H1 & H2 video
In bedrijven maak je onderscheid tussen:
– Aandeelhouders: hebben als eigenaars recht op de
opbrengsten, maar lopen risico
– Management: bepaalt wat er in het bedrijf gebeurt
– Werknemers: doen het echte werk
Eenmanszaak/maatschap = Ieder is aansprakelijk voor
alle verplichtingen
Besloten Vennootschap (BV) & Naamloze
Vennootschap (NV) = Geen van allen is aansprakelijk
voor verplichtingen
CFO = Chief Financial Officer = financieel directeur
Is onder meer verantwoordelijk voor bedrijfsinvesteringen en de financiering daarvan
(ook voor de verslaglegging van de bedrijfsresultaten). Deze persoon maakt onder
meer de berekeningen waar dit vak over gaat: loont het een (des)investering te doen,
hoe financieren we dat en hoe hangt dit met elkaar samen?
BV’s kunnen hun aandelen niet verhandelen op een aandelenbeurs, NV’s wel.
“Noteren” op de beurs heeft zin wanneer:
- aandeelhouders hun bezit zonder tijd- of waardeverlies willen kunnen (ver)kopen (liquidity to
shareholders).
- Het bedrijf een groot bedrag aan nieuwe aandelenvermogen nodig heeft.
→ Dit is relevanter naarmate bedrijven en de bedragen groter zijn.
“Op de beurs” worden aandelen verhandeld van bedrijven. De beurs is anoniem: je weet niet
met wie je een transactie afsluit de beurs regelt het afrekenen en zorgt ervoor dat gekochte
aandelen in je depot komen. Maar de omzetten en de prijzen van iedere aandelentransactie zijn
wèl zichtbaar voor iedereen.
Onderscheid tussen:
• Primaire markt: het bedrijf biedt nieuw aandelen aan. “Initial Public Offering” (IPO) =
aandelenemissie. Eenmalig aanbod
• Secundaire markt: handel in bestaande aandelen. Handel tussen beleggers, banken
enzovoort. Continue bedrijf; handel gaat voortdurend door.
Financiële verslaggeving
Het jaarverslag geeft beleggers en andere belanghebbenden informatie over bedrijven.
De verslaggeving wordt opgesteld volgens standaarden (“IFRS & GAAP”) en gecontroleerd en
gevalideerd door gecertificeerde accountants.
Bedrijven stellen een jaarrekening op (Four Financial Statements).
Jaarverslag = jaarrekening + tekstuele toelichting. De CFO is verantwoordelijk.
Balance sheet (balans) = Samenvatting van Assets (Bezittingen) en Liabilities (Schulden) op een
bepaald moment.
Shareholders’ Equity = bookvalue of equity (Het eigen vermogen ) is een restpost.
Eigen vermogen = Bezittingen – Schulden
,Market value of equity (= market capitalization) (De beurswaarde) van een bedrijf = het bedrag
dat het zou kosten om alle aandelen op te kopen, oftewel:
beurswaarde = Aantal aandelen x prijs per aandeel
Income statement (winst- en verliesrekening) = Samenvatting van Revenues (Opbrengsten) en
Expenses (Kosten) gedurende een bepaalde periode. De W&V beschrijft de verandering in Eigen
Vermogen tussen twee (balans)momenten. Behoudens aandelenemissies en –inkoop &
uitgekeerd dividend.
• Gross Profit (Brutowinst) is marge: = verkoopopbrengsten – kosten van de verkoop
• Operating Income (Operationele winst) uit bedrijfsvoering = Brutowinst – overige uitgaven
• Net Income (Netto winst) komt toe aan aandeelhouders:
Netto Winst = Operationele Winst – belastingen & rente
• Earnings per Share (Winst per aandeel): EPS/WpA = Netto Winst / aantal uitstaande aandelen.
Dit is de “E” in de P/E (Price-Earnings ratio)
Statement of cash flows (kasstroomoverzicht) = Samenvatting van inkomende en uitgaande
geldstromen gedurende een bepaalde periode voor operationele, investerings- en financiële
activiteiten. Toont “gezondheid”. Verschil met de W&V is dat hierin alleen feitelijke betalingen en
ontvangsten worden bijgehouden.
bv. de aankoop van een machine of voorraden: Heeft geen effect op W&V, Maar is een negatief
getal op het kasstroomoverzicht.
bv. koerswinst op een belegging: Vermeerdert de netto winst in de W&V, Maar komt niet terug in
het kasstroomoverzicht.
