de bijzondere
opsporingsdiensten. Toch voeren zij delen van de opsporing uit. Voorbeelden zijn
treinconducteurs of boswachters. Hun bevoegdheid is beperkt en vastgelegd in de wet of in
een akte van aanwijzing, maar kan in sommige gevallen worden uitgebreid tot alle strafbare
feiten. BOA’s kunnen bepaalde geweldsmiddelen toegewezen krijgen, zoals pepperspray,
handboeien of een wapenstok, en soms vallen zij deels onder de Politiewet 2012.
Geweldsbevoegdheden
Artikel 7 lid 1 Politiewet 2012 bepaalt dat politieambtenaren die zijn aangesteld voor de
uitvoering van de politietaak geweld of vrijheidsbeperkende middelen mogen gebruiken, mits
dit rechtmatig en noodzakelijk is. Het gebruik moet proportioneel zijn en voorafgegaan
worden door een waarschuwing, als dat mogelijk is. Deze regels gelden ook voor BOA’s,
voor zover dit expliciet is geregeld.
Een boswachter die als BOA is aangewezen, mag iemand staande houden, omdat elke
opsporingsambtenaar dat mag op grond van artikel 52 Sv. Dit geldt wel alleen binnen zijn
bevoegdheidsgebied: een boswachter mag bijvoorbeeld niet iemand staande houden voor een
winkeldiefstal buiten het bos. Een BOA mag daarnaast niet op bevel van de officier van
justitie vertrouwelijke communicatie opnemen met een technisch hulpmiddel, want dit is
volgens artikel 126l Sv niet toegestaan, zelfs niet voor de officier zelf.
3