Werkgroepen Verbintenissenrecht
Week 1
Casus 1.1
In art. 6:213 BW wordt de overeenkomst geregeld. Als partijen in de
precontractuele fase zitten het dat de precontractuele fase, voordat er een
overeenkomst is. De hoofdregel hierin is dat partijen
contractsvrijheid/consensualisme genieten en dus in beginsel niet
gebonden zijn. Er is geen sprake van een rompovereenkomst of
voorovereenkomst, dus er is nog niks afgesproken.
Uit het arrest Baris/Riezenkamp volgt dat partijen zich in de
precontractuele fase wel moeten gedragen naar de maatstaven van
redelijkheid en billijkheid en dus behoorlijk moeten onderhandelen,
zorgvuldigheid moeten betrachten bij het afbreken van onderhandelingen
en geen misbruik maken van inlichtingen die zij hebben verkregen en dat
zij de gemaakte kosten dienen te vergoeden. Dit is het uitgangspunt
Uit het Plas/Valburg volgen drietal fasen van het afbreken van de
precontractuele fase
- Fase 1: contractsvrijheid/consensualisme staat centraal, dus het
afbreken van de onderhandelingen is toegestaan.
- Fase 2: de onderhandelingen mogen worden afgebroken. Eventuele
kosten die de wederpartij heeft gemaakt, moeten echter worden
vergoed. Dit heet negatieve contractsbelang. Het zou onredelijk zijn
als de kosten niet worden vergoed.
- Fase 3: de onderhandelingen mogen niet meer worden afgebroken,
dat is onaanvaardbaar. Indien dit wel gebeurt dan moeten zowel de
gemaakte kosten als de gederfde winst worden vergoed. Dit heet
positieve contractsbelang.
Voor de 3de fase volgt uit het CBB/JPO een terughoudende maatstaf. Deze
derde fase komt bijna nooit voor, waardoor contractsvrijheid het
uitgangspunt is. Onderhandelingen die zich in de derde fase bevinden
mogen niet afgebroken worden, indien dit op grond van het
totstandkomingsvertrouwen van de wederpartij of vanwege andere
omstandigheden, onaanvaardbaar zou zijn. Hierbij wordt rekening
gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij de
onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft
bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij.
Het doorslaggevende moment voor gerechtvaardigd vertrouwen is het
moment van het afbreken van de onderhandelingen tegen de achtergrond
van het gehele traject van onderhandelingen.
De stichting en Nees zaten nog in de precontractuele fase, want er was
nog geen contract. Nees heeft wel al wijzigingen doorgekregen van de
stichting en ze hadden ook al eerder samengewerkt met positieve
resultaten. Ook heeft Nees op eigen advies een veiligheidsspecialist
gevraagd. De onderhandelingen zijn te vergaand voor fase 1, maar nog
niet fase 3. Een belangrijke maatstaf voor fase 3 is dat er wordt toegezegd
,dat het contract tot stand komt na het doorvoeren van een paar kleine
wijzingen. Dit is nog niet gebeurd, dus de onderhandelingsfase vindt zich
in fase 2, vanaf 5 januari in fases 2 wordt al concreter. Hierdoor moet de
stichting het negatieve belang, de gemaakte kosten van 8000 euro,
vergoeden.
Maar je kan ook verder beredeneren naar fase 3! Maar of er echt
gerechtvaardigd vertrouwen is geweest is niet echt het geval.
Conclusie, fase 1 niet aan de orde, fase 3 ook niet aan de orde, dus geen
vergoeding gederfde winst. Bevinden zich in fase 2: mogelijke vergoeding
kosten in fase 2, kosten beveiligingsadvies, hangen af van de feiten en
omstandigheden van het geval.
Grondslagen voor schadevergoeding kunnen zijn
- Onrechtmatige daad (art. 6:162 BW): je moet je tegenover de
wederpartij betamelijk gedragen
- Redelijkheid en billijkheid: bescherming van het gerechtvaardigd
vertrouwen
- Wanprestatie (art. 6:74 BW): indien onderhandelingen zo ver
gevorderd zijn, dat er in principe al sprake is van een overeenkomst
- Ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW): aangezien de
Stichting van Nees informatie verkrijgt over veiligheidsnormen door
specialist en hiervoor niet betaalt, is verrijkt. HR afgebroken
onderhandelingen: wel vereist: verrijking, verarming, causaal
verband en verrijking is ongerechtvaardigd.
Casus 1.2
Een overeenkomst zoals in art. 6:213 BW komt tot stand door aanbod en
de aanvaarding (van dat specifieke aanbod) daarvan (art. 6:217 lid 1 BW).
Er moet dus sprake zijn van wilsovereenstemming, aanbod en aanvaarding
moeten overeenkomen. Aanbod en aanvaarding zijn rechtshandelingen
(totstandkoming art. 3:33 jo 3:35 BW). Het gaat om een
koopovereenkomst en dit is een wederkerige overeenkomst (art. 6:261
BW).
Rustenburg biedt de fiets aan en doet dus een aanbod. Dit accepteert
Stuurman met een e-mail. Volgens art. 3:33 BW zijn voor aanbod en
aanvaarding een wil en verklaring nodig die met elkaar overeenkomen,
dan heb je een rechtshandeling. Er is hier sprake van een discrepantie
tussen de wil en de verklaring van Rustenburg, want hij wilde hem voor
300 verkopen en bied hem aan voor 100. Hierdoor is er dus geen sprake
van een rechtshandeling op basis van art. 3:33 BW, er is geen rechtsgeldig
aanbod.
Stuurman zou wel een beroep kunnen doen op art. 3:35 BW
(gerechtvaardigd vertrouwen) en indien dit geslaagd is is er toch sprake
van een rechtshandeling. Dit betekent dat er dan wel een overeenkomst
tot stand is gekomen.
