Oefententamen Gezondheidsrecht
Casus 1 – 2 vragen
De 68-jarige Adriaan krijgt een ernstige hersenbloeding en wordt met spoed naar het VU medisch centrum gebracht. De
behandelaars aldaar verlenen de eerste hulp en zoeken daarna contact met een vertegenwoordiger van Adriaan die er zo
slecht aan toe is dat met hem niet kan worden gecommuniceerd. Er dienen zich twee mogelijke vertegenwoordigers aan:
zijn zus Cora met wie hij altijd een goed contact heeft gehad, en zijn partner Donald. Cora en Donald verschillen van mening
over de verdere behandeling van Adriaan.
Vraag 1: Met welke van de twee mogelijke vertegenwoordigers dienen naar uw mening de behandelaars in het VU
medisch centrum het behandelplan te bespreken?
- Vaststellen dat Adriaan wilsonbekwaam is. In dit geval kan je dat doen, want hij is niet in een staat om informatie te
kunnen begrijpen.
- Art. 7:465 lid 3 BW: rangorde bij wilsonbekwaamheid: eerst partner (Donald). Zus/broer etc. komt pas als er geen
partner is.
- Je kan 7:450 lid 1 jo lid 3 BW nog noemen omtrent instemming maar niet echt vereist. In schriftelijke vorm.
Vervolg casus 1
Het blijkt dat Adriaan zichzelf de laatste jaren ernstig heeft verwaarloosd en nader onderzoek van zijn bloed en enkele
organen noodzakelijk is. Zowel Cora als Donald willen aanwezig zijn bij de onderzoeken die in het ziekenhuis plaatsvinden.
Wat Adriaan daar zelf van vindt, is onduidelijk.
Vraag 2: Zijn de behandelaars bevoegd om te beslissen dat noch Cora noch Donald wordt toegelaten bij de te verrichten
onderzoeken?
- Art. 7:459 lid 1 BW : hoofdregel: geen kijkers tenzij toestemming (aanwezigheid bij verrichting)
- Lid 2 bepaalt echter wel dat het behandelteam erbij mag zijn.
- Lid 3 bepaalt dat de vertegenwoordiger bij wilsonbekwaamheid erbij mag zijn, tenzij de behandelaar o.g.v. goed
hulpverlenerschap dit weigert.
- Dus Donald o.g.v. lid 3 wel toegestaan TENZIJ goed hulpverlenerschap in het geding komt, maar Cora als zus zijnde kan
o.g.v. lid 1 alleen toekijken als patient toestemming heeft gegeven.
, Casus 2 – 1 vraag
Sarah, 29 jaar, wordt vanaf haar geboorte door haar moeder verzorgd. De beide vrouwen wonen sinds 2012 in Nederland.
Een diagnose is nooit gesteld, maar vast staat dat Sarah in hoge mate zorgafhankelijk is van haar moeder. Ondersteuning van
professionals bij de dagelijkse zorg voor Sarah heeft moeder altijd buiten de deur gehouden. Eergisteren is moeder gevallen,
heeft haar heup gebroken en is met spoed opgenomen in het ziekenhuis. De ingeschakelde huisarts heeft vanmorgen een
huisbezoek afgelegd en vastgesteld dat er sprake is van ernstige verwaarlozing. Hij vermoedt dat Sarah een verstandelijke
handicap heeft. Het is duidelijk dat Sarah niet zelfstandig thuis kan blijven en niet voor zichzelf kan zorgen, maar zij verzet
zich tegen een plaatsing in een woonvoorziening voor mensen met een verstandelijke handicap.
Vraag: Biedt de wet een mogelijkheid om toch een dergelijke plaatsing te realiseren?
- In casu is de Wzd van toepassing, want het gaat om een verstandelijke beperking.
- Is opname mogelijk te bewerkstelligen volgens deze wet? Ja o.g.v.:
Art. 21 WZD: dit artikel is n.v.t. want er is in casu sprake van verzet
24 lid 2 sub a WZD: dit is de reguliere machtiging, maar in de casu is sprake van spoed. Art. 24 WZD kan dus niet
worden afgewacht.
Art. 29 WZD: er is spoed en een reguliere machtiging kan niet worden afgewacht, dus noteren dat in principe moet
worden gekeken naar art. 24 WZD MAAR dat daar nu geen tijd voor is en daarom kijken naar art. 29 WZD
Er is immers ernstig nadeel en een psychische aandoening/handicap.
O.g.v. vermoeden van stoornis ernstig nadeel opnemen met spoed, in tegenstelling tot eerst toetsen aan de
vereisten van ernstig nadeel
Er is echter slechts een vermoeden dat er een handicap is. Dit moet eerst worden onderzocht.
Vereisten voor art. 29 WZD wel uitwerken: zie lid 2 sub a-f – ALLEMAAL!
