Overzicht eerdere colleges
- Verschillende achtergronden delinquenten
- Biopsychosociaal model in relatie tot historische figuren verschillende historische
figuren leggen op andere elementen in dit model de nadruk.
- Diagnostiek
- Risicotaxatie
- Neurobiologische aspecten
Hoofdlijnen college 5 (neurobiologische aspecten)
- Geen relatie tussen uiterlijke kenmerken en delinquentie
- Nu: invalshoek vanuit neurobiologie hier zijn wat verbanden te vinden.
- Over het algemeen is weinig bekend over causale verbanden. Er is wel enig hoopvol
onderzoek waarmee we stappen kunnen maken
Ontwikkeling DSM
Om psychologische stoornissen in kaart te brengen is de DSM nodig.
- DSM-III 1980, DSM-IV 1994 Voor 1980 was er geen overeenstemming over wat
precies een bepaalde diagnose was. Spraakverwarring (met bepaalde termen en
kenmerken) zorgde ervoor dat er een overeenkomstig model nodig was om stoornissen
te classificeren. Met de DSM-IV is heel lang gewerkt.
- Voordelen het is overzichtelijk en iedereen spreekt dezelfde taal (ook internationaal is
de classificatie hetzelfde)
- Nadelen weinig op het forensisch veld toegesneden (e.g. de term/het delict incest is
niet vermeld in de DSM)
- Niet meer praten over oorzaak binnen de DSM wordt niet gekeken naar de oorzaken,
maar naar de kenmerken.
- Classificatie aan de hand van aantal verschijnselen/ kenmerken deze zijn vaak op
verschillende niveaus aanwezig. Dit is een vrij gemakkelijke werkwijze.
- De term ‘disorder’ die vaak wordt gebruikt is hetzelfde als ‘stoornis’
- Multi-axiaal tot voor kort was de DSM multi-axiaal. Het probleemgedrag werd op
meerdere assen vastgelegd.
- Subjectief lijden of objectief disfunctioneren het gaat zowel over het intrapsychische
als het objectieve voor anderen.
DSM-IV (assen)
Het assenstelsel bestond uit 5 assen.
- As 1: klinische syndromen
- As 2: persoonlijkheidsstoornissen + IQ
- As 3: lichamelijk aandoeningen
- As 4: psychosociale problemen
- As 5: globaal functioneren
Je begint bij as 2 (persoonlijkheidsstoornissen + IQ) en als 1 van die zaken aanwezig is, dan is
het een classificatie op as 2. Alle andere stoornissen kwamen op as 1. Dan keek je op as 3
naar de lichamelijke aandoeningen (vooral die te maken kunnen hebben met het delinquent
gedrag). Op as 4 codeerden we psychosociale problemen (e.g. op het gebied van wonen,