Hoofdstuk 7: het spierstelsel
Spierweefsel bestaat uit lange spiercellen die sterk gespecialiseerd zijn in contractie →
samentrekken.
Er zijn 3 typen spierweefsel:
1. Skeletspierweefsel
2. Hartspierweefsel
3. Gladspierweefsel
Zonder spierweefsel zou niets in het lichaam bewegen en zou ook het lichaam zelf niet kunnen
bewegen. Ook zou er geen bloedsomloop zijn omdat het hart stilstaat en zouden de longen zich niet
kunnen vullen.
Spiervezels ontstaan door samensmelten van spiercellen.
Paragraaf 1: de vijf primaire functies van skeletspierweefsel
Skeletspierweefsel vormt het grootste deel van het spierweefsel in het lichaam.
Skeletspieren zijn organen die bestaan uit:
• Spierweefsel
• Bindweefsel
• Zenuwen
• Bloedvaten
, Skeletspieren zijn direct of indirect aan de beenderen van het skelet gehecht.
Het spierstelsel bestaat uit circa 700 skeletspieren die de volgende functies hebben:
1. Bewegen van skeletdelen
o Als spieren samentrekken, zorgt dit voor beweging van de beenderen.
2. Handhaven van houding en lichaamspositie
o Spieren trekken constant samen zodat we eenzelfde positie kunnen aanhouden (bv rechtop
zitten)
3. Ondersteunen van weke delen
o De bekkenholte en de buikwand bestaan uit lagen skeletspieren, die het gewicht van
de organen draagt + de weefsels beschermt tegen beschadiging.
4. Openen en sluiten van in- en uitgangen
o Skeletspierweefsel die aanwezig zijn in het spijsverteringskanaal en in de
urinewegen zorgen ervoor dat we het slikken, stoelgang en het plassen bewust
kunnen aansturen.
5. Handhaven van lichaamstemperatuur
o Voor spiercontracties is energie nodig → verbruikte energie wordt in warmte
omgezet.
o Spieren in werking geven warmte af en zorgen ervoor dat de lichaamstemperatuur
binnen grenzen blijft.
Sarkos = vlees
Mys = spier
Paragraaf 2: een skeletspier bevat spierweefsel, bindweefsel, bloedvaten en zenuwen
Elke cel in skeletspierweefsel is een enkelvoudige spiervezel.
Een spier bevat 3 lagen bindweefsel:
1. Epimysium (epi= op, mys= spier)
o Omgeeft geheel de spier
o Is een laag collageen vezels die de spier scheidt van de omringende weefsels en
organen.
2. Perimysium (peri = rond, mys = spier)
o Verdeelt de skeletspieren in aparte bundels van spiervezels → de
fasciculus/spierbundel.
o Bevat:
▪ Collageen- en elatische vezels
▪ Bloedvate
▪ Zenuwen die naar fasciae lopen (bindweefselvliezen rond de spier)
3. Edomysium (endo= binnen, mys=spier)
o Ligt rond elk skeletspiervezel binnen een spierbundel.
o Stamcellen liggen verspreid tussen de vezels
▪ Herstelt beschadigd spierweefsel.
o Bevat capillairen
▪ Voorzien spiervezels van bloed..
o Bevat zenuwvezels
▪ Sturen spieren aan.