WINST UIT ONDERNEMING ......................................................................................................................... 2
WINSTTOEREKENING ................................................................................................................................................. 2
Force of attraction........................................................................................................................................... 2
Winsttoerekening vaste inrichting .................................................................................................................. 2
Financiering van deelneming .......................................................................................................................... 2
Financiering van vaste inrichting .................................................................................................................... 2
Verschillen tussen bijdrage- en aftrekwinst .................................................................................................... 4
Fantoom-winsten ............................................................................................................................................ 5
INKOMSTEN UIT ONROERENDE ZAKEN ........................................................................................................ 7
NATIONALE HEFFINGSMOGELIJKHEDEN .......................................................................................................................... 7
Inwoner ........................................................................................................................................................... 7
Niet-inwoner ................................................................................................................................................... 7
REIKWIJDTE ART. 6 OESO MODELVERDRAG .................................................................................................................. 7
VERDELINGSWIJZE ART. 6 OESO MODELVERDRAG.......................................................................................................... 8
VERDRAGSBEGRIPPEN ................................................................................................................................................ 8
Ficties............................................................................................................................................................... 8
DIVIDEND................................................................................................................................................. 10
NATIONALE HEFFINGSMOGELIJKHEDEN ........................................................................................................................ 10
Inwoner ......................................................................................................................................................... 10
Niet-inwoner ................................................................................................................................................. 10
, Winst uit onderneming
Winsttoerekening
Force of attraction
Stel er is een Nederlandse broodbakkerij, een BV. Deze bakkerij heeft activiteiten in Duitsland en daar
ook een eigen bakkerij. Alleen in Nederland worden croissants gebakken, niet in Duitsland. De
croissants worden in Duitsland verkocht via supermarkten aldaar. De opbrengst behaald met de
verkoop van de croissants in Duitsland worden dus niet gerealiseerd door middel van de vaste
inrichting in Duitsland. Dit brengt met zich mee dat die winsten niet ter heffing zijn toegewezen aan
Duitsland force of attraction. De winsten die de vaste inrichting zelf maakt worden belast in
Duitsland en Nederland dient daarvoor voorkoming te geven.
Stel dat de BV een Duitse vennootschap heeft overgenomen, een GmbH die een bakkerij heeft voor
croissants. Dan is de deelneming in de GmbH en de dividenden daaruit niet zonder meer toerekenbaar
aan de Duitse vaste inrichting. Dit kan alleen als de deelneming in de GmbH dienstbaar is aan de vaste
inrichting effectively connected. Als dit niet het geval is, horen de winsten thuis bij de BV (hoofdhuis)
geen force of attraction.
Winsttoerekening vaste inrichting
Voor de berekening van de winst die toerekenbaar is aan de vaste inrichting zijn er twee methodieken:
• Winstsplitsing (indirecte methode) | De onderneming wordt opgesplitst en daarmee ook de
winst. Dit kan worden gedaan op basis van een verdeelsleutel. Die verdeelsleutel kan zien op
verschillende factoren, zoals omzet, loonsom of een combinatie van beide.
• Ondernemingssplitsing (directe methode) art. 7 lid 2 OESO Modelverdrag | In dit geval
wordt de vaste inrichting als zelfstandig aangemerkt door te doen alsof deze activiteiten in een
aparte vennootschap zitten zelfstandigheidsfictie. In dat geval moet je kijken wat in
Duitsland zou worden gerealiseerd door die zelfstandige onderneming. Zo zijn er dus twee
ondernemingen binnen de BV.
De OESO heeft voor de ondernemingssplitsing gekozen. De Europese Commissie stelt echter voor om
de winstsplitsing te gebruiken voor de CCCTB, want voor de CCCTB wordt het gehele concern in
aanmerking genomen en niet de losse entiteiten.
Financiering van deelneming
Er wordt in eerste instantie aangesloten bij de juridische werkelijkheid. Stel een civielrechtelijke
dochter heeft aandelen uitgegeven. Hier is kapitaal op gestort. Dit vormt het eigen vermogen. De
moeder kan ook een lening verstrekken aan haar dochter. Die lening wordt niet aangemerkt als lening
in het geval van een deelnemerschapslening, een schijnlening of een bodemlozeputlening. In dat geval
wordt dus niet meer aangesloten bij de civielrechtelijke presentatie.
In beginsel heb je de vrije keuze hoe je een deelneming financiert. Voor zover het vreemd vermogen
betreft, dient de rente die daarop wordt betaald zakelijk te zijn (art. 9 OESO Modelverdrag).
Financiering van vaste inrichting
Civielrechtelijk is een vaste inrichting niets, dus hier wordt juist fiscaalrechtelijk naar gekeken.
Civielrechtelijk kan er geen lening worden verstrekt, want dit is een lening aan jezelf. Fiscaalrechtelijk
moet de vaste inrichting echter als zelfstandig worden beschouwd.
Er is een beperkte keuzevrijheid ten aanzien van de financiering met eigen vermogen of vreemd
vermogen.
2