Complete Samenvatting & Oefenvragen
Q1. Wat wordt bedoeld met het begrip ‘duurzame ontwikkeling’?
a) Economische groei zonder aandacht voor ecologische gevolgen
b) Ontwikkeling die voorziet in de behoeften van nu zonder toekomstige generaties te
schaden
c) Het oneindig gebruiken van natuurlijke hulpbronnen
d) Ontwikkeling die enkel gericht is op technologische vooruitgang
Antwoord: b.
Duurzame ontwikkeling betekent dat economische, ecologische en sociale belangen in
balans zijn, zodat toekomstige generaties dezelfde kansen behouden.
Q2. Welke rol speelt de overheid in een gemengde economie?
a) De overheid bepaalt volledig prijzen en productie
b) De overheid laat de markt alles regelen zonder inmenging
c) De overheid grijpt in om marktfalen te corrigeren en basisvoorzieningen te garanderen
d) De overheid beperkt zich enkel tot buitenlandse handel
Antwoord: c.
,In een gemengde economie combineert de overheid marktwerking met regulering,
bijvoorbeeld door sociale voorzieningen en concurrentiewetten.
Q3. Wat is een voorbeeld van een secundaire sociale groep?
a) Je gezin
b) Een vriendengroep
c) Je sportclub
d) Je klas op school
Antwoord: d.
Secundaire groepen zijn groter, formeler en taakgericht, zoals schoolklassen of werkteams.
Q4. Wat wordt bedoeld met het begrip ‘multiculturaliteit’ in de samenleving?
a) Het bestaan van meerdere culturen die strikt gescheiden blijven
b) Het volledig verdwijnen van culturele verschillen
c) Het samenleven van verschillende culturen binnen één samenleving
d) Het opleggen van één dominante cultuur aan iedereen
Antwoord: c.
Multiculturaliteit betekent dat diverse culturele groepen samenleven, wat kan leiden tot
uitwisseling maar ook tot spanningen.
Q5. Wat gebeurt er in een markteconomie wanneer de vraag naar een product sterk stijgt?
a) De prijs daalt en er ontstaat overschot
,b) De prijs stijgt en producenten verhogen het aanbod
c) De overheid bepaalt de nieuwe prijs
d) Consumenten verliezen hun koopkracht automatisch
Antwoord: b.
Bij een hogere vraag stijgen de prijzen. Dit stimuleert producenten om meer te produceren,
waardoor de markt zich aanpast.
Q6. Welke kritiek wordt vaak geuit op globalisering?
a) Het bevordert economische samenwerking
b) Het leidt tot verlies van culturele eigenheid
c) Het creëert toegang tot nieuwe markten
d) Het vergemakkelijkt internationale handel
Antwoord: b.
Een veelgehoorde kritiek is dat globalisering lokale tradities en identiteiten verdringt,
waardoor culturele homogenisering kan ontstaan.
Q7. Wat betekent sociale mobiliteit?
a) De mate waarin mensen binnen een samenleving gebruik maken van sociale media
b) De mogelijkheid om van sociale klasse te veranderen
c) De hoeveelheid transport in een samenleving
d) Het percentage jongeren in een samenleving
, Antwoord: b.
Sociale mobiliteit betekent dat men kan stijgen of dalen op de sociale ladder.
Q8. Welke term past bij het idee dat de sterkste bedrijven overleven in de economie?
a) Solidariteit
b) Sociaal contract
c) Survival of the fittest
d) MVO
Antwoord: c.
Het darwinistische principe wordt vaak gebruikt als metafoor voor concurrentie in de markt.
Q9. Wat is een voorbeeld van secundaire socialisatie?
a) Ouders leren een kind beleefdheid
b) Een school leert een kind discipline
c) Een kind leert taal via zijn familie
d) Een jongere leert waarden van zijn grootouders
Antwoord: b.
Secundaire socialisatie gebeurt via formele instellingen zoals school en werk.
Q10. Wat is de rol van vakbonden in de samenleving?
a) Alleen beschermen van werkgevers
b) Beïnvloeden van politiek beleid