Inhoud
Neurobiologische ontwikkelingsstoornissen bij volwassenen............................................................2
Autisme..........................................................................................................................................2
ADHD..............................................................................................................................................5
Schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen..............................................................8
Depressieve- en bipolaire-stemmingsstoornissen............................................................................18
Angststoornissen..............................................................................................................................28
Obsessieve-compulsieve en verwante stoornissen..........................................................................34
Obsessieve-compulsieve stoornis.................................................................................................34
Verzamelstoornis (hoarding disorder)..........................................................................................36
Morfodysfore stoornis (Body dysmorphic disorder, BDD)............................................................38
Tricotillomanie en excoriatiestoornis...........................................................................................39
Trauma- en stressorgerelateerde stoornissen..................................................................................42
Dissociatieve stoornissen..................................................................................................................48
Somatisch-symptoom-stoornis en verwante stoornissen.................................................................54
Eetstoornissen..................................................................................................................................60
Slaapstoornissen...............................................................................................................................65
Seksuele stoornissen........................................................................................................................71
Seksuele disfuncties......................................................................................................................71
Genderdysforie.............................................................................................................................75
Parafiele stoornissen....................................................................................................................78
Disruptieve, impulsbeheersings- en andere gedragsstoornissen......................................................83
Middelgerelateerde en verslavingsstoornissen................................................................................89
Neurocognitieve stoornissen............................................................................................................97
Persoonlijkheidsstoornissen...........................................................................................................104
,Neurobiologische ontwikkelingsstoornissen bij volwassenen
Autisme
Schets het klinische beeld van ASS.
Een autismespectrumstoornis is een neurobiologische ontwikkelingsstoornis die wordt
gekenmerkt door tekortkomingen (deficiënties) in de sociale communicatie en in de sociale
interactie en door de aanwezigheid van beperkte, repetitieve gedragspatronen, interesses of
activiteiten. Intelligentie en/of een goed gestructureerd sociaal steunsysteem kan ASS
verhullen, waardoor dit pas op volwassen leeftijd wordt ontdekt.
Voor het vaststellen van ASS moeten symptomen aanwezig zijn in twee kerndomeinen:
1. Deficiënties in de sociale communicatie en sociale interactie (moet in alle drie tot
uiting komen)
a. Deficiënties in de sociale wederkerigheid: een beperkt vermogen om contact
te leggen met anderen en gedachten en gevoelens te delen. Voorbeeld: geen
antwoord geven op vragen of niet wachten op een gespreksbeurt.
b. Deficiënties in de non-verbale communicatie: beperkingen in het maken van
oogcontact en moeite hebben met het gebruiken en begrijpen van
gezichtsuitdrukkingen en gebaren. Voorbeeld: te veel of te weinig oogcontact
maken of het niet begrijpen van afwerende gebaren van anderen.
c. Deficiënties in het ontwikkelen, onderhouden en begrijpen van relaties:
moeilijk vrienden kunnen maken of vriendschappen onderhouden,
beperkingen in het afstemmen van gedrag op verschillende sociale situaties,
afwezigheid van fantasiespel in de kindertijd. Bij vrouwen met ASS zijn er
vaak wel sociale contacten, maar dit kost vaak veel energie. Voorbeeld:
moeilijkheden met het aanpassen aan anderen of vrolijk gekleed naar een
begrafenis gaan.
2. Beperkte repetitieve gedragingen, interesses en activiteiten (minstens twee
kenmerken)
a. Stereotiepe bewegingen, gedragingen of spraak: niet functionele, stereotiepe
bewegingen en gewoonten. Voorbeeld: wiegen, fladderen of het dwangmatig
herhalen van woorden (echolalie) om zichzelf gerust te stellen.
b. Moeite met veranderingen, routines en rituelen: sterk vasthouden aan routines
en een inflexibele hechting aan bepaalde routines en rituelen. Voorbeeld: een
extreme behoefte om elke dag dezelfde route te nemen of overmatige
weerstand tegen nieuwe spullen.
c. Beperkte gefixeerde interesses: intensief bezig zijn met voorwerpen,
onderwerpen en hobby’s. Voorbeeld: een extreme belangstelling voor
vliegtuigen of spoorboekjes.
d. Hyper- of hyporeactiviteit op zintuigelijke prikkels: snel last hebben van geluid,
licht en aanrakingen of een sensorische over- of onder gevoeligheid voor pijn,
warmte en kou. Voorbeeld: een vijandige reactie op het geluid van bestek op
borden of een fascinatie voor knipperende kerstverlichting.
Andere kenmerken om de diagnose te kunnen stellen:
3. De symptomen zijn aanwezig in de vroege ontwikkelingsperiode
4. De symptomen veroorzaken klinisch significante beperkingen in het sociale of
beroepsmatige functioneren of in andere belangrijke gebieden van het huidig
functioneren.
5. De symptomen worden niet verklaard door een intellectuele ontwikkelingsstoornis of
een globale ontwikkelingsachterstand.
Om de diagnose ASS te stellen, dienen er aanwijzingen te zijn voor alle drie de kenmerken
van sociale communicatie en interactie en voor twee van de vier kenmerken van beperkt,
repetitief gedrag.
,DSM-5-TR onderscheidt drie niveaus: persoon vereist steun, persoon vereist substantiële
steun en persoon vereist zeer substantiële steun.
Als er onvoldoende gedragskenmerken aanwezig zijn om ASS vast te stellen, maar de
aanwezige kenmerken wel de persoon belemmeren en niet verklaard kunnen worden door
een andere diagnose, dan kan je spreken van de classificatie ‘Andere gespecificeerde
neurobiologische ontwikkelingsstoornis’.
Geef de onderzoeksbevindingen over de epidemiologie van ASS weer.