Statement of changes in Shareholders’ Equity (Overzicht van verandering in Eigen Vermogen)
Eigen Vermogen wijzigt gedurende een periode door: Ingehouden winst (Retained Earnings) &
Aan- of verkoop door het bedrijf van eigen aandelen
Ingehouden winst = Netto Inkomen – betaald Dividend
Dit statement biedt zo een snel overzicht in de redenen dat de boekhoudkundige waarde van een
bedrijf is veranderd. Wordt voornamelijk in de VS gebruikt.
Financiële ratio’s (p.35-45) zijn de meest gebruikte maatstaven voor het beoordelen van een
bedrijf. Deze ratio’s maken bedrijven onderling vergelijkbaar. Een belegger beoordeelt zo welk
bedrijf efficiënt werkt.
In de praktijk is verslaglegging van bedrijfsprestaties is niet zo simpel als het lijkt. Er zijn talloze
probleemgevallen. Denk aan Fraude en Belangenconflict.
,HC1
Intro: Wat is investeren en beleggen?
Beleggingsproducten: Financiële producten, zoals aandelen en obligaties
Investeringsproducten: Reële producten bedoeld voor een productieproces, zoals
machines en fabrieken, maar ook website of een app.
→ beide leveren doorgaans cash flow in de toekomst op.
Andere reële producten, bedoeld om te consumeren. Leveren niet per se cash flow in de
toekomst op.
Investeren en Beleggen in producten die een cash flow in de toekomst opleveren. En menselijk
gedrag bij schaarse beleggings- en investeringsproducten
Het financieel waarderen van deze producten door Afruil tussen rendement en Risico, en Het
effect van tijd → disconteren.
Macro-economie: vraag en aanbod bepaalt evenwicht voor prijs en hoeveelheid. Globale
behandeling van kapitaalinkomen, samenhang met reëel-economische grootheden (arbeid,
groei, productie) en inflatie.
Micro-economie: vraag en aanbod van deelmarkten. Ook hier denken over evenwicht.
Financiering/Investeren en Beleggen: Minder aandacht voor vraag en aanbod, Hou bij het
beprijzen van toekomstige cash flows rekening met risico en de tijdswaarde van geld,
Onderscheid naar product (aandelen, obligaties enz.) vanwege verschil in risico.
H3
Prijs van financiële producten en reële producten is uitgedrukt in geld vandaag.
Geld vandaag (Cash today) = Nu om te zetten in consumptie/producten. Objectief want
waarneembaar
Contante waarde (Present Value) = De berekende waarde per vandaag van cash flows later.
Subjectief vanwege aannames in het terugrekenen naar vandaag.
Rente (Interest (rate)) =
− een vergoeding voor uitstel van consumptie
− een kost voor vervroeging van consumptie
Tijdswaarde van geld (Time Value of Money) = Verschil tussen geld later en geld vandaag (≈ rente)
Hoogte van de rente beïnvloed door Inflatie, economische groei, monetair beleid.
Risicovrije rente (risk-free interest rate): rf = Tijdswaarde van geld is risicovrij, Bankrente of rente
op een staatsobligatie is niet strikt risicovrij, Maar deze wordt daar gemakshalve wel vaak aan
gelijk gesteld.
Discontovoet (“discount factor”): + 𝑟𝑓. Bij 10% rente is de discontovoet: +0.10 = 0.9091
Disconteren naar vandaag tegen 10% van € 1.100 over een jaar: 0.9091 × € 1.100 = € 1.000
Soorten leningen: Spaarrekening, Obligatie, Hypotheek (huis als onderpand), Leasecontract,
Telefoonabonnement, Studielening, Credit card
Waarderingsbeginsel (Valuation Principle) =
Wanneer bij een investering de opbrengsten hoger zijn dan de kosten, dan is het “economisch
juist” te investeren en zou er tot investeren moeten worden besloten, indien investeringen en
opbrengsten zijn uitgedrukt in marktprijzen (= niet gemanipuleerd en in marktevenwicht).
, “Zou ... moeten”: Want een bedrijf dient in het belang van zijn eigenaren te handelen binnen de
geldende wetgeving, En moet rekening houden met andere belanghebbenden, zoals
medewerkers, klanten, leveranciers, het milieu enz.
Contante Waarde (CW) (Present Value) = De waarde vandaag van cash flows later. Berekenbaar
(bij een bekende discontovoet)
Netto Contante Waarde (NCW) (Net Present Value) = De CW van opbrengsten min de CW van
kosten. De som van de CW van positieve en negatieve cash flows.
De NCW beslisregel bij investeringsmogelijkheden =
- Neem degene met de hoogste NCW
- Niet investeren wanneer NCW negatief is
Alleen cash flows op het zelfde moment kan je met elkaar vergelijken!
