Week 1 Precontractuele fase en totstandkoming rechtshandeling en
overeenkomsten
Verbintenissen algemeen
Een verbintenis is een vermogensrechtelijke rechtsbetrekking (rechtsverhouding)
tussen twee personen waarbij de schuldeiser (crediteur) een vordering (actieve
zijde) heeft en de schuldenaar (debiteur) een schuld (passieve zijde)
- Koopovereenkomst: de vordering van de koper is recht op aflevering van
de zaak en de schuld van de verkoper het afleveren van de zaak. De
schuld bij de koper is de plicht tot betaling koopprijs en voor de verkoper
recht op de koopprijs.
- Kale rechtsplicht en geen verbintenis: de zaak van een ander niet te
beschadigen. Deze plicht geldt voor iedereen, maar het is geen
vorderingsrecht. Iemand heeft niet een aanspraak op het nakomen van die
plicht of recht op schadevergoeding als je deze niet nakomt.
- Onrechtmatige daad: geen verbintenis, maar er kan wel een verbintenis uit
voortkomen. Wanneer een van de partijen namelijk zijn verplichtingen die
voortvloeien uit de verbintenis niet nakomt kan er een beroep worden
gedaan op de onrechtmatige daad. Hieruit kan dan de verplichting tot het
betalen van een schadevergoeding voortvloeien.
Een van de kernelementen van een overeenkomst is de afdwingbaarheid van de
nakoming bij de rechter door de schuldeiser (art. 3:296 BW). Recht op nakoming
vereist een rechtsplicht, dit kan een gebod of verbod zijn.
Ontstaan verbintenis
Art. 6:1 BW: verbintenissen kunnen slechts ontstaan, indien dit uit de wet
voortvloeit. Het woord voortvloeien is ruimer dan in de wet staan. Een verbintenis
kan niet uit de billijkheid of een rechtsgevoel ontstaan.
Verbintenis uit (meerzijdige rechtshandeling):
- Wilsverklaring bij rechtshandeling (art. 3:33, 3:35 en 6:248 lid 1): zoals
bijvoorbeeld morele regels bij een natuurlijke verbintenis (art. 6:3 lid 2
BW), redelijkheid en billijkheid (art. 6:2, 6:248, 3:12) of rechtelijke
uitspraken.
- Art. 6:213 lid 1 BW: een overeenkomst in de zin van deze titel is een
meerzijdige rechtshandeling, waarbij een of meer partijen jegens een of
meer andere een verbintenis aangaan.
Verbintenis uit wet: wettelijke verbintenis tot schadevergoeding wegens
toerekenbare tekortkoming in nakoming van een verbintenis (art. 6:74 BW),
wettelijke verbintenis tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad of
risicoaansprakelijkheid (art. 6:162 BW), zaakwaarneming (art. 6:198 BW),
onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW), ongerechtvaardigde verrijking (art.
6:212 BW) en andere bronnen waarnaar de wet verwijst
Dit is een open stelsel. Het verbintenisrecht geeft aanvullend recht en open
normen. Partijen kunnen contracten sluiten die voor een deel afbreuk doen aan
wat in de wet staat en normen in een concrete casus anders toepassen. Ook
kunnen verbintenissen uit de wet voortvloeien (HR Quint/Te poel).
Ongerechtvaardigde verrijking is tegenwoordig wel in het BW opgenomen in (art.
6:212 BW).
Precontractuele fase
,Een beginsel van contractenrecht is contractsvrijheid. Partijen zijn autonoom en
kunnen zelf bepalen of ze een contract aangaan, hoe ze contracten inrichten en
met wie ze een contract sluiten. Dus in beginsel moet je kunnen afzien van een
overeenkomst, maar in de onderhandelingsfase kan van die vrijheid worden
afgeweken. Die zit vooraf aan het sluiten van de overeenkomst. In deze fase
kunnen zich precontractuele problemen voordoen die effect hebben op de
geldigheid en de inhoud van een overeenkomst.
In een rompovereenkomst hebben partijen al iets afgesproken (en begrijpen uit
elkaars verklaringen dat zij gebonden zijn aan het tot dan toe bereikte
ondrhandelingsresultaat) en overeenstemming bereikt over de belangrijkste
punten, maar over ongeschikte punten zijn ze het nog niet eens. Een
voorovereenkomst is een overeenkomst waarin partijen afspreken in de toekomst
een overeenkomst te sluiten.
Overeenkomst is wel ontstaan
HR Baris/Riezenkamp: Baris verteld tijdens de onderhandelingen met Riezenkamp
dat de kosten voor een bromfietsmotor 135 gulden zijn, terwijl dit in werkelijkheid
230 gulden blijkt te zijn. Riezenkamp betaald door deze mededeling 110 gulden
voor onderdelen. Later komt Riezenkamp achter de werkelijke prijs voor een
bromfietsmotor en eist ontbinding en schadevergoeding op grond van dwaling.
