Adviezen voorbereiding. Hoe bereid jij je voor op het examen Nederlands?
1. Kennis Examenbundel is nodig
De theorie van de 13 hoofdstukken in de examenbundel nog eens goed door nemen en
leren wat je nog niet weet. Markeer dat en vat samen voor jezelf.
Bijv. begrippen, functiewoorden, signaalwoorden, soorten argumenten en drogredenen,
argumentatieschema’s.
2. Onmisbaar: vaardigheid opbouwen door training examens
A. Twee of drie complete examens maken in de Examenbundel is noodzakelijk. Dus echt
doen! Maak in ieder geval: 2024 1e TV en 2023 1e TV.
B. Bestudeer de ppt (mail) over nieuwe vraagsoorten in het CE. Maak aansluitend in het
boekje ‘Voorbeeldopgaven vernieuwingen’ oefenset 2, en daarna oefenset 3. (Op training
uitgedeeld, eventueel als bijlage pdf.
- In de lesvrije periode elke week 20-25 vragen maken en nakijken en daarop reflecteren.
Welk soort vragen vind je pittig? Op p. 292 in de Examenbundel kun je dan gericht een
examen kiezen dat meer vragen heeft van die soort.
- Kom op de 2 trainingen.
- Op YouTube (zie mail) staan goede instructiefilmpjes van Arnoud Kuijpers. Zie mijn mail.
3. Kennis taalgebruik in Nieuw Nederlands
Verder van de module Formuleren herhalen: zinsbouw- en woordfouten: met name
verwijswoorden en incongruentie.
De module Spelling met name werkwoordspelling! Elke samengestelde zin heeft al gauw
vier werkwoordsvormen, dus … scherp zijn. Ken en gebruik de regels. Zie verderop in dit
document herhaling.
Tips voor een examens Nederlands
1. Duur van het examen: drie klokuren, verdeel je tijd goed. Neem tijdsduur ook mee in
je training. Zie tip 5.
2. Neem je eigen woordenboek bij alle examens mee.
3. Je oefenexamen achteraf goed nakijken per tekst.
Leer van je fouten! Dus bestudeer de toelichting onder het antwoord bij foute
antwoorden. Becijfer streng. Ook nuttig is je antwoorden te laten beoordelen door
een andere leerling, bijvoorbeeld op formulering en spelling.
4. Evalueer: welk type vragen vind je moeilijk? Zoek dit type vraag in het Register
achterin de bundel op en zoek welke oefenexamens daarover gaan voor training.
5. Maak ook een compleet examen binnen 3 klokuren om te oefenen met concentratie
binnen de gestelde tijd. In de praktijk staat het nieuwe examen Ne vaak onder
tijdsdruk. Train ook met de klok.
6. Schrijf in volledige zinnen met het onderwerp vooraan, zie kernwoord(en) van de
vraag! (Dit geldt voor vragen waarbij staat: formuleer in zinnen.
Dus: ond + pv + rest.
Onvolledige zin ( in telegramstijl: zin zonder pv en/of onderwerp) = 0 punten inhoud!
Dus ook GEEN tekens als of = of afkortingen gebruiken, maar voluit schrijven.
Begin NOOIT met Dat/Omdat! Taalfout als er geen hoofdzin achter de komma volgt.
Zet het onderwerp vooraan.
, Vermijd vage woorden als ‘het’ ‘ze’ of ‘dat’, schrijf altijd expliciet! Wie zijn ‘ze’?
7. Analyseer de vraag goed.
Hoeveel vragen bevat de vraagstelling? Nummer die in het vragenboekje.
Wat zijn de kernwoorden voor je focus? Onderstreep die.
8. Vaak is het onderwerp het kernwoord /de kernwoorden van de vraag.
Bijvoorbeeld: ‘Leg uit wat de huidige strategie inhoudt en wat het doel daarvan is.’
Antwoord: De huidige strategie houdt in dat│ …
Het doel daarvan is │ …
Woorden tellen: bij het streepje begin je te tellen voor het aantal woorden als er een
maximum geldt.
Dit streepje zet je dus na het citeren van het onderwerp uit de vraag.
