Hoofdstuk 1: Inleiding
Taalstimulering in de voor en vroegschoolse educatie (VVE)
Veel verschil in niveau tussen kinderen. Voornamelijk: Kinderen uit lagere sociaal-economisch milieus
en autochtone achterstandsleerlingen. Dit moet vroeg bestreden worden.
Eerst: VVE Methodes Piramide en Kaleidoscoop. Te weinig aandacht voor taalstimulering.
Daarna ontwikkelde Expertisecentrum Nederlands en Sardes de Taallijn VVE. VVE heeft een positief
effect op de taalontwikkeling en de cognitieve ontwikkeling van kinderen in achterstandsituaties.
De taallijn voor peuters
Het Expertise centrum Nederlands werkt sinds 1996 in opdracht van het Ministerie van OCW aan de
verbetering van het taalonderwijs op Nederlandse basisscholen.
Gestart met projecten: woordenschat, mondelinge communicatie en geletterdheid.
Heeft niet de bedoeling de peuterspelzaal werk te verschoolsen, maar el is het nodig dat
peuterspeelzalen gericht aandacht besteden aan interactieve taalsimulering bij
ontwikkelingsactiviteiten.
Materialen van taallijn voor peuters:
3 cd-roms.
Een aantal werkwijzen en schoolingsmodules
Het boek: Peuters interactief met taal.
Studenten leren tijdens hun opleiding al de principes van Taallijn toe te passen, zodat ze dit al voor ze
aan het werk gaan beheersen.
Taallijn VVE is in diverse VVE-programma’s verwerkt, waardoor er in deze programma’s meer
aandacht is voor interactieve taalinstructie.
De taallijn voor het basisonderwijs
Taalstimulering is het meest effectief wanneer er sprake is van een doorgaande lijn. Dus de
stimulering die in de peuterspeelzaal begint moet voortgezet worden in het basisonderwijs. Daarom
heeft de Taallijn ook voor de onderbouw een gevolg: voor groep 1, 2 en de eerste helft van groep 3
en in het bijzonder voor kinderen met een taalachterstand.
Daarna Taallijn van groep 3 en 4 ontwikkeld, daarna verder doorgetrokken en uitgebouwd tot een
integralen aanpak voor het hele basisonderwijs.
De Taallijn sluit nauw aan bij de principes voor interactief taalonderwijs op de aisisschool die het
Expertisecentrum Nederlands al eerder formuleerde. De speerpinten van de Taallijn komen voort uit
de projecten: Geletterdheid, mondelinge communicatie, woordenschat, kinderen volgen in
interactief taalonderwijs en ICT en MILE. Dit wordt aangeboden in de activiteitencycli van Taallijn.
Activiteitencycli: Werkwijze waarbij rondom een thema een reeks van interactieve, talige activiteiten
wordt uitgevoerd in een periode van ongeveer drie weken. Het bestaat uit 5 fasen, waarin de
speerpunten op een gestructureerde, evenwichtige manier aan bod komen.
,De Taallijn wil jonge kinderen op speelse wijze ervaringen laten opdoe met talige activiteiten rondom
de volgende vijf speerpunten:
1. Mondelinge taal
2. Werken aan woordenschat
3. Beginnende geletterdheid
4. ICT en multimedia
5. Ouderbetrokkenheid.
PIT: Programma Interactief Taalonderwijs. Binnen authentieke context wordt er gewerkt aan
deelgebieden van interactief taalonderwijs: boekoriëntatie, woordenschat, verhaalbegrip,
taalbewustzijn en functioneel schrijven.
Het fonologisch bewustzijn maakte bij kinderen die deelnamen aan PIT een sterkere ontwikkeling
door dan bij kinderen die niet deelnamen. De grafeemkennis groeide en zo begonnen ze dus beter
voorbereid aan hun leesproces.
Hoofdstuk 2: Interactief taalonderwijs
Pijlers van interactief taalonderwijs
Betekenisvol leren: Activiteiten die voor kinderen belangrijk en zinvol zijn. Ze leren het beste
taal in levensechte situaties, die betekenis voor hen hebben en hen aanspreken. Ze willen
iets leren wat je kunt gebruiken in het dagelijks leven. Betekenisvol leren lukt het beste in
authentieke en rijke leersituaties, waarin de kinderen zelf kunnen experimenten met diverse
materialen. Actief proces.
