Wat besturen macro-economen?
De economie als geheel. (van een land, regio of de gehele wereld) Veel
macro-economische modellen zijn micro-economisch onderbouwd.
Endogene variabele: Wordt binnen het model bepaald
Exogene variabele: Wordt buiten het model bepaald: binnen het model wordt deze als
gegeven beschouwd.
● Gebeurtenis (bv economische schok of beleidsmaatregel)
- Meestal verandert dan één van de exogenen
- Ceteris paribus aanname: alle andere exogenen blijven hetzelfde
- Analyse: wat gebeurt er met de endogene variabelen
Een economisch model is oplosbaar als er evenveel modelvergelijkingen zijn als
endogene variabelen.
Nominale variabelen: uitgedrukt als een bedrag
Reële variabelen: uitgedrukt in eenheden goederen bij constante prijzen = nominaal
gecorrigeerd voor prijzen of prijsveranderingen
Model dat wordt gebruikt hang af van de vraag:
● Is internationale handel belangrijk? (open/gesloten)
● Willen we effect op korte of lange termijn? (rigide/ flexibele prijzen)
● Welke variabelen kunnen veranderen, welke variabelen kunnen we vastzetten
(endogeen/ exogeen)
Hoofdstuk 2
Belangrijke macro-economische grootheden:
● BBP→ basis voor bereken van economische groei, veel wordt uitgedrukt als %
van het BBP
● Inflatie→ basis voor bereken van koopkracht, belangrijk voor de rente die de
centrale bank vaststelt
● Werkloosheid→ belangrijk voor de welvaart van een land, hoge werkloosheid
kan tot sociale problemen leiden
BBP: waarde van wat in een bepaald gebied wordt geproduceerd in een bepaalde
periode
- Binnen de landsgrenzen, dus incl. Wat door buitenlandse bedrijven in NL wordt
geproduceerd
- Voorbeeld van een stroomgrootheid: gemeten over een bepaalde periode
,Bestedingen= inkomen
-Bij elke transactie is er een koper en verkoper, besteding van koper= inkomen van
verkoper.
- De totale bestedingen aan in NL geproduceerde goederen en diensten moet dus gelijk
zijn aan het totale inkomen uit verkoop van die goederen
- Som van alle uitgaven aan geproduceerde goederen en diensten=waarde van de
productie van alle finale goederen en diensten= totale inkomen
Meting BBP
3 manieren
1. Som van de finale bestedingen (perspectief van de eindgebruikers)
2. Som van de toegevoegde waardes (perspectief binnenlandse producenten)
3. Som van de inkomens (perspectief van de ingezette productiefactoren)
1. BBP= som finale bestedingen
- Totale waarde van de verkoop van alle goederen en diensten in
binnenland
- Bevat niet de verkoop van grondstoffen en halffabrikaten (dubbeltelling
voorkomen)
- Waarde van de geïmporteerde halffabrikaten aftrekken van de finale
bestedingen om tot eindantwoord te komen
Uitgavenkant bestaat uit BBP=Y= C+I+G+X-IM = C+I+G+NX
NX= netto export= X-IM
Consumptie: alle goederen en diensten die door huishoudens wordt aangeschaft.
Investeringen: 1. Bestedingen aan kapitaal. 2”bestedingen aan goederen voor
toekomstig gebruik (vaste activa van ondernemingen, woning, voorraden)
G overheidsbestedingen: alle bestedingen van de overheid aan goederen en diensten.
(omvat niet de inkomensoverdrachten zoals uitkeringen, is geen besteding aan
producten of diensten)
NX Export-import
Y=bbp
De inkomensidentiteit is dus Y=C+I+G+NX
2. Som van de toegevoegde waardes
Toegevoegde waarde is gelijk aan: waarde van de productie - waarde van grondstoffen
en halffabrikaten gebruikt om de goederen en diensten te produceren
, 3. Som van de inkomens van productiefactoren
- Lonen en salarissen → Productiefactor arbeid
- Inkomen van zelfstandigen
- Huur- en pachtopbrengsten particulieren
- Netto renteontvangsten particulieren
- Bedrijfswinsten
Bruto nationaal inkomen: totale inkomen verdiend door nederlandse ingezetenen
zowel binnen als buiten de landsgrenzen = inkomen verdiend door Nederlandse
productiefactoren
→ Verschil BNI-BBP= ‘saldo primaire inkomens’
= factorbetalingen ontvangen uit buitenland- factorbetalingen gedaan aan buitenland
Andere begrippen:
● Nationaal Inkomen = BBP-afschrijvingen
● Beschikbaar inkomen
= nationaal inkomen
- inkomstenbelasting
- sociale premies
- bedrijfsbelastingen
- ingehouden winsten van bedrijven
+ uitkeringen
Kritiek op BBP:
● meet niet alle productiviteit ( onbetaald werk, zwart werk)
● meet niet de verandering in natuurlijk kapitaal
● laat niet zien hoe ongelijk het inkomen is verdeelt
● meet niet het welzijn
Nominaal en Reëel BBP
Wat we hebben besproken ging over het nominaal BBP (meet deze waarde op basis
van actuele prijzen)
Reële BBP: Gebaseerd op constante prijzen (bepaald vanaf basisjaar)
● Verandering in nominaal BBP kunnen het gevolg zijn van prijsveranderingen en
verandering van het productievolume
, ● Veranderingen in het reële BBP zijn vaak gevolg van verhindering in
productievolume →Producten waarvan de prijs in het basisjaar hoog is tellen
zwaarder mee.
Productiefactoren (inputs) en output
● Kapitaal K (machines, gebouwen etc. = Fysiek kapitaal)
● Arbeid L (inspanningen van arbeiders = Human capital)
De productiefunctie Y = A·F(K, L)
● Laat zien hoeveel output Y de economie kan produceren met bepaalde
hoeveelheid K en L
● Y is dus het reële BBP
● A staat voor de stand van de technologie
Aanname 1: A=1 en verandert niet (tenzij vermeld)
Aanname 2: constant returns to scale
Returns to scale (schaalopbrengsten)
● Initieel Y1= F(K1, L1)
● Als alle andere productiefactoren worden vermenigvuldigt met een factor Z (bv
Z=1,5, dus alle inputs 50% omhoog)
● wat gebeurt er dan met output?
Aannames van het klassieke model (de economie op lange termijn )
Aanname 3: de omvang van de kapitaalgoederenvoorraad is gegeven:
Aanname 4: het arbeidsaanbod (aantal uren werk) is gegeven
In dit model zijn A, K en L dus exogeen, maar Y is endogeen
Aanname 5: Beide productiefactoren worden volledig benut (op lange termijn !)
→ De omvang van de productie op lange termijn hangt af van de stand van techniek en
de inzet van productiefactoren
→ Dit betekent dus dat Y op lange termijn gelijk is aan de productiecapaciteit
→ Y wordt dus niet beïnvloed door hoeveel vraag er is naar producten, dus niet door C,
G, I, NX!