Hoofdstuk 4 Voortplanting
Bevruchting
- Elke maand ontwikkelt zich een eicel in een van beide ovaria -> eierstokken. In twee weken tijd
groeit de cel door de opname van voedingsstoffen uit de omringende follikelcellen. Na de
ovulatie -> eisprong, komt de eicel, nog omringd door een laag follikelcellen, in de eileider. Bij
een bevruchting dringt een aantal spermacellen door die laag heen. De spermacellen bereiken
eerst een doorzichtige eiwit laag rond de eicel -> zona pellucida. Enzymen uit de spermacellen
breken die laag gedeeltelijk af, waardoor
de spermacellen de eicel kunnen bereiken.
De spermacel die als eerste succesvol
contact maakt met het celmembraan van
de eicel, levert zijn kern met DNA af.
Blaasjes in het grondplasma van de eicel
geven daarop meteen stoffen af die de
zona pellucida veranderen in een voor
andere spermacellen ondoordringbare laag -> bevruchtingsmembraan. De kern van de
spermacel en de kern van de eicel versmelten met elkaar. Daarmee is de bevruchting van de eicel
afgerond. Er is een zygote -> bevruchte eicel, gevormd.
Van zygote tot embryo
- De eerste delingen zijn klievingsdelingen -> celdelingen waarbij de dochtercellen niet groeien.
De cellen blijven allemaal binnen het bevruchtingsmembraan. Drie dagen na de bevruchting zijn
dat er 16. Het klompje cellen is
dan een blaasje -> de blastula.
Trilharen in de eileider vervoeren
die naar de baarmoeder. Een week
na de bevruchting vindt de
innesteling plaats -> het
bevruchtingsmembraan barst en
de blastula groeit het
baarmoederslijmvlies in. De
buitenkant van de blastula ->
trofoblast. Uitstulpingen hiervan vormen vlokken, die tussen de cellen van het
baarmoederslijmvlies in groeien. Via deze vlokken gaan voedingstoffen en zuurstof uit de
bloedvaten van het baarmoederslijmvlies naar de embryoblast -> een groepje stamcellen,
waaruit alle celtypen van het embryo ontstaan. Door de voeding en de zuurstof groeit het
embryo. Het embryo begint als een platte schijf -> de kiemschijf, later krijgt het een rondere
vorm. Cellen tussen trofoblast en kiemschijf vormen de hechtsteel -> het begin van de
navelstreng. Aan beide zijden van de kiemschijf ontstaat een holte. De kleinste is het
dooierblaasje met extra voeding. Hieruit ontstaan ook de eerste bloedcellen. Later neemt de
lever dat over en nog later het rode beenmerg.
, - Het dooierblaasje verdwijnt. De grotere amnionholte met vruchtwater beschermt het embryo
tegen schokken en stoten. De twee vruchtvliezen, het amnion en de chorion, omringen het
vruchtwater en groeien met het embryo mee.
Van embryo tot foetus
- In de baarmoeder ontstaat uit cellen van moeder en kind de placenta. Via de placenta kan het
embryo stoffen opnemen uit het bloed van de moeder, maar ook afvalstoffen daaraan afgeven.
Het bloed van de moeder omspoelt daartoe de met, embryonaal, bloed gevulde vlokken van het
embryo. De uitwisseling van stoffen tussen
beide bloedsomlopen gaat via de
celmembranen van de vlokken. Beide
bloedsomlopen zijn daardoor strikt
gescheiden. De navelstreng verbindt de
placenta met het kind. De navelstreng bevat
één ader en twee slagaders. Deze drie
bloedvaten zijn onderdeel van de
bloedsomloop van het embryo. Het hart van het embryo levert de druk voor het stromen van het
bloed. De navelstrengslagaders vervoeren bloed met afvalstoffen, vanuit het embryo naar de
placenta. De navelstrengader voert voedingsstoffen en zuurstof vanuit de placenta naar het
embryo toe. Na acht weken zijn alle organen aangelegd, het embryo heet nu een foetus. Soms
stopt rond dit tijdstip de zwangerschap en volgt er een spontane abortus -> miskraam.