Baris zegt dat Riezenkamp zich zelf beter had moeten voorbereiden en
onderzoek had moeten doen naar de werkelijke prijs; de dwaling is niet
verschoonbaar (hij heeft zelf schuld aan dwaling).
De hoge raad oordeelt dat de wet niet expliciet vereist dat voor een geslaagd
beroep op dwaling moet komen vast te staan dat de dwaling verschoonbaar is.
Toch brengen de redelijkheid en billijkheid met zich mee dat partijen die met
elkaar onderhandelen ook rekening moeten houden met en hun gedrag mede te
laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij. Als iemand
twijfelt over de koopprijs dan moet je wel informatie verstrekken dat klopt en
maatregelen nemen om te voorkomen dat iemand onder invloed van onjuiste
veronderstellingen een beslissing neemt. Daarom berust er in beginsel op beide
partijen een zekere onderzoeksplicht, maar men mag in de regel afgaan op de
juistheid van mededelingen (tenzij zij duidelijk onjuist zijn). Baris moest wel juiste
informatie geven en als hij dat niet geeft mag je je niet verweren tegen een
beroep op dwaling.
De precontractuele fase en verhouding tussen partijen wordt door de strengere
eisen van redelijkheid en billijkheid (goede trouw) geregeerd.
Afgebroken onderhandelingen
De onderhandelingen zijn afgebroken en de overeenkomst is niet ontstaan. Ook
hier geldt de rechtsregel uit Baris/Riezenkamp.
HR Plas/Valburg: rechtsgevolgen van afbreken onderhandelen.
Het arrest gaat om precontractuele aansprakelijkheid, dat wil zeggen
schadevergoeding en vergoeding van gederfde winst na het afbreken van de
onderhandelingen in de precontractuele fase.
Plas was in onderhandeling met Valburg over de bouw van een zwembad. Op
verzoek van een Valburg heeft Plas een offerte ingediend, adviezen ingewonnen
op eigen kosten en daarna de aangepaste offerte ingediend. De opdracht wordt
uiteindelijk door een andere aannemer uitgevoerd. Plas heeft onkosten gemaakt
en winstderving geleden. Hij verzoekt schadevergoeding.
Onderhandelingen als ‘verdichtende’ relatie
- Stadium 1: het grondbeginsel van contractvrijheid is hier intact. De
onderhandelingen tussen de partijen zijn nog niet ver gevorderd en beide
, partijen kunnen zonder nadelige financiële gevolgen stoppen met de
onderhandelen. Vrijheid om onderhandelingen af te breken (volledige
contractsvrijheid).
- Stadium 2: onderhandelingen zijn redelijk vergevorderd. Het is voor beide
partijen toegestaan om de onderhandelingen af te breken, maar dit is niet
meer mogelijk zonder (on)kostenvergoeding (negatief contractsbelang
vergoeden). Kosten die de andere partij heeft gemaakt voor het
onderhandelen, alsof niet is onderhandeld. Dus bijvoorbeeld de kosten van
Plas om adviezen in te winnen, want je zou ook kunnen zeggen dat Valburg
daarmee in de aangepaste offerte verrijkt is.
Stadium 3: onderhandelingen tussen partijen zijn heel vergevorderd. Het
afbreken van de onderhandelingen in dit stadium zou in strijd met de
redelijkheid en billijkheid (onbehoorlijk en in strijd met maatschappelijke
zorgvuldigheid) zijn. Onderhandelingen kunnen zo dicht tegen een
overeenkomst aan komen dat een partij er gerechtvaardigd op mag
vertrouwen dat een overeenkomst uit de onderhandeling resulteert. Dan
moet je de ander in de positie brengen alsof de overeenkomst tot stand is
gekomen en uitgevoerd (positief contractsbelang vergoeden), dus de
kosten en gederfde winst HR CBB/JPO
De stadia gelden alleen bij langdurige onderhandelingen. De situatie kan heen-
en-weer gaan en tussen stadia wisselen. Het is niet altijd het geval dat de
onderhandelende partijen steeds verder vorderen in de onderhandelingen. Je kan
in een stadium komen met gerechtvaardigd vertrouwen, maar je kan er ook
opeens weer uit komen. Er kan van alles gebeuren wat dat gerechtvaardigd
vertrouwen positief of negatief kan beïnvloeden.
HR CBB/JPO: afbreken onderhandelen niet spoedig ‘onaanvaardbaar’.
Stadium 3 is een uitzonderingssituatie, terughoudendheid bij aannemen derde
fase. De Hoge Raad geeft een strengere en meer terughoudende maatstaf voor
de schadevergoedingsplicht wanneer een van de partijen de onderhandelingen
afbreekt en relativeert de leer. Nuanceert het derde stadium uit HR Plas/Valburg.