9. Als er bij een open vraag een maximum aantal woorden wordt vereist, zet dan achter
je antwoord het aantal woorden dat je gebruikt hebt: (bijv. 19 woorden)
10. Hoe formuleer je de hoofdgedachte? Hg=onderwerp van de hele tekst + de
hoofbewering daarover, in één zin.
11. Voor vwo: abstraheren/veralgemeniseren: van concreet naar abstract denken.
Als er wordt gevraagd: wat is de strekking of wat is het doel van een tekstdeel, dan dus
geen details eruit lichten, maar in algemene termen beantwoorden.
12. Elk examen heeft tekstfragmenten naast de hoofdtekst. Meestal wordt er een verschil
(of overeenkomst) gevraagd. Let erop dat je op beide teksten ingaat en beide teksten
correct noemt: bijvoorbeeld
‘De auteur van het tekstfragment vindt dat…”
‘De auteur van de hoofdtekst stelt dat …’
Of: In bron 4 … Echter, in bron 6 …
13. Let op bij de term ‘argumentatieschema’. Daarmee wordt bedoeld: het soort
argument! Zie verder hfd. 10 (p. 41) in je Examenbundel.
14. Markeer in de tekst de mening/houding van de auteur over iets dat hij/zij beschrijft.
Let op vooral op subjectief taalgebruik zoals ironie!
15. Als er gevraagd wordt naar een verandering, benoem dan altijd een tegenstelling:
Bijvoorbeeld ‘Vroeger…. Nu…’ of andere tijdsaanduidingen in de tekst.
16. Geen beeldspraak gebruiken/citeren in je antwoord, maar expliciet noteren wat je
bedoelt. Dus in plaats van ‘Het roer moet om’ geef je aan wat er precies anders moet.
17. Stel: je moet uitleggen waarom een zinsgedeelte als paradox kan worden opgevat.
(Schijnbare tegenstelling) Hoe doe je dat?
Je begint met ‘Het lijkt dat ….. Echter, er is geen sprake van een tegenstelling, want ….
18. Schrijf meteen in correct Nederlands, want je weet niet of je aan het eind voldoende
tijd hebt om de zinsbouw, spelling, hoofdletters en leestekens zorgvuldig te
verbeteren. Dit kan het verschil tussen een 5,4 of een 6,2 uitmaken.
1. Kennis Examenbundel is nodig
De theorie van de 13 hoofdstukken in de examenbundel nog eens goed door nemen en
leren wat je nog niet weet. Markeer dat en vat samen voor jezelf.
Bijv. begrippen, functiewoorden, signaalwoorden, soorten argumenten en drogredenen,
argumentatieschema’s.
2. Onmisbaar: vaardigheid opbouwen door training examens
A. Twee of drie complete examens maken in de Examenbundel is noodzakelijk. Dus echt
doen! Maak in ieder geval: 2024 1e TV en 2023 1e TV.
B. Bestudeer de ppt (mail) over nieuwe vraagsoorten in het CE. Maak aansluitend in het
boekje ‘Voorbeeldopgaven vernieuwingen’ oefenset 2, en daarna oefenset 3. (Op training
uitgedeeld, eventueel als bijlage pdf.
- In de lesvrije periode elke week 20-25 vragen maken en nakijken en daarop reflecteren.
Welk soort vragen vind je pittig? Op p. 292 in de Examenbundel kun je dan gericht een
examen kiezen dat meer vragen heeft van die soort.
- Kom op de 2 trainingen.
- Op YouTube (zie mail) staan goede instructiefilmpjes van Arnoud Kuijpers. Zie mijn mail.
3. Kennis taalgebruik in Nieuw Nederlands
Verder van de module Formuleren herhalen: zinsbouw- en woordfouten: met name
verwijswoorden en incongruentie.
De module Spelling met name werkwoordspelling! Elke samengestelde zin heeft al gauw
vier werkwoordsvormen, dus … scherp zijn. Ken en gebruik de regels. Zie verderop in dit
document herhaling.
Tips voor een examens Nederlands
1. Duur van het examen: drie klokuren, verdeel je tijd goed. Neem tijdsduur ook mee in
je training. Zie tip 5.
2. Neem je eigen woordenboek bij alle examens mee.
3. Je oefenexamen achteraf goed nakijken per tekst.
Leer van je fouten! Dus bestudeer de toelichting onder het antwoord bij foute
antwoorden. Becijfer streng. Ook nuttig is je antwoorden te laten beoordelen door
een andere leerling, bijvoorbeeld op formulering en spelling.