Arbitrage = Het gelijktijdig kopen en verkopen van hetzelfde product. Met als doel daaraan te
verdienen. Handelaar loopt geen risico en “doet” niets en zal hiermee doorgaan tot het
prijsverschil is verdwenen. Alleen sprake van arbitrage als er geen “dienst” is verricht.
Arbitrage is het mechanisme achter de “Wet van één prijs”: In een normale markt hebben
identieke producten dezelfde prijs. Identieke financiële producten hebben identieke cash flows,
Eventuele prijsverschillen worden “weggearbitreerd”, Ook voor financiële producten geldt
daarmee: Een aandeel, obligatie enz. heeft maar één prijs, Althans, op hetzelfde moment
(simultaneously). Werkt goed vanwege de grote transparantie in financiële markten
Obligaties (Bonds) = lening die is gestandaardiseerd voor wat betreft: “Aan toonder”,
Documentatie, Wijze van betaling en administratie. Hierdoor eenvoudig verhandelbaar.
Uitgegeven door (schuldenaars): Banken, Bedrijven, Overheden.
Gekocht door (schuldeisers): Pensioenfondsen, Verzekeraars, Banken, Particulieren.
De contante waarde van een obligatie is niet hetzelfde als de prijs vandaag → arbitreren.
Hoger rendement op obligatie dan rentekosten aan bank → arbitreren.
Wet van één prijs = De waarde van identieke cash flows is altijd gelijk aan elkaar, ook al komen
die van verschillende financiële producten (bank en obligatie).
Toekomstige cash flows zijn te vertalen naar contante waarde & geld vandaag (door (uit) te
lenen)
“No Arbitrage Price of a Security”
Prijs van een obligatie = CW van een obligatie
Nogmaals: wanneer markten “normaal” zijn en er wordt gearbitreerd, Zonder fricties, zoals
transactiekosten
De (ver)koop (=transactie) van een obligatie geeft de cash flows van de obligatie in ruil voor de
prijs van de obligatie:
− Je ruilt dan de CW in voor de prijs van de obligatie
− CW van transactie = CW van de cash flows – prijs van de obligatie
De CW van een effectentransactie is gelijk aan nul, In een ideale, competitieve markt
Het doen van een transactie creëert geen waarde, maar tijdsverloop en risico nemen wel.
Want transactie is slechts een wissel van eigenaren.
In bedrijven maak je onderscheid tussen:
– Aandeelhouders: hebben als eigenaars recht op de
opbrengsten, maar lopen risico
– Management: bepaalt wat er in het bedrijf gebeurt
– Werknemers: doen het echte werk
Eenmanszaak/maatschap = Ieder is aansprakelijk voor
alle verplichtingen
Besloten Vennootschap (BV) & Naamloze
Vennootschap (NV) = Geen van allen is aansprakelijk
voor verplichtingen
CFO = Chief Financial Officer = financieel directeur
Is onder meer verantwoordelijk voor bedrijfsinvesteringen en de financiering daarvan
(ook voor de verslaglegging van de bedrijfsresultaten). Deze persoon maakt onder
meer de berekeningen waar dit vak over gaat: loont het een (des)investering te doen,
hoe financieren we dat en hoe hangt dit met elkaar samen?
BV’s kunnen hun aandelen niet verhandelen op een aandelenbeurs, NV’s wel.
“Noteren” op de beurs heeft zin wanneer:
- aandeelhouders hun bezit zonder tijd- of waardeverlies willen kunnen (ver)kopen (liquidity to
shareholders).
- Het bedrijf een groot bedrag aan nieuwe aandelenvermogen nodig heeft.
→ Dit is relevanter naarmate bedrijven en de bedragen groter zijn.
“Op de beurs” worden aandelen verhandeld van bedrijven. De beurs is anoniem: je weet niet
met wie je een transactie afsluit de beurs regelt het afrekenen en zorgt ervoor dat gekochte
aandelen in je depot komen. Maar de omzetten en de prijzen van iedere aandelentransactie zijn
wèl zichtbaar voor iedereen.
Onderscheid tussen:
• Primaire markt: het bedrijf biedt nieuw aandelen aan. “Initial Public Offering” (IPO) =
aandelenemissie. Eenmalig aanbod
• Secundaire markt: handel in bestaande aandelen. Handel tussen beleggers, banken
enzovoort. Continue bedrijf; handel gaat voortdurend door.
Financiële verslaggeving
Het jaarverslag geeft beleggers en andere belanghebbenden informatie over bedrijven.
De verslaggeving wordt opgesteld volgens standaarden (“IFRS & GAAP”) en gecontroleerd en
gevalideerd door gecertificeerde accountants.
