maandag 8 januari 2024 14:08
h1 inleiding 19e eeuw (Wilhelm Wundt)
➢ introspectionisme: bewust denkprocessen, het
cognitieve psychologie (ofwel psychonomie, functieleer, experimentele psychologie) onderzoeken van je eigen gedrag
verwerken van informatie gebreken
➢ vergaren van informatie ➢ enkel getrainde personen
➢ opslaan van informatie ➢ geen mogelijkheid tot onderzoek dieren
➢ ophalen van informatie ➢ introspectie interfereert (''hoe bereken jij 27+17?'')
historisch overzicht test die nog gebruik maakt van introspectionisme:
Plato zegt kennis volmaakt vóór geboorte maar wordt vergeten bij geboorte dus opnieuw descriptive experience sampling (DES): op willekeurige
ophalen tijdstippen horen proefpersonen een piep en dan wordt
Aristoteles zegt kennis op door ervaring (eerste empirist) gevraagd om aan te geven waar ze aan denken
17e-19e eeuw 20e eeuw: behaviorisme (tegenstander introspectionisme)
➢ empirisme: kennis door ervaring ➢ bewustzijn is niet te bestuderen
➢ associationisme: ideeën en herinneringen ontstaan door associaties ➢ alleen functionele relatie tussen input en output is
relevant
18e-19e eeuw: in deze periode gedachte experimenten (John Locke)
iemand die blind is en ineens na 30 jaar kan zien kan een bal en kubus niet uit elkaar latent leren: einde van behaviorisme
houden op zicht ➢ de muizen leren het doolhof wel zonder bekrachtiging
➢ geen translatie tussen sensorische informatie ➢ als er vervolgens dag 11 een bekrachtiging bij komt gaat
het leren ineens heel snel
cognitieve neurowetenschappen (zelf) ➢ dus hoewel er geen gedrag bekrachtigd werd bij de
HNR-R ratten hadden ze toch duidelijk iets geleerd
h2 perceptie bottom-up: zuivere transformatie van sensorische input
top-down: '' die wordt beïnvloed door cognitieve factoren (voorkennis, verwachtingen)
perceptie
waarschijnlijkheidsprincipe: de manier waarop een object wordt gezien wordt bepaald door
perceptie: onze eigen subjectieve sensorische ervaring wat het meest waarschijnlijk is gegeven onze voorkennis
van de wereld
➢ sensatie: transformatie van energie naar statistische benadering van perceptie = Bayesiaans proces, perceptie wordt bepaald door
hersensignalen ➢ 'likelihood' = de onzekerheid (interferentie, hoe meer scenes je je kan bedenken)
➢ cognitie: gebruik van mentale representaties ➢ 'prior' = kennis over percept voorafgaand aan waarneming
➢ beslissingsregel = interpretatie is afhankelijk van de taak
inverse probleem
externe wereld heeft 3 dimensies
projectie op retina heeft 2 dimensies
perceptuele systemen (zelf)
herkenning
3 modellen waarom je de letter A altijd herkent
1. pandemonium model (demoontjes)
➢ beelddemonen zijn allemaal gevoelig voor 1 segmentje
➢ kenmerkdemonen
➢ cognitieve demonen
➢ beslissingsdemonen
2. prototype theorie
object wordt bepaald aan de hand van de gelijkenis met het
beste exemplaar van die categorie sociale perceptie
3. (globale) recognition by components syndroom van capgras
objectherkenning op basis van viewpoint invariant ➢ toont aan dat herkenning gezichten groter is dan visuele systeem
features ➢ als je vanaf je geboorte hieraan lijdt kun je toch leren dat het je
het stelt dat objecten worden herkend op basis van geons moeder is zonder emotionele stimuli
die geconstrueerd zijn door vormen
➢ i.c.m. (verfijnende) image-based herkenning: je motion van biologische bewegingen te zien met puntjes
herkent enkele fragmenten van een object
herkenning visuele scenes
➢ zeer snel, maar ten koste van accuraatheid