Voorbeeld: Prentenboek met opdracht, huishoek met thema/rollenspel en onderzoek doen in
ontdekhoek.
Sociaal leren: Leren in interactie(taalgebruik en taalbegrip) met anderen. Kinderen leren taal
begrijpen en gebruiken door gesprekken met ouders, leerkrachten en andere kinderen. Ook
leren ze de mogelijkheden van gesproken en geschreven taal door het voorbeeldgedrag van
leerkrachten en ouders. Minder taalvaardige leerlingen leren van de meer taalvaardige
leerlingen. Maar ook andersom: meer taalvaardige leerlingen leren door uitleg te geven aan
de minder taalvaardige leerlingen.
Voorbeeld: gesprek in kleine kring.
Strategisch leren: Kinderen leren om zelf problemen op te lossen. Ze leren methodes en
strategieën die ze ook in andere situaties kunnen gebruiken. Wanneer kinderen een actieve
rol vervullen tijdens taal, zijn zij beter in staat om hun eigen leerproces te sturen en leren ze
succesvoller.
Doordat volwassenen voordoen en verwoorden hoe bepaalde talige activiteiten het beste
kunnen worden uitgevoerd. Worden kinderen zich bewust van hun eigen taalgebruik.
Voorbeeld: Dezelfde stappen doorlopen bij bijvoorbeeld een prentenboek voorlezen. Zo weten
de kinderen na verloop van tijd wat ze moeten verwachten en kunnen ze meedoen.
Strategieën om de betekenis van een woord te achterhalen of het verhaal aan de hand van
de illustraties.
Taalinstructie in balans
Interactief taalonderwijs gaat uit van een balans tussen constructief en instructief leren, oftwel:
leerling- en leerkrachtgestuurd leren. Kinderen bouwen samen met anderen hun eigen kennis op en
ontwikkelen zelf strategieën. Ze worden hierbij ondersteund door instructie en uitleg van de
leerkracht.
, Constructief: De leerkracht fungeert als coach, waarbij hij/zij de leerlingen stuurt bij het kiezen en
uitvoeren van zinvolle activiteiten. Het is dan een actief en constructief proces. Hier bouwen de
kinderen zelf aan hun kennis en ontwikkelen hierbij strategieën.
Instructief leren: de leerkracht heeft de leiding en bedenkt zelf opdrachten die de leerlingen gaan
doen. Vaak gevolgd door instructie.
Directe instructie en oefenvormen
Onderwijzen niet zo zeer overdragen van informatie, maar meer uit het creëren van zinvolle
leersituaties en in het begeleiden en sturen van leerlingen. Er is wel instructie binnen de fase van het
beginnend technisch leesonderwijs: directe instructie, bedoeld om de elementaire lees- en
spelhandeling onder de knie te krijgen en deze vervolgens te automatiseren.
Oefeningen: Bedoeld om bij individuele leerlingen of kleine groepjes leerlingen bepaalde
vaardigheden te laten inslijpen.
Deze instructie en oefenvormen dienen wel in een betekenisvolle context gegeven te worden, om te
voorkomen dat kinderen lezen als een louter technische vaardigheid gaan zien, i.p.v. communicatief
doel.
Dit heeft vooral baat bij anderstalige kinderen. Dergelijke gestructureerde aanpakken zijn voor hen
van belang om hen in staat te stellen eenmaal opgelopen taalachterstanden te verwerken.
Ankers en routines
Activiteiten komen voort uit zowel ankers als routines.
Anker: Een betekenisvolle startsituatie voor taalleren (gemeenschappelijke beginsituatie). Het anker
spreekt de kinderen aan, roept vragen op, maakt het nieuwsgierig en motiveert de kinderen om
meer over het onderwerp te weten te komen. Het is een motiverende attractiviteit waaraan andere
activiteiten gekoppeld kunnen worden die inhoudelijk verbonden zijn aan het anker. Hier wordt vaak
naar teruggegrepen. Voorbeeld: een bijzonder prentenboek, een verhaal een excursie, een film of een
nieuwsitems.
Ankergestuurd leren: Inbreng van kinderen speelt belangrijke rol. De activiteiten die naar aanleiding
van het anker worden gedaan, komt uit leerkracht, maar kan ook voortkomen uit de interesses en
ideeën van de kinderen.
Routines: Betekenisvolle activiteiten die iedere dag of iedere week terugkomen en kunnen aanzetten
tot communicatie.
Dagritmekaarten.
Een verjaardag.