donderdag 5 september 2024 10:37
cognitieve ontologie = systematische indeling van cognitieve functies
➢ functie: standaardiseren
○ MAAR verschillende termen voor eenzelfde proces
○ MAAR dezelfde term voor verschillende processen
○ gevolg: miscommunicatie > meta-analyse met verkeerde effecten
was de cognitieve ontologie als vroeger hetzelfde als nu?
➢ nee, want nu is onze kennis veel breder > hersenscantechnieken > meer onderzoek
➢ ja, want vroeger wisten we nog niet alles, maar onze cognitieve functies waren hetzelfde
natural kinds: ''dingen'' die zonder de mens ook zou bestaan: een boom, planeten
➢ wij hebben niet bepaald wat deze dingen zijn
human kinds: ''dingen'' waar die zonder de mens niet zou bestaan: democratie, onrechtvaardigheid
➢ wij hebben bepaald wat die dingen zijn
Danziger: cognitieve termen zijn geen natural kinds
expliciete theorieën: passen we aan als gevolg van empirisch bewijs
impliciete theorieën: doordat we bepaalde concepten gebruiken, sluiten we aan bij theoretische
aannames die daarbij horen
➢ gaan vooraf aan onderzoek > kunnen niet empirisch getest worden
➢ definiëren wat we gaan onderzoeken
Danziger: de cognitieve ontologie is niet zo objectief/natuurwetenschappelijk als we denken
mapping = zoeken naar correspondenties tussen hersenactiviteit en cognitieve functies
➢ waar/wanneer vinden cognitieve processen plaats in het brein (kaart maken)
➢ basis van psychobiologie
frenologie = relateren van kenmerken schedel aan mentale eigenschappen
➢ doet fMRI/EEG/MEG niet hetzelfde als frenologie?
psychobiologen zeggen: om cognitie/gedrag te verklaren moeten we psychologie mappen op biologie
aannames mapping strategie
1. one-to-one mapping: elk hersengebied heeft één unieke functie; elk gebied heeft andere functie
➢ werkelijkheid: nee, wirwar aan correspondenties (many-to-many mapping)
➢ een hersengebied correspondeert vaak met meerdere cognitieve functies
➢ cognitieve functies corresponderen met meerdere hersengebieden
gevolg: bemoeilijkt interpretatie neuro-data
➢ reverse inference: activiteit in FFA, dus diegene heeft een plaatje gezien
○ maar one-to-one mapping klopt niet dus geldt niet!
➢ forward inference: plaatje = oorzaak activiteit FFA
2. cognitieve ontologie staat vast/modularity of mind: er bestaan meerdere, vaststaande cognitieve
categorieën
oplossing: cognitieve categorieën/hersencategorieën aanpassen
➢ algemener maken van categorieën, geen specifieke functies
○ bv. de FFA heeft als functie integreren van zintuiglijke en motorische informatie
➢ in neurotermen
○ bv. niet taal & geheugen maar mathematische signaaltransformatie
➢ neurowetenschappelijke data
○ voorspellingen > verwachting & beperking
3. modularity of brain: het brein bestaat uit afgebakende gebieden
➢ gelokaliseerde laesies/Phineas Cage die weinig cognitieve veranderingen had
➢ default mode network: meerdere hersengebieden actief in resting state > kunnen beter kijken
naar netwerken
4. directe cognitie-brein relatie: cognitieve functies zijn te vinden in het brein
➢ dus: natural kinds > terug te vinden in hersenen > Danziger: nee
➢ gedragstaken om link te kunnen leggen tussen cognitieve ontologie en brein
○ operationalisatie: niet-observeerbare cognitieve functies moeten geoperationaliseerd
worden om gemeten te worden
○ dus: definiëren van cognitieve constructen > maar geen standaardregels > meten al die
taken wel hetzelfde?
DUS: zijn cognitieve functies te vinden in het brein?
➢ zijn het wel natural kinds?
➢ hoe operationaliseren we dat? > nog niet gestandaardiseerd
Nieuwe sectie 1 Pagina 1
, hc2 hoe komen wetenschappers aan kennis 11/9/24
donderdag 5 september 2024 11:07
wetenschappelijk onderzoek wordt uitgevoerd door middel van de empirische cirkel
waarneming: ''als ik een raaf zie is die eigenlijk altijd zwart''
inductiefase → specifieke situatie naar algemene situatie (concreet naar abstract)
onderzoekshypothese: ''alle raven zijn zwart''
deductiefase → algemene situatie naar specifieke situatie (abstract naar concreet)
voorspelling: ''van de 100 geobserveerde raven zullen er 100 zwart zijn''
toetsingsfase → met materiaal en methode
resultaten: ''10 van de 100 raven was wit''
observatie → specifiek
➢ een handeling om te zien dat iets het geval is, zonder gebruik te maken van theorieën of
andere veronderstellingen
➢ ''een walvis is gestrand in de baai''
➢ empirisme = zintuiglijke ervaring als enige betrouwbare bron van kennis van werkelijkheid
(wetenschappelijke) theorie → algemeen
➢ een goed onderbouwd wetenschappelijk principe dat een verklaring geeft voor een scala
aan verschijnselen
➢ kan worden gerechtvaardigd door waarnemingen, maar niet rechtstreeks vastgesteld
➢ ''alle walvissen zijn zoogdieren''
➢ rationalisme = de rede als enige betrouwbare bron van kennis van werkelijkheid
wetenschappelijk redeneren
deductie = conclusie volgt onvermijdelijk uit een aantal veronderstellingen (premissen) →
waarheid van premissen garandeert waarheid van de conclusie
➢ alle zwanen zijn wit → Daisy is een zwaan → dus Daisy is wit
➢ maar: hoe weten we zeker dat de premissen waar zijn?