Het grondbeginsel is contractsvrijheid. Iedereen is in principe vrij om de
onderhandelingen af te breken tenzij onaanvaardbaar in verband met
totstandkomingsvertrouwen (gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in
het tot stand komen van de overeenkomst) of verdere omstandigheden.
Daarbij dient rekening te worden gehouden met de mate waarin en de wijze
waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat
vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze
partij. Hierbij kan het ook van belang zijn of in de loop van de onderhandelingen
onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan. Het vertrouwen moet worden
beoordeeld tegen de achtergrond van het gehele verloop van de
onderhandelingen.
Rechtshandeling en overeenkomst algemeen
Art. 3:33 BW een rechtshandeling vereist een wil die op rechtsgevolg is gericht
die zich door een verklaring heeft geopenbaard. Het rechtsgevolg is de
aanduiding voor het gevolg dat het recht verbindt aan een rechtsfeit (het
rechtsgevolg moet beoogd zijn). De wil en verklaring moeten overeenkomen.
Indien dit niet het geval is dan is er sprake van een discrepantie en is er geen
sprake van een rechtshandeling. Deze verklaring kan, tenzij anders bepaald, in
iedere vorm geschieden (art. 3:37 lid 1, mondeling of schriftelijk).
Rechtshandeling heeft werking zodra geadresseerde heeft bereikt (art. 3:37 lid
3). Een meerzijdige rechtshandeling is een overeenkomst tussen twee of meer
partijen (obligatoire overeenkomst). Een eenzijdige rechtshandeling bestaat uit
, de handeling van een persoon (opzegging of ingebrekestelling). Hierbij is geen
instemming van een andere partij nodig om de rechtshandeling te
bewerkstelligen. Het opstellen van een testament is een niet-gerichte
rechtshandeling.
Art. 6:217 BW overeenkomst komt tot stand door een aanbod en aanvaarding
daarvan. De aansluiting van aanbod en aanvaarding qua inhoud is neergelegd in
art. 6:225 BW, aanvaarding moet gelijk zijn aan het aanbod. Als aanvaarding van
het aanbod afwijkt, geldt het als een nieuw aanbod en een verwerping van het
oorspronkelijke. Een aanbod moet binnen een bepaalde termijn worden aanvaard.
Een mondeling aanbod moet vaak onmiddellijk aangenomen worden. Bij een
schriftelijk aanbod is er meestal een termijn gegeven waarbinnen het aanbod
moet worden aanvaard.
Indien de wil ontbreekt is er geen sprake van een rechtsgeldige rechtshandeling
en dus geen sprake van aanbod art. 3:33. Dan kan er niks worden aanvaard, dus
geen overeenkomst. Tenzij gerechtvaardigd vertrouwen (art. 3:35) dat het
rechtsgeldig aanbod was.
- 3 cumulatieve vereisten: een verklaring of gedraging van de andere
contractspartij, die moet in een bepaalde zin zijn opgevat door de
wederpartij (subjectief element) en in de gegeven omstandigheden mocht
de wederpartij de verklaring of gedraging in die zijn opvatten (objectief
element).
Grondbeginselen overeenkomstenrecht
- Contractsvrijheid: partijen zijn vrij af te spreken wat zij willen en met wie zij
dat willen. Uitzondering inhoud in strijd met goede zeden/openbare orde
art. 3:40 BW.
- Vormvrijheid (consensualisme): er moet sprake zijn van
wilsovereenstemming. Uitzondering vormvoorschriften art. 3:39 voor
bepaalde soort overeenkomsten (koop van een huis).
- Verbindende kracht (pacta sunt servanda): na het sluiten van de
overeenkomst zijn de partijen aan de overeenkomst gebonden.
Uitzondering: aanvullende en beperkende werking redelijkheid en
billijkheid art. 6:2 en art. 6:248 BW.
Elektronisch contracteren
Bijvoorbeeld bij een webshop, dan gelden er aanvullende regels. Zo moet er de
mogelijkheid worden geboden in het geval er problemen zijn in het bestelproces,
dit te herstellen. Op het moment dat de consument iets besteld en dus de
overeenkomst aanvaard, dan moet de webshop die aanvaarding bevestigen
(6:227b en c). Uit art. 6:230a-f vloeien een aantal informatieplichten. Op grond
van art. 6:230b lid 6 moet de dienstverrichter bijvoorbeeld de algemene
voorwaarden op een bepaalde manier ter beschikking stellen. Ook staat in art.
6:230o dat de consument binnen 14 dagen na ontvangst het product kan
retourneren door de overeenkomst te ontbinden en hiervoor is geen tekortkoming
vereist.
Algemene voorwaarden algemeen
Definities art. 6:231a BW
- Algemene voorwaarden = een of meer bedingen/voorwaarden (bijzaken)
die zijn opgesteld om in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen
met uitzondering van kernbedingen. Deze essentialia zijn zo wezenlijk dat
overeenkomst zonder het beding niet tot stand zou zijn gekomen (bijv. de
prijs)