Bedrijven stellen een jaarrekening op (Four Financial Statements).
Jaarverslag = jaarrekening + tekstuele toelichting. De CFO is verantwoordelijk.
Balance sheet (balans) = Samenvatting van Assets (Bezittingen) en Liabilities (Schulden) op een
bepaald moment.
Shareholders’ Equity = bookvalue of equity (Het eigen vermogen ) is een restpost.
Eigen vermogen = Bezittingen – Schulden
,Market value of equity (= market capitalization) (De beurswaarde) van een bedrijf = het bedrag
dat het zou kosten om alle aandelen op te kopen, oftewel:
beurswaarde = Aantal aandelen x prijs per aandeel
Income statement (winst- en verliesrekening) = Samenvatting van Revenues (Opbrengsten) en
Expenses (Kosten) gedurende een bepaalde periode. De W&V beschrijft de verandering in Eigen
Vermogen tussen twee (balans)momenten. Behoudens aandelenemissies en –inkoop &
uitgekeerd dividend.
• Gross Profit (Brutowinst) is marge: = verkoopopbrengsten – kosten van de verkoop
• Operating Income (Operationele winst) uit bedrijfsvoering = Brutowinst – overige uitgaven
• Net Income (Netto winst) komt toe aan aandeelhouders:
Netto Winst = Operationele Winst – belastingen & rente
• Earnings per Share (Winst per aandeel): EPS/WpA = Netto Winst / aantal uitstaande aandelen.
Dit is de “E” in de P/E (Price-Earnings ratio)
Statement of cash flows (kasstroomoverzicht) = Samenvatting van inkomende en uitgaande
geldstromen gedurende een bepaalde periode voor operationele, investerings- en financiële
activiteiten. Toont “gezondheid”. Verschil met de W&V is dat hierin alleen feitelijke betalingen en
ontvangsten worden bijgehouden.
bv. de aankoop van een machine of voorraden: Heeft geen effect op W&V, Maar is een negatief
getal op het kasstroomoverzicht.
bv. koerswinst op een belegging: Vermeerdert de netto winst in de W&V, Maar komt niet terug in
het kasstroomoverzicht.
Statement of changes in Shareholders’ Equity (Overzicht van verandering in Eigen Vermogen)
Eigen Vermogen wijzigt gedurende een periode door: Ingehouden winst (Retained Earnings) &
Aan- of verkoop door het bedrijf van eigen aandelen
Ingehouden winst = Netto Inkomen – betaald Dividend
Dit statement biedt zo een snel overzicht in de redenen dat de boekhoudkundige waarde van een
bedrijf is veranderd. Wordt voornamelijk in de VS gebruikt.
Financiële ratio’s (p.35-45) zijn de meest gebruikte maatstaven voor het beoordelen van een
bedrijf. Deze ratio’s maken bedrijven onderling vergelijkbaar. Een belegger beoordeelt zo welk
bedrijf efficiënt werkt.
In de praktijk is verslaglegging van bedrijfsprestaties is niet zo simpel als het lijkt. Er zijn talloze
probleemgevallen. Denk aan Fraude en Belangenconflict.
,HC1
Intro: Wat is investeren en beleggen?
Beleggingsproducten: Financiële producten, zoals aandelen en obligaties
Investeringsproducten: Reële producten bedoeld voor een productieproces, zoals
machines en fabrieken, maar ook website of een app.
→ beide leveren doorgaans cash flow in de toekomst op.
Andere reële producten, bedoeld om te consumeren. Leveren niet per se cash flow in de
toekomst op.
Investeren en Beleggen in producten die een cash flow in de toekomst opleveren. En menselijk
gedrag bij schaarse beleggings- en investeringsproducten
Het financieel waarderen van deze producten door Afruil tussen rendement en Risico, en Het
effect van tijd → disconteren.
Macro-economie: vraag en aanbod bepaalt evenwicht voor prijs en hoeveelheid. Globale
behandeling van kapitaalinkomen, samenhang met reëel-economische grootheden (arbeid,
groei, productie) en inflatie.
Micro-economie: vraag en aanbod van deelmarkten. Ook hier denken over evenwicht.
Financiering/Investeren en Beleggen: Minder aandacht voor vraag en aanbod, Hou bij het
beprijzen van toekomstige cash flows rekening met risico en de tijdswaarde van geld,
Onderscheid naar product (aandelen, obligaties enz.) vanwege verschil in risico.
H3
Prijs van financiële producten en reële producten is uitgedrukt in geld vandaag.
Geld vandaag (Cash today) = Nu om te zetten in consumptie/producten. Objectief want
waarneembaar
Contante waarde (Present Value) = De berekende waarde per vandaag van cash flows later.