➢ geen nieuwe wetenschappelijke kennis → kennis zit besloten in wat we al wisten → is het wel
echt nieuwe kennis?
inductie = afleiden van algemene wetten uit specifieke observaties → waarheid
observaties/premissen leidt niet noodzakelijk tot waarheid van conclusie
➢ Daisy & … & … is een zwaan en is wit → alle zwanen zijn wit
➢ maar: conclusie kun je niet met zekerheid bewijzen, tenzij je alle zwanen hebt gezien
○ voordeel: inductie leidt potentieel tot kennisgroei → waardevolle informatie
abductie = redeneren vanuit data naar een theorie of hypothese die data verklaart = inference to
the best explanation (IBE) → best guess
➢ alle zwanen zijn wit → Daisy is wit → dus Daisy is een zwaan
➢ niet-deductief en niet-inductief
➢ maar: hoe beslissen welke van de hypothesen de beste verklaring is voor de data? →
simplicity (eenvoud) → onzekere aard
○ voordeel: met weinig data kun je tot nieuwe inzichten komen
wetenschappers maken het meest gebruik van inductie
➢ maar wanneer kun je goed inductief redeneren?
○ als je veel observaties hebt gedaan
○ als je observaties hebt gedaan onder veel verschillende omstandigheden
het inductieprobleem
Popper: inductie kan niet gerechtvaardigd worden, maar dat hoeft ook niet omdat inductie in
de wetenschappelijke groei van kennis geen rol speelt Hume: het gebruik van inductie kan niet rationeel gerechtvaardigd worden
➢ falsificatie: je kunt met zekerheid bewijzen (deductie) dat een theorie niet waar is als je ➢ inductieve redenatie is alleen geldig als we uniformiteit van
een tegenvoorbeeld vindt (zwarte zwaan) natuur/ruimte aannemen → en dat is geen gerechtvaardigde aanname
➢ deductief maken van een inductieve redenering: ○ uniformiteit: als vandaag iets zo gebeurt, gebeurt het morgen ook
○ Daisy is een zwaan en is wit → Doris is een zwaan en is zwart → niet alle zwanen nog op → vandaag komt de zon op, dus morgen ook
zijn wit ○ dus: inductie kun je alleen gebruiken als je ervan uitgaat dat
➢ dus Popper: deductie = falsificatie dingen hetzelfde blijven als ze tot nu toe waren
➢ falsificeerbare theorie = een theorie die weerlegd kan worden door een
observatie/experiment
wat biedt falsificatie? → gevolg/consequenties
4. mate van falsificeerbaarheid als maat voor kwaliteit van theorie
1. oplossing voor het inductieprobleem
➢ sommige theorieën zijn makkelijker te falsificeren dan andere → hoe specifieker
de theorie, hoe makkelijker → hoe meer falsificeerbaar → hoe beter de theorie
2. falsificatie kun je gebruiken als doel voor de wetenschap
➢ als een experiment om de theorie te falsificeren is er geen sprake van
Popper: wetenschappers zijn niet bezig met inductie (laten zien dat theorieën correct zijn)
verificatie/conformatie, maar van corroboratie: theorie wordt versterkt
➢ enige wat wetenschappers met zekerheid kunnen zeggen is dat een theorie
○ dus: falsificeerbaarheid is testbaarheid
gefalsificeerd is (of nog niet) → wetenschappers zijn kritisch
➢ Propper: ad-hoc aanpassingen = zwakte
➢ wetenschappers zijn niet bezig met bewijzen, maar met weerleggen
○ ad-hoc aanpassing = aanpassing die alleen bedoeld is om theorie te
○ maar: we kunnen dus nooit met zekerheid zeggen dat een theorie waar (maar
beschermen van falsificatie (zodat je niet je hele theorie weg hoeft te
wel steeds dichter bij de waarheid)
gooien)
3. demarcatiecriterium voor wetenschap en pseudowetenschap ○ wetenschapper: het ligt niet aan mijn theorie, maar aan de onderzoeksopzet
➢ falsificatie biedt onderscheid tussen wat wel en niet wetenschappelijk is ○ Propper: daarmee boekt wetenschap geen voortuitgang
➢ Popper: een theorie is wetenschappelijk als deze weerlegd kan worden
➢ Popper: pseudowetenschap is een theorie die niet gefalsificeerd kan worden, omdat 5. wetenschap als een kritische activiteit in een open samenleving
het manieren vindt om tegenstrijdig bewijs te omzeilen ➢ dogmatiek: het altijd vasthouden aan overtuigingen/theorieën zonder open te
○ gevolg: theorieën moeten op een zo kwetsbaar mogelijke manier geformuleerd staan voor kritiek/bewijs/aanpassing
worden ➢ Wiener Kreis (logisch empirisme): logisch waterdichte redeneringen + empirische
○ theorieën moeten leiden tot risicovolle voorspellingen observaties
➢ Popper: blijvend besef met onzekerheid voorkomt juist dogmatiek → wetenschap
moet open zijn voor nieuwe ideeën en kritisch op waarheden
probleem falsificatie: onderdeterminatie
➢ theorie is ingebed in netwerk van aannames/achtergrondkennis/geaccepteerde theorieën
Nieuwe sectie 1 Pagina 2