H4 Fysiologie van de zwangerschap
4.1 Inleiding
Bevruchting eicel (conceptie) embryonale periode (t/m 8e week) foetale periode (tot
geboorte) geboorte (gem. 38 weken na conceptie)
In de embryonale periode krijgt het individu zijn definitieve vorm (morfogenese) en worden
de structuren en organen aangelegd (organogenese). In de foetale periode vindt er
voornamelijk rijping en groei plaats.
4.2 Conceptie en implantatie
Gewone lichaamscellen bevatten 46 chromosomen: 22 paar autosomen en 1 paar
geslachtschromosomen (vrouw=XX, man=XY). Geslachtscellen bevatten 23 chromosomen:
1 chromosoom van elk van de 22 paren chromosomen en 1 geslachtschromosoom. De
halvering van het aantal chromosomen voor de geslachtscellen komt tot stand door
reductiedelingen (meiose).
Na de ovulatie komt de eicel door peristaltiek en trilhaarslag in de eileider terecht, waar ong.
12 uur na de ovulatie bevruchting kan plaatsvinden. Ong. 24 uur na de conceptie begint de
zygote zich te delen d.m.v. mitose, er ontstaat een klompje cellen (morula). D.m.v. de
peristaltiek en trilhaarslag wordt de zich delende zygote voortbewogen in de richting van de
uterusholte (hier komt het 5-6 dagen na conceptie aan, waarna het blastocyste heet). De
cellen aan de buitenkant worden trofoblast genoemd (hieruit groeit de placenta), binnenin
worden de cellen embryoblast genoemd (hieruit groeit de embryo). De trofoblastcellen
produceren een enzym, wat een wond in de wand maakt, waardoor de blastocyste zich in de
endometrium (=baarmoederslijmvlies) kan nestelen. Implantatie (= innesteling) is na ong. 10
dagen voltooid. De cellen van de trofoblast hebben zich vermeerderd tot een dikke laag:
chorion. In het chorion vormen zich holtes (=lacunae) met moederlijk bloed en weefselvocht.
De trofoblastcellen komen in contact met het moederlijk bloed en kunnen voedingsstoffen en
zuurstof aan het bloed en weefselvocht onttrekken. Het syncytiotrofoblast vormt HCG
(hormoon), waardoor de zwangerschap met een zwangerschapstest aangetoond kan worden
4.3 De embryonale periode: morfogenese en organogenese
Het embryo
In het embryoblast ontstaan 2 holtes: de amnionholte en de dooierzak. Daartussen bevindt
zich een kiemschrijf waarin 3 cellagen differentiëren (toenemende specialisatie van cellen,
die weefsels en organen gaan vormen).
Vanaf 18e dag vormt er een neurale groeve, rond de 28e dag moet de neurale buis gesloten
zijn (anders spina bifida=open rug). Aan 1 kant van neurale buis stulpen hersenblaasjes uit,
de rest vormt het toekomstig ruggenmerg. Vanaf ong. 24 dagen bevatten de vaten
bloedcellen en klopt het nog primitieve hart. De primitieve darmen worden gevormd en het
embryo heeft een buisvormige structuur en zit met de dooierzak aan de trofoblast vast (groeit
uit tot de navelstreng). Vanaf de 21e dag vormen zich buisjes en kanalen die uiteindelijk
uitgroeien tot de nieren en urinewegen. De aanleg verloopt in 3 fasen:
1. Pronephros: aan beide zijden van de wervelkolom vormt zich een buis (gang van
Wolff) die uitmondt in het einde van de darm en die als afvoerbuis wordt gebruikt
voor de volgende fase.
2. Mesonephros: geslachtsklieren worden gevormd. Er wordt een 2e buis gevormd
(gang van Müller) bij man: buizen van Wolff ontwikkelen zich tot afvoerbuis van
de testis, buizen van Müller degenereren.
bij vrouw: buizen van Wolff degenereren, buizen van Müller
vormen tubae, uterus, cervix en het bovenste deel van de
vagina.
3. Vanaf ong. dag 35 worden nieren en ureters gevormd. De blaas en de urethra
ontstaan (en bij de vrouw ook nog het onderste deel van de vagina).