➢ accurater na oogbewegingen
neurofilosofie en cognitieve psychologie Pagina 1
,werkgroep
heeft de hoeveelheid keren dat je een reeks moet onthouden invloed op
neurofilosofie en cognitieve psychologie Pagina 2
,hc2 cognitieve psychologie
maandag 8 januari 2024 14:08
h4 aandacht filtertheorie
aandacht: je geest wordt ingenomen door iets ➢ vroege selectie theorie: sensorisch geheugen > selectieve
➢ externe aandacht = gericht op uitwendige sensorische stimuli filter > kortetermijngeheugen
➢ interne aandacht = gericht op eigen gedachten, motivaties ○ maar, cocktail party effect: relevante stimuli wordt wel
verwacht (je hoort je naam)
Michael Posner zegt 3 aandachtssystemen die anatomisch en functioneel te ➢ late selectie theorie: sensorisch geheugen >
onderscheiden zijn kortetermijngeheugen
➢ attenuatietheorie: sensorisch geheugen > attenuatie
1. waarschuwende systeem (algemeen) (verzwakking) > kortetermijngeheugen
➢ generale arousal
➢ neurotransmitter norepinephrine ➢ load theory of attention: vroeg/laat hangt af van workload (x
bij rondjes is makkelijker te vinden dan x tussen allerlei letters)
2. oriënterende systeem (extern) = Lavie
➢ richten van aandacht op externe objecten ○ lage werkload > sneller > verwerking distractoren > late
➢ neurotransmitter acetylcholine selectie
➢ top-down (intern) en bottom-up (extern) systeem ○ hoge workload > trager > geen verwerking distractoren >
vroege selectie
3. executieve systeem (intern)
➢ neurotransmitter dopamine
aandacht in perceptie
receptief veld = visuele veld waarop een neuron reageert
resource theorie
aandacht verhoogt neurale response in visuele cortex (experiment
➢ lichtspot metafoor: aandacht 'schijnt' op een locatie in visueel beeld aap)
○ grootte lichtspot is veranderlijk, hoeveelheid aandacht verkleint bij groter ➢ stimuli waar aandacht op is gericht > versterkt
aandachtsgebied ➢ niet-geattendeerde stimuli > onderdrukt
➢ aandacht niet noodzakelijk gebonden aan visueel gebied, kan gebaseerd zijn op
object, experiment (soort Posner Cueing Task) zegt: feature integration theory
○ snellere response bij correcte cue ➢ pre-attentief proces: analyseren gehele scene en detecteren
○ incorrecte cues: snellere response als cue binnen zelfde object ligt features
➢ dubbeltaak methodiek: als 2 taken overlappen op bepaalde dimensie (visueel) ➢ gerichte aandacht: combineren verschillende features
dan is er sprake van grotere interferentie
change blindness
object-based attention ➢ niet waarnemen van verschillen bij presentatie van identieke
stimuli door
○ aandacht: selectieve aandacht op details
○ geheugen
h5 bewustzijn inattentional blindness (gorilla experiment)
zelfbewustzijn: het begrijpen van onze eigen mentale staat
qualia: subjectieve ervaring van stimuli
➢ kan je op basis van de objectieve informatie van het brein van een binocular rivalry
vleermuis de subjectieve ervaring van een vleermuis weten? ➢ verschillende prentjes linker en rechteroog, maar 1 zal bewust worden
ervaren
supraliminaal = bewust
subliminaal = onbewust global neuronal workspace theorie
➢ bewuste & onbewuste visuele stimuli geven zelfde activatie in primaire
phenominal bewustzijn = de som van delen (nog geen bewustzijn) sensorische cortex
➢ hogere sensorische gebieden = lineair
onbewust verwerking
➢ zelfs als je denkt dat je iets niet hebt gevoeld, is het vaak correct recurrent processing theorie
➢ onbewust getal (prime) beïnvloedt antwoord (evidentie onbewust ➢ feedforward sweep (bottom-up): visuele stimulus > activatie primaire