Prevalentie: 1 tot 2%.
De hogere prevalentie kan komen door de toevoeging van PDD-NOS in de DSM-IV
waardoor ook mildere problematiek werd gezien. Daarnaast kan de hogere cijfers komen
door een betere onderkenning en verhoogde bewustwording (meisjes en vrouwen). Sinds de
DSM-V wordt er alleen gesproken van ASS (geen categorieën meer).
Met een hogere intelligentie is het aanleren van compensatie- of camouflagetechnieken
makkelijker, maar dat zorgt ook voor een hogere lijdensdruk en mogelijk overvraging.
Beschrijf risicofactoren voor ASS.
ASS is 83% erfelijk en 17% gerelateerd aan omgevingsfactoren.
Van de ASS populatie is 10-15% onderdeel van een genetische stoornis (fragiele X-
syndroom). In deze gevallen wordt ASS betiteld als autismespectrumstoornis samenhangend
met een genetische aandoening.
Omgevingsfactoren die tot ASS kunnen leiden, betreft factoren in de periode voor en tijdens
de zwangerschap. Voorbeeld: zwangerschapscomplicaties (geboortetrauma’s,
navelstrengcomplicaties). Een beschermende factor kan zijn: gebruik van foliumzuur.
Dubbele empathie-theorie mensen met ASS en zonder ASS kunnen zich moeilijk
verplaatsen in de ander, omdat beide op een andere manier informatie verwerken.
Mensen met ASS hebben wel moeite met cognitieve empathie (bedenken wat een ander
denkt), maar geen beperkingen kennen in emotionele empathie (emotioneel geraakt kunnen
worden door iets)
Er wordt gedacht vanuit het begrip neurodiversiteit: waarbij mensen met ASS op een andere
manier informatie verwerken en communiceren.
Geef cultuur- en genderverschillen in het vóórkomen van ASS.
De diagnose ASS wordt vaker gesteld in westerse landen. Diagnostiek voor ASS bij
migranten in lastiger, omdat culturele en religieuze gebruiken van invloed zijn op het maken
van oogcontact. Hierbij is heteroanamnese helpend.
ASS komt vaker voor bij jongens/mannen dan bij meisjes/vrouwen (3 op 1).
ASS wordt bij vrouwen vaak later gediagnosticeerd dan bij mannen, omdat ze vaker hun
autistische gedragingen maskeren of camoufleren. Hierdoor vaak identiteitsproblemen,
overbelasting klachten en emotieregulatie-problemen bij vrouwen.
Gefixeerde interesses zijn bij vrouwen (dieren of psychologie) anders dan bij mannen
(treinen of computers).
ASS komt vaker voor bij transgender personen dan bij cisgenders. Vooral
transgenderpersonen met het geboortegeslacht vrouw.
Geef de comorbiditeit en differentiële diagnostiek van ASS weer.
ASS gaat vaak samen met OCS, sociale-angststoornis, ADHD, depressie,
psychosespectrumstoornissen en persoonlijkheidsstoornissen. De prevalentie van
comorbiditeit ligt tussen de 54,8 en 94%, afhankelijk van factoren zoals leeftijd,
intelligentieniveau en geslacht.
, Differentiële diagnostiek is niet altijd makkelijk. Vooral de differentiatie tussen ASS en
persoonlijkheidsproblematiek is complex, omdat autistische kenmerken overlappen met
kenmerken van verschillende types persoonlijkheidsstoornissen.
Licht de gebruikte diagnostische methoden toe voor ASS.
Er wordt gebruik gemaakt van classificeren diagnostiek op basis van de anamnese, de
heteroanamnese en het doen van observaties. Bij volwassenen kunnen de diagnostische
criteria in een semigestructureerd interview worden uitgevraagd. Bij volwassenen is het niet
altijd mogelijk om de vroege ontwikkeling in kaart te brengen. Wanneer aangetoond kan
worden dat de gedragingen er al in de kindertijd waren, maar deze pas later tot problemen
leiden, kan een diagnose ASS toch worden gesteld.
Geen onderzoek op biologisch of neurocognitief niveau. Er zijn te veel variaties in de genen
en omgevingsfactoren kunnen ook een rol spelen. De kenmerkende neurocognitieve
beperkingen bij ASS op het gebied van sociaal inzicht, gedetailleerde informatieverwerking
en uitvoerende functies zoals planning en flexibiliteit komen ook veelvuldig bij andere
stoornissen voor.
Neuropsychologisch onderzoek kan wel een goede inschatting geven van de sterke en
zwakkere kanten van iemand met ASS. Dit wordt ook wel handelingsgerichte diagnostiek
genoemd.
Geef diverse interventies en behandelingen voor ASS weer en de resultaten die ermee
worden behaald.
Bij volwassenen met een normale tot hoge intelligentie wordt vaak psycho-educatie
aangeboden met als doel het accepteren van de diagnose en meer zicht krijgen op de eigen
beperkingen en kwaliteiten.
Praktische begeleiding is erg belangrijk. Mensen met ASS vinden het lastig om hetgeen ze
tijdens de behandeling leren, toe te passen in de thuissituatie (generalisatie). Dit is het meest
van belang bij transitiemomenten in het leven.
Er is enige evidentie voor acceptance and commitment therapy, muziektherapie en
dierondersteunende therapie.
Voor het verminderen van comorbide angst en depressie bij normaal tot hoogbegaafde
volwassenen met ASS lijken zowel mindfulness-based stress reduction en CGT effectief.
Over het gebruik van medicatie is nog weinig bekend en het advies is om met name de
comorbide problematiek te behandelen.
Benoem en herken in een casus de verschillende neurobiologische
ontwikkelingsstoornissen.