4. Evalueer: welk type vragen vind je moeilijk? Zoek dit type vraag in het Register
achterin de bundel op en zoek welke oefenexamens daarover gaan voor training.
5. Maak ook een compleet examen binnen 3 klokuren om te oefenen met concentratie
binnen de gestelde tijd. In de praktijk staat het nieuwe examen Ne vaak onder
tijdsdruk. Train ook met de klok.
6. Schrijf in volledige zinnen met het onderwerp vooraan, zie kernwoord(en) van de
vraag! (Dit geldt voor vragen waarbij staat: formuleer in zinnen.
Dus: ond + pv + rest.
Onvolledige zin ( in telegramstijl: zin zonder pv en/of onderwerp) = 0 punten inhoud!
Dus ook GEEN tekens als of = of afkortingen gebruiken, maar voluit schrijven.
Begin NOOIT met Dat/Omdat! Taalfout als er geen hoofdzin achter de komma volgt.
Zet het onderwerp vooraan.
, Vermijd vage woorden als ‘het’ ‘ze’ of ‘dat’, schrijf altijd expliciet! Wie zijn ‘ze’?
7. Analyseer de vraag goed.
Hoeveel vragen bevat de vraagstelling? Nummer die in het vragenboekje.
Wat zijn de kernwoorden voor je focus? Onderstreep die.
8. Vaak is het onderwerp het kernwoord /de kernwoorden van de vraag.
Bijvoorbeeld: ‘Leg uit wat de huidige strategie inhoudt en wat het doel daarvan is.’
Antwoord: De huidige strategie houdt in dat│ …
Het doel daarvan is │ …
Woorden tellen: bij het streepje begin je te tellen voor het aantal woorden als er een
maximum geldt.
Dit streepje zet je dus na het citeren van het onderwerp uit de vraag.
9. Als er bij een open vraag een maximum aantal woorden wordt vereist, zet dan achter
je antwoord het aantal woorden dat je gebruikt hebt: (bijv. 19 woorden)
10. Hoe formuleer je de hoofdgedachte? Hg=onderwerp van de hele tekst + de
hoofbewering daarover, in één zin.
11. Voor vwo: abstraheren/veralgemeniseren: van concreet naar abstract denken.
Als er wordt gevraagd: wat is de strekking of wat is het doel van een tekstdeel, dan dus
geen details eruit lichten, maar in algemene termen beantwoorden.
12. Elk examen heeft tekstfragmenten naast de hoofdtekst. Meestal wordt er een verschil
(of overeenkomst) gevraagd. Let erop dat je op beide teksten ingaat en beide teksten
correct noemt: bijvoorbeeld
‘De auteur van het tekstfragment vindt dat…”
‘De auteur van de hoofdtekst stelt dat …’
Of: In bron 4 … Echter, in bron 6 …
13. Let op bij de term ‘argumentatieschema’. Daarmee wordt bedoeld: het soort
argument! Zie verder hfd. 10 (p. 41) in je Examenbundel.
14. Markeer in de tekst de mening/houding van de auteur over iets dat hij/zij beschrijft.
Let op vooral op subjectief taalgebruik zoals ironie!
15. Als er gevraagd wordt naar een verandering, benoem dan altijd een tegenstelling:
Bijvoorbeeld ‘Vroeger…. Nu…’ of andere tijdsaanduidingen in de tekst.
16. Geen beeldspraak gebruiken/citeren in je antwoord, maar expliciet noteren wat je
bedoelt. Dus in plaats van ‘Het roer moet om’ geef je aan wat er precies anders moet.
17. Stel: je moet uitleggen waarom een zinsgedeelte als paradox kan worden opgevat.
(Schijnbare tegenstelling) Hoe doe je dat?
Je begint met ‘Het lijkt dat ….. Echter, er is geen sprake van een tegenstelling, want ….
18. Schrijf meteen in correct Nederlands, want je weet niet of je aan het eind voldoende
tijd hebt om de zinsbouw, spelling, hoofdletters en leestekens zorgvuldig te
verbeteren. Dit kan het verschil tussen een 5,4 of een 6,2 uitmaken.