verwerking) sensorische cortex > hogere hersenregio's > geen bewuste ervaring
➢ recurrent processing (top-down): activatie wordt teruggekoppeld aan
blindsight vroegere hersenregio's > bewustzijn
➢ patiënt rapporteert niks te kunnen zien, maar ontwijkt obstakels
bewustzijn betekent aandacht
aandacht betekent niet altijd bewustzijn
metacognitie = bewust zijn van je eigen gedachten/cognitieve processen
higher-order thought theory
➢ bewustzijn is niet de primaire verwerking van informatie, maar de manier
waarop je deze verwerking beschrijft
neurofilosofie en cognitieve psychologie Pagina 3
,hc3 cognitieve psychologie
woensdag 10 januari 2024 07:57
kortetermijngeheugen
h6 sensorisch, korte termijn- en werkgeheugen
➢ tijdelijke opslag van actieve informatie
primair geheugen:
brown-peterson taak
➢ sensorisch geheugen (filter theorie Broadbent)
herinnering letters wordt slechter als afleidende taak (achteruit tellen) langer
➢ korte termijngeheugen = onthouden van informatie zoals cijferreeks
wordt
➢ werkgeheugen = manipuleren bijvoorbeeld van sommen
➢ herhaling noodzakelijk om in KTG te houden (maintenance rehearsal)
➢ naar lange termijngeheugen is diepgaande verwerking nodig (elaborate
secundair geheugen:
rehearsal)
➢ lange termijngeheugen
modal model
1. coderen van informatie = informatie omzetten in geschikte vorm
2. opslaan = bewaren van informatie voor langere periode
3. ophalen = terugvinden van relevante informatie
sensorisch geheugen
➢ grote capaciteit, maar tijdelijk dus dooft snel uit (decay)
1. iconisch geheugen: visuele informatie
➢ experiment van Sperling
○ benoem zoveel mogelijk letters ('whole report' conditie)
verlies KTG door
▪ er worden 4-5 letters gerapporteerd
➢ uitdoven (decay)
○ benoem de letters van een bepaalde rij ('partial report')
➢ interferentie (displacement): nieuwe informatie
▪ er worden 3 letters uit elke rij gerapporteerd
vergroten KTG (normaal 7 digits)
2. echoisch geheugen: auditieve informatie ➢ betekenisvolle chunks
3. haptisch geheugen: tactiele informatie
➢ beide voordeel bij partial report vrije herinneringstaak
➢ primacy effect: eerste woorden uit lijst onthoud je beter want overgezet
informatie sensorisch geheugen naar lange termijngeheugen
➢ recency effect: laatste woorden uit lijst onthoud je beter want die bevinden
➢ dooft snel uit zich nog in kortetermijngeheugen
➢ gevoelig voor verstoring (nieuwe informatie) ➢ curve = seriële pisitiecurve
backward masking taak (doelstimulus en verstorende maskering stimulus) toont aan hoe patiënt KF: schade kortetermijngeheugen, digit span van 2
gevoelig dat geheugen is ➢ was visueel beter dan auditief
➢ bij een langere tijd tussen target en mask wordt target zichtbaarder
➢ als je semantisch geheugen moet gebruiken (letters & cijfers) maakt partial of whole
niet meer uit
werkgeheugen
➢ informatie waarop je aandacht gericht is
➢ sensorisch-specifiek multi-componentenmodel voor opslag en verwerking van informatie
embedded process model
➢ model zegt dat alle geheugens in elkaar zitten (geen aparte systemen)
WG model van Baddeley in werkgeheugen
➢ sensorisch-specifieke verwerking
fonologische lus = verwerking akoestische, spraak-gebaseerde informatie
➢ fonologische opslagplaats = tijdelijke opslag (2-3 sec tenzij info wordt herhaald) visuospatieel schetsblad
➢ articulatorisch controle proces = herhaling om info te onthouden in fonologische
opslagplaats --> omzetten visuele info in akoestische vorm ''hoeveel ramen relt de voorkant van jouw woning?''