3 vereisten art. 3:35 BW: verklaring/gedraging van een ander die is
opgevat als verklaring of gedraging van bepaalde strekking (subjectief) en
in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs zo mocht worden opgevat
(objectief).
,100 euro is relatief weinig voor een fiets, ook omdat de fiets geen
onderhoud nodig heeft. Doordat Rustenburg zegt snel van de fiets af te
willen kan dit een reden zijn om een lagere prijs te hanteren, ook noemt hij
het een ‘koopje’. Daarom kan Stuurman redelijkerwijs toekennen dat
Rustenburg heeft bedoeld de fiets aan te bieden voor 100 euro. Dus kan
worden voldaan aan art. 3:35 BW en zou Stuurman een geslaagd beroep
kunnen doen op het gerechtvaardigd vertrouwen. Geen beroep op
ontbreken wil mogelijk. Want er was een verklaring, fiets kwijt voor 100
euro en dat heeft Stuurman opgevat als een aanbod tot het maken van
een overeenkomst en objectief gezien kon Stuurman er wel op vertrouwen
dat het ook was wat Rustenburg bedoelde. Dus geldig aanbod tot stand
gekomen, fiets voor 100 euro.
Dus een geldige overeenkomst op grond van art. 6:217 BW. De
overeenkomst is op 4 juni tot stand gekomen op basis van de
ontvangsttheorie (art 3:37 lid 3 BW, met de e-mail aanvaard) en de fiets is
voor 100 euro verkocht aan Stuurman.
Casus 1.3
Sub a
Degene die de algemene voorwaarden wil op nemen in het contract heet
de gebruiker. Degene die de algemene voorwaarden aanvaardt de
wederpartij. Voor de toepassing van algemene voorwaarden is aanbod en
aanvaarding zoals in art. 6:217 BW van belang. Het wilsvertrouwen uit art.
3:33 jo 3:35 BW ligt hieraan ten grondslag. De gebruiker moet de
wederpartij op zijn algemene voorwaarden wijzen voor of bij de
contractsluiting. De manier waarop dit gebeurd is niet belangrijk. Er kan
sprake zijn van vormvrij aanbod, dat zelf in een gedraging kan liggen, art.
3:37 lid 1 BW.
Art. 6:217 BW: Eerst kijken naar de kern van prestaties komen aanbod en
aanvaarding overeen, ze zijn een offerte overeengekomen over 8000 kg
aardappels voor 10.000 euro, daarover is wilsovereenstemming dus
geldige overeenkomst komt tot stand. Wat betreft de algemene
voorwaarden is het aanbod van superbint met verwijzing van VAN-
voorwaarden en de aanvaarding is door Eigenheimer met verwijzing naar
eigen voorwaarden. Superbint heeft het aanbod liggen in de offerte, want
de algemene voorwaarden zijn daarin opgenomen. Eigenheimer aanvaardt
dit aanbod per brief. Hij doet daarin alleen een tegenbod doordat de
algemene voorwaarden ook zijn opgenomen op het briefpapier. Er is niet
echt een overeenstemming van aanbod en aanvaarding.
Als de gebruiker voor of bij de contractsluiting gewezen heeft op de
algemene voorwaarden en de wederpartij heeft deze (stilzwijgend)
aanvaardt of wekte redelijkerwijze deze indruk, art. 3:35 BW, dan is de
wederpartij gebonden aan de algemene voorwaarden. Uit art. 6:232 BW
volgt dat de wederpartij ook gebonden is aan de algemene voorwaarden
als de gebruiker begreep of redelijkerwijze moest begrijpen dat de
wederpartij een of een aantal of alle voorwaarden niet kende. De
wederpartij is dan dus gebonden terwijl hij de algemene voorwaarden niet
heeft gelezen.
Er is sprake van een wilsovereenstemming over de aardappelen. De vraag
is welke van de twee algemene voorwaarden van toepassing zijn. In art.
, 6:225 lid 3 staat het probleem uitgewerkt. Dit heet de battle of forms en
houdt in dat de eerste verwijzing naar de algemene voorwaarden geldig is
(first shot). De wederpartij kan zijn wederpartij algemene voorwaarden
voorafgaand uitdrukkelijk van de hand wijzen. Hierdoor zijn bepaalde
algemene voorwaarden van de wederpartij niet geldig. Aan de tweede
verwijzing komt geen werking toe indien de toepasselijkheid van de eerste
verwijzing niet uitdrukkelijk is afgewezen.
De voorwaarden van Eigenheimer worden echter niet uitdrukkelijk
afgewezen zoals in art. 6:225 lid 3 BW, dit betekent dat de voorwaarden
van Superbint voorrang kennen. De voorwaarden van superbint maken
deel uit van de overeenkomst (art. 6:217 jo 6:225 lid 3 en 6:232 BW).
Snelle gebondenheid: ook als eigenheimer de voorwaarden niet heeft
gelezen, zijn de algemene voorwaarden in hun geheel van toepassing (art.
6:232 BW).
Dit gaat om de vraag welke algemene voorwaarden tot stand zijn
gekomen
Sub b
Uit art. 6:233 BW volgen twee vernietigingsgronden: beroep op
vernietigbaarheid
- Sub a: een beding is onredelijk bezwarend (inhoudelijke toets):
indien de gebruiker aan de wederpartij niet een redelijke
mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden
kennis te nemen.
- Sub b: de gebruiker heeft de wederpartij niet een redelijke
mogelijkheid geboden om van algemene voorwaarden kennis te
nemen (formele toets, informatieplicht).
Het startpunt is altijd de formele toetsing bij het toetsen of vernietiging
mogelijk is en dus het niet van toepassing verklaren van de algