DIVIDEND................................................................................................................................................... 2
NATIONALE HEFFINGSMOGELIJKHEDEN .......................................................................................................................... 2
Inwoner ........................................................................................................................................................... 2
Niet-inwoner ................................................................................................................................................... 2
REIKWIJDTE ART. 10 OESO MODELVERDRAG ................................................................................................................ 3
Situaties ........................................................................................................................................................... 4
VERDELINGSWIJZE ART. 10 OESO MODELVERDRAG........................................................................................................ 5
VERDRAGSBEGRIPPEN ................................................................................................................................................ 6
Dividend .......................................................................................................................................................... 6
‘Paid’ (betaald) ................................................................................................................................................ 7
‘Resident of a contracting state’ ..................................................................................................................... 7
VERMOGENSWINSTEN................................................................................................................................ 8
NATIONALE HEFFINGSMOGELIJKHEDEN .......................................................................................................................... 8
Inwoner ........................................................................................................................................................... 8
Niet-inwoner ................................................................................................................................................... 8
REIKWIJDTE ART. 13 OESO MODELVERDRAG ................................................................................................................ 8
VERDELINGSWIJZE ART. 13 OESO MODELVERDRAG........................................................................................................ 9
VERDRAGSBEGRIPPEN ................................................................................................................................................ 9
‘Alienation’ (vervreemding) ............................................................................................................................ 9
INKOMSTEN UIT NIET-ZELFSTANDIGE ARBEID ............................................................................................ 10
RANGORDE ART. 15 OESO MODELVERDRAG............................................................................................................... 10
, Dividend
Nationale heffingsmogelijkheden
Inwoner
Een inwoner wordt voor dividend in de dividendbelasting betrokken in het geval van een in Nederland
gevestigde vennootschap met in aandelen verdeeld kapitaal. Daarna dient altijd gekeken te worden of
er sprake is van een voorheffing, zoals loonbelasting. Als er geen sprake is van loonbelasting, dan ga je
pas naar de inkomstenbelasting (art. 9.2 Wet IB). Ook voor opbrengsten uit aandelen geldt dat je eerst
kijkt of er dividendbelasting moet worden ingehouden. Als dit niet het geval is kun je door naar de
inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting, afhankelijk van de hoedanigheid van de genieter.
Een inwoner wordt dus voor dividend in de dividendbelasting betrokken in het geval van een in
Nederland gevestigde vennootschap. Om te bepalen of de vennootschap in Nederland is gevestigd, is
art. 4 lid 1 AWR van belang feitelijke leiding. Verder is er in de Wet op de dividendbelasting een
oprichtingsfictie opgenomen (art. 1 lid 3 Wet DB). Als het dividend wordt verkregen van een in het
buitenland gevestigde vennootschap dan zit daar geen Nederlandse dividendbelasting op. De in het
buitenland geheven dividendbelasting kan worden verrekend met de Nederlandse inkomstenbelasting
uit hoofde van een verdrag of het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001.
Vervolgens is afhankelijk van de hoedanigheid van de genieter de vraag op welke wijze het dividend in
de inkomstenbelasting, dan wel in de vennootschapsbelasting wordt betrokken.
In de inkomstenbelasting wordt het dividend als volgt belast:
• Art. 3.2 Wet IB | Ondernemer
• Art. 3.90 jo. 3.92b Wet IB | Resultaatgenieter
• Art. 4.1 jo. 4.12 sub a Wet IB | Aanmerkelijkbelanghouder
Voor de vennootschapsbelasting vormt het dividend winst uit onderneming.
Niet-inwoner
Voor de niet-inwoner zal de dividendbelasting eerder eindheffing zijn. In veel situaties wordt de in het
buitenland woonachtige persoon niet in de inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting betrokken,
maar is er wel dividendbelasting verschuldigd.
De dividendbelasting is voorheffing in de volgende gevallen:
• Art. 7.2 lid 2 sub a Wet IB | Ondernemer de aandelen behoren tot het
ondernemingsvermogen van de natuurlijke persoon en zijn toerekenbaar aan een in
Nederland gelegen vaste inrichting.
• Art. 7.2 lid 2 sub c jo. lid 3 Wet IB | Resultaatgenieter
• Art. 7.5 lid 1 Wet IB | Aanmerkelijkbelanghouder deze persoon heeft een aanmerkelijk
belang in een in Nederland gelegen vennootschap. Voor de beoordeling of er sprake is van een
in Nederland gelegen vennootschap is weer art. 4 lid 1 AWR belangrijk feitelijke leiding. Als
een BV zijn feitelijke leiding naar het buitenland verplaatst, kan niet de oprichtingsfictie van
de Wet op de vennootschapsbelasting of de Wet op de dividendbelasting worden toegepast.
Daarom is er een fictie opgenomen in art. 7.5 lid 6 Wet IB, maar deze verschilt wel van de
andere twee oprichtingsficties. Lid 6 bepaalt dat als de feitelijke leiding zich niet in Nederland
bevindt, de vennootschap toch geacht wordt in Nederland te zijn gevestigd, indien de
vennootschap in het verleden ten minste vijf jaar in Nederland gevestigd is geweest en
daarvoor nog een aanmerkelijk belang openstaat (conserverende aanslag).
2