➢ verwerking visuele informatie
evidentie fonologische lus:
1. woordlengte-effect: we kunnen meer korte dan lange woorden onthouden (dus 2-3 sec) ➢ visuele cache (2-3 visuele objecten)
➢ sneller uit te spreken woorden ook makkelijker onthouden ➢ inner scribe = onderhouden van info
2. articulatorische suppressie
➢ subvocale herhaling wordt verstoord door luidop irrelevante woorden evidentie inner scribe
3. irrelevant spraak-effect ➢ brooks matrix taak
➢ spraak op achtergrond verstoort onthouden van woorden (elke taal) ○ herinnering is beter bij makkelijk te visualiseren zinnen
4. fonologisch similariteitseffect ○ voor spatiële conditie beter auditieve presentatie, voor nonsens
➢ herinnering reeks woorden die hetzelfde klinken moeilijker dan reeks woorden die conditie beter visuele presentatie
verschillend klinken ➢ pursuit rotor taak, als je rondje moet volgen maak je veel fouten bij
visueel iets
centraal executive = belangrijkste component van werkgeheugen
➢ controleert en reguleert informatie in systemen
schade frontale cortex = schade centraal executive
➢ capture errors: niet kunnen onderdrukken van automatische actie (Stroop task)
➢ perseveratie: ongewenst repetitief gedrag (Wisconsin card-sorting task)
neurofilosofie en cognitieve psychologie Pagina 4
, hc4 cognitieve psychologie
woensdag 10 januari 2024 07:57
h7 langetermijngeheugen
equipotentiality = alle delen cortex dragen evenveel bij aan complex gedrag
mass action = cortex werkt als geheel; hoe meer cortex, hoe beter
patiënt H.M.: anterograde amnesie
➢ verwijdering mediaal temporaalkwab
➢ anterograde amnesie = geen herinneringen sinds verwijdering
➢ retrograde amnesie = geen herinneringen aan voor verwijdering
○ wet van Ribot = tijdsgradiënt, meest recente herinneringen gaan het
eerst verloren (studie van Kopelman 1988, nieuwsberichten)
○ Korsakov = vitaminetekort (onomkeerbaar)
amnesie = verlies langetermijngeheugen (intact korte termijn!)
➢ vormen van leren blijven behouden: mirror-tracing taak
structuur langetermijngeheugen
niet-declaratief (impliciet) geheugen = onbewust
1. procedureel
declaratief (expliciet) geheugen = bewust
➢ skill-learning
➢ semantisch geheugen: feiten, kennis
○ vaardigheden blijven behouden bij amnesie (Clive)
➢ episodisch geheugen: gebeurtenissen
○ nieuwe vaardigheden kunnen aangeleerd worden (mirror) ○ Deese-Roediger-McDermott taak: je 'onthoudt' een woord
○ 'paralysis by analysis' = als je op een vaardigheid focust gaat het dat helemaal niet gegeven is
minder goed
➢ gewoonten: wheather forecasting task prospectief geheugen = toekomstig episodisch geheugen
○ leren op basis van herhaalde stimulus-response ➢ event-cued (door bepaalde gebeurtenis)
○ je leert wel, maar je weet niet zo goed wat je leert (impliciet) ➢ time-cued (door te kijken naar de tijd)
2. priming
➢ stimulus beïnvloedt een volgende response
➢ Hebbian learning: representaties die vaak samen geactiveerd zijn zijn sterk
met elkaar geassocieerd
3. klassieke conditionering: Pavlov
4. associatief leren: imprinting
neurofilosofie en cognitieve psychologie Pagina 5