1. Ernstig nadeel verwijzen naar art. 1 lid 2 Wzd.
2. Onmiddellijk dreigend ernstig nadeel (anders dan art. 24 WZD)
3. Ernstig vermoeden dat ernstig nadeel wordt veroorzaakt door vg (er is nog geen handicap vastgesteld maar wel
een vermoeden en ernstig nadeel dreigt)
4. Opname is noodzakelijk om ernstig nadeel af te wenden/te voorkomen
5. Opname is een geschikt middel om ernstig nadeel af te wenden/te voorkomen
6. Geen minder ingrijpende mogelijkheden
Casus 1 – 2 vragen
De 68-jarige Adriaan krijgt een ernstige hersenbloeding en wordt met spoed naar het VU medisch centrum gebracht. De
behandelaars aldaar verlenen de eerste hulp en zoeken daarna contact met een vertegenwoordiger van Adriaan die er zo
slecht aan toe is dat met hem niet kan worden gecommuniceerd. Er dienen zich twee mogelijke vertegenwoordigers aan:
zijn zus Cora met wie hij altijd een goed contact heeft gehad, en zijn partner Donald. Cora en Donald verschillen van mening
over de verdere behandeling van Adriaan.
Vraag 1: Met welke van de twee mogelijke vertegenwoordigers dienen naar uw mening de behandelaars in het VU
medisch centrum het behandelplan te bespreken?
- Vaststellen dat Adriaan wilsonbekwaam is. In dit geval kan je dat doen, want hij is niet in een staat om informatie te
kunnen begrijpen.
- Art. 7:465 lid 3 BW: rangorde bij wilsonbekwaamheid: eerst partner (Donald). Zus/broer etc. komt pas als er geen
partner is.
- Je kan 7:450 lid 1 jo lid 3 BW nog noemen omtrent instemming maar niet echt vereist. In schriftelijke vorm.
Vervolg casus 1
Het blijkt dat Adriaan zichzelf de laatste jaren ernstig heeft verwaarloosd en nader onderzoek van zijn bloed en enkele
organen noodzakelijk is. Zowel Cora als Donald willen aanwezig zijn bij de onderzoeken die in het ziekenhuis plaatsvinden.
Wat Adriaan daar zelf van vindt, is onduidelijk.
Vraag 2: Zijn de behandelaars bevoegd om te beslissen dat noch Cora noch Donald wordt toegelaten bij de te verrichten
onderzoeken?
- Art. 7:459 lid 1 BW : hoofdregel: geen kijkers tenzij toestemming (aanwezigheid bij verrichting)
- Lid 2 bepaalt echter wel dat het behandelteam erbij mag zijn.
- Lid 3 bepaalt dat de vertegenwoordiger bij wilsonbekwaamheid erbij mag zijn, tenzij de behandelaar o.g.v. goed
hulpverlenerschap dit weigert.
- Dus Donald o.g.v. lid 3 wel toegestaan TENZIJ goed hulpverlenerschap in het geding komt, maar Cora als zus zijnde kan
o.g.v. lid 1 alleen toekijken als patient toestemming heeft gegeven.
, Casus 2 – 1 vraag
Sarah, 29 jaar, wordt vanaf haar geboorte door haar moeder verzorgd. De beide vrouwen wonen sinds 2012 in Nederland.
Een diagnose is nooit gesteld, maar vast staat dat Sarah in hoge mate zorgafhankelijk is van haar moeder. Ondersteuning van
professionals bij de dagelijkse zorg voor Sarah heeft moeder altijd buiten de deur gehouden. Eergisteren is moeder gevallen,
heeft haar heup gebroken en is met spoed opgenomen in het ziekenhuis. De ingeschakelde huisarts heeft vanmorgen een
huisbezoek afgelegd en vastgesteld dat er sprake is van ernstige verwaarlozing. Hij vermoedt dat Sarah een verstandelijke
handicap heeft. Het is duidelijk dat Sarah niet zelfstandig thuis kan blijven en niet voor zichzelf kan zorgen, maar zij verzet
zich tegen een plaatsing in een woonvoorziening voor mensen met een verstandelijke handicap.
Vraag: Biedt de wet een mogelijkheid om toch een dergelijke plaatsing te realiseren?
- In casu is de Wzd van toepassing, want het gaat om een verstandelijke beperking.
- Is opname mogelijk te bewerkstelligen volgens deze wet? Ja o.g.v.:
Art. 21 WZD: dit artikel is n.v.t. want er is in casu sprake van verzet
24 lid 2 sub a WZD: dit is de reguliere machtiging, maar in de casu is sprake van spoed. Art. 24 WZD kan dus niet
worden afgewacht.
Art. 29 WZD: er is spoed en een reguliere machtiging kan niet worden afgewacht, dus noteren dat in principe moet
worden gekeken naar art. 24 WZD MAAR dat daar nu geen tijd voor is en daarom kijken naar art. 29 WZD
Er is immers ernstig nadeel en een psychische aandoening/handicap.
O.g.v. vermoeden van stoornis ernstig nadeel opnemen met spoed, in tegenstelling tot eerst toetsen aan de
vereisten van ernstig nadeel
Er is echter slechts een vermoeden dat er een handicap is. Dit moet eerst worden onderzocht.
Vereisten voor art. 29 WZD wel uitwerken: zie lid 2 sub a-f – ALLEMAAL!
1. Ernstig nadeel verwijzen naar art. 1 lid 2 Wzd.
2. Onmiddellijk dreigend ernstig nadeel (anders dan art. 24 WZD)
3. Ernstig vermoeden dat ernstig nadeel wordt veroorzaakt door vg (er is nog geen handicap vastgesteld maar wel
een vermoeden en ernstig nadeel dreigt)
4. Opname is noodzakelijk om ernstig nadeel af te wenden/te voorkomen
5. Opname is een geschikt middel om ernstig nadeel af te wenden/te voorkomen
6. Geen minder ingrijpende mogelijkheden