Subjectief vanwege aannames in het terugrekenen naar vandaag.
Rente (Interest (rate)) =
− een vergoeding voor uitstel van consumptie
− een kost voor vervroeging van consumptie
Tijdswaarde van geld (Time Value of Money) = Verschil tussen geld later en geld vandaag (≈ rente)
Hoogte van de rente beïnvloed door Inflatie, economische groei, monetair beleid.
Risicovrije rente (risk-free interest rate): rf = Tijdswaarde van geld is risicovrij, Bankrente of rente
op een staatsobligatie is niet strikt risicovrij, Maar deze wordt daar gemakshalve wel vaak aan
gelijk gesteld.
Discontovoet (“discount factor”): + 𝑟𝑓. Bij 10% rente is de discontovoet: +0.10 = 0.9091
Disconteren naar vandaag tegen 10% van € 1.100 over een jaar: 0.9091 × € 1.100 = € 1.000
Soorten leningen: Spaarrekening, Obligatie, Hypotheek (huis als onderpand), Leasecontract,
Telefoonabonnement, Studielening, Credit card
Waarderingsbeginsel (Valuation Principle) =
Wanneer bij een investering de opbrengsten hoger zijn dan de kosten, dan is het “economisch
juist” te investeren en zou er tot investeren moeten worden besloten, indien investeringen en
opbrengsten zijn uitgedrukt in marktprijzen (= niet gemanipuleerd en in marktevenwicht).
, “Zou ... moeten”: Want een bedrijf dient in het belang van zijn eigenaren te handelen binnen de
geldende wetgeving, En moet rekening houden met andere belanghebbenden, zoals
medewerkers, klanten, leveranciers, het milieu enz.
Contante Waarde (CW) (Present Value) = De waarde vandaag van cash flows later. Berekenbaar
(bij een bekende discontovoet)
Netto Contante Waarde (NCW) (Net Present Value) = De CW van opbrengsten min de CW van
kosten. De som van de CW van positieve en negatieve cash flows.
De NCW beslisregel bij investeringsmogelijkheden =
- Neem degene met de hoogste NCW
- Niet investeren wanneer NCW negatief is
Alleen cash flows op het zelfde moment kan je met elkaar vergelijken!
Arbitrage = Het gelijktijdig kopen en verkopen van hetzelfde product. Met als doel daaraan te
verdienen. Handelaar loopt geen risico en “doet” niets en zal hiermee doorgaan tot het
prijsverschil is verdwenen. Alleen sprake van arbitrage als er geen “dienst” is verricht.
Arbitrage is het mechanisme achter de “Wet van één prijs”: In een normale markt hebben
identieke producten dezelfde prijs. Identieke financiële producten hebben identieke cash flows,
Eventuele prijsverschillen worden “weggearbitreerd”, Ook voor financiële producten geldt
daarmee: Een aandeel, obligatie enz. heeft maar één prijs, Althans, op hetzelfde moment
(simultaneously). Werkt goed vanwege de grote transparantie in financiële markten
Obligaties (Bonds) = lening die is gestandaardiseerd voor wat betreft: “Aan toonder”,
Documentatie, Wijze van betaling en administratie. Hierdoor eenvoudig verhandelbaar.
Uitgegeven door (schuldenaars): Banken, Bedrijven, Overheden.
Gekocht door (schuldeisers): Pensioenfondsen, Verzekeraars, Banken, Particulieren.
De contante waarde van een obligatie is niet hetzelfde als de prijs vandaag → arbitreren.
Hoger rendement op obligatie dan rentekosten aan bank → arbitreren.
Wet van één prijs = De waarde van identieke cash flows is altijd gelijk aan elkaar, ook al komen
die van verschillende financiële producten (bank en obligatie).
Toekomstige cash flows zijn te vertalen naar contante waarde & geld vandaag (door (uit) te
lenen)
“No Arbitrage Price of a Security”
Prijs van een obligatie = CW van een obligatie
Nogmaals: wanneer markten “normaal” zijn en er wordt gearbitreerd, Zonder fricties, zoals
transactiekosten
De (ver)koop (=transactie) van een obligatie geeft de cash flows van de obligatie in ruil voor de
prijs van de obligatie:
− Je ruilt dan de CW in voor de prijs van de obligatie
− CW van transactie = CW van de cash flows – prijs van de obligatie
De CW van een effectentransactie is gelijk aan nul, In een ideale, competitieve markt
Het doen van een transactie creëert geen waarde, maar tijdsverloop en risico nemen wel.
Want transactie is slechts een wissel van eigenaren.