Leefstijl
- Goede voeding is heel belangrijk bij een zwangerschap. De foetus heeft calcium, ijzer en
vitamines nodig. In deze periode is het embryo extra kwetsbaar voor medicijnen, alcohol en
drugs.
- Kinderen van rokende moeders hebben bij hun geboorte gemiddeld een lager geboortegewicht.
Ook stress en een drukke baan hebben invloed op het geboortegewicht van het kind.
Geslachtskenmerken
- Na zes weken is het geslacht van het embryo nog onduidelijk. Of embryo’s met het X- en Y-
chromosoom uitgroeien tot man, hangt af van het SRY-gen op het Y-chromosoom. Dit gen
activeert en remt een hele reeks andere genen. Daardoor ontwikkelen zich de testes uit de
geslachtsklieren en ontstaan de mannelijke primaire geslachtkenmerken.
- Bij afwezigheid van het Y-chromosoom ontwikkelt het embryo zich tot een meisje. De
geslachtklieren groeien uit tot ovaria en de vrouwelijke primaire geslachtskenmerken ontstaan.
- Mensen met het syndroom van Swyer hebben een X- en een Y-chromosoom, maar ze hebben
zich ontwikkeld als vrouw. Een van de oorzaken is dat het SRY-gen niet goed werkt. Deze vrouwen
hebben eierstokken, maar die functioneren niet.
Vrouwelijke voortplantingsorganen
- In de puberteit groeien de voortplantingsorganen van een meisje uit tot hun volwassen bouw. In
de ovaria vindt de ontwikkeling van eicellen plaats. Vanaf de puberteit tot de overgang
ontwikkelen zich elke maand in een van beide ovaria enkele follikels. Uit een van die follikels
ontwikkelt zich een rijpe eicel. Die eicel komt bij de ovulatie (eisprong) vrij uit het ovarium. Een
Bevruchting
- Elke maand ontwikkelt zich een eicel in een van beide ovaria -> eierstokken. In twee weken tijd
groeit de cel door de opname van voedingsstoffen uit de omringende follikelcellen. Na de
ovulatie -> eisprong, komt de eicel, nog omringd door een laag follikelcellen, in de eileider. Bij
een bevruchting dringt een aantal spermacellen door die laag heen. De spermacellen bereiken
eerst een doorzichtige eiwit laag rond de eicel -> zona pellucida. Enzymen uit de spermacellen
breken die laag gedeeltelijk af, waardoor
de spermacellen de eicel kunnen bereiken.
De spermacel die als eerste succesvol
contact maakt met het celmembraan van
de eicel, levert zijn kern met DNA af.
Blaasjes in het grondplasma van de eicel
geven daarop meteen stoffen af die de
zona pellucida veranderen in een voor
andere spermacellen ondoordringbare laag -> bevruchtingsmembraan. De kern van de
spermacel en de kern van de eicel versmelten met elkaar. Daarmee is de bevruchting van de eicel
afgerond. Er is een zygote -> bevruchte eicel, gevormd.
Van zygote tot embryo
- De eerste delingen zijn klievingsdelingen -> celdelingen waarbij de dochtercellen niet groeien.
De cellen blijven allemaal binnen het bevruchtingsmembraan. Drie dagen na de bevruchting zijn
dat er 16. Het klompje cellen is
dan een blaasje -> de blastula.
Trilharen in de eileider vervoeren
die naar de baarmoeder. Een week
na de bevruchting vindt de
innesteling plaats -> het
bevruchtingsmembraan barst en
de blastula groeit het
baarmoederslijmvlies in. De
buitenkant van de blastula ->
trofoblast. Uitstulpingen hiervan vormen vlokken, die tussen de cellen van het
baarmoederslijmvlies in groeien. Via deze vlokken gaan voedingstoffen en zuurstof uit de
bloedvaten van het baarmoederslijmvlies naar de embryoblast -> een groepje stamcellen,
waaruit alle celtypen van het embryo ontstaan. Door de voeding en de zuurstof groeit het
embryo. Het embryo begint als een platte schijf -> de kiemschijf, later krijgt het een rondere
vorm. Cellen tussen trofoblast en kiemschijf vormen de hechtsteel -> het begin van de
navelstreng. Aan beide zijden van de kiemschijf ontstaat een holte. De kleinste is het
dooierblaasje met extra voeding. Hieruit ontstaan ook de eerste bloedcellen. Later neemt de
lever dat over en nog later het rode beenmerg.
, - Het dooierblaasje verdwijnt. De grotere amnionholte met vruchtwater beschermt het embryo
tegen schokken en stoten. De twee vruchtvliezen, het amnion en de chorion, omringen het
vruchtwater en groeien met het embryo mee.
Van embryo tot foetus
- In de baarmoeder ontstaat uit cellen van moeder en kind de placenta. Via de placenta kan het
embryo stoffen opnemen uit het bloed van de moeder, maar ook afvalstoffen daaraan afgeven.
Het bloed van de moeder omspoelt daartoe de met, embryonaal, bloed gevulde vlokken van het
embryo. De uitwisseling van stoffen tussen
beide bloedsomlopen gaat via de
celmembranen van de vlokken. Beide
bloedsomlopen zijn daardoor strikt
gescheiden. De navelstreng verbindt de
placenta met het kind. De navelstreng bevat
één ader en twee slagaders. Deze drie
bloedvaten zijn onderdeel van de
bloedsomloop van het embryo. Het hart van het embryo levert de druk voor het stromen van het
bloed. De navelstrengslagaders vervoeren bloed met afvalstoffen, vanuit het embryo naar de
placenta. De navelstrengader voert voedingsstoffen en zuurstof vanuit de placenta naar het
embryo toe. Na acht weken zijn alle organen aangelegd, het embryo heet nu een foetus. Soms
stopt rond dit tijdstip de zwangerschap en volgt er een spontane abortus -> miskraam.
Leefstijl
- Goede voeding is heel belangrijk bij een zwangerschap. De foetus heeft calcium, ijzer en
vitamines nodig. In deze periode is het embryo extra kwetsbaar voor medicijnen, alcohol en
drugs.
- Kinderen van rokende moeders hebben bij hun geboorte gemiddeld een lager geboortegewicht.
Ook stress en een drukke baan hebben invloed op het geboortegewicht van het kind.
Geslachtskenmerken
- Na zes weken is het geslacht van het embryo nog onduidelijk. Of embryo’s met het X- en Y-
chromosoom uitgroeien tot man, hangt af van het SRY-gen op het Y-chromosoom. Dit gen
activeert en remt een hele reeks andere genen. Daardoor ontwikkelen zich de testes uit de
geslachtsklieren en ontstaan de mannelijke primaire geslachtkenmerken.
- Bij afwezigheid van het Y-chromosoom ontwikkelt het embryo zich tot een meisje. De
geslachtklieren groeien uit tot ovaria en de vrouwelijke primaire geslachtskenmerken ontstaan.
- Mensen met het syndroom van Swyer hebben een X- en een Y-chromosoom, maar ze hebben
zich ontwikkeld als vrouw. Een van de oorzaken is dat het SRY-gen niet goed werkt. Deze vrouwen
hebben eierstokken, maar die functioneren niet.
Vrouwelijke voortplantingsorganen
- In de puberteit groeien de voortplantingsorganen van een meisje uit tot hun volwassen bouw. In
de ovaria vindt de ontwikkeling van eicellen plaats. Vanaf de puberteit tot de overgang
ontwikkelen zich elke maand in een van beide ovaria enkele follikels. Uit een van die follikels
ontwikkelt zich een rijpe eicel. Die eicel komt bij de ovulatie (eisprong) vrij uit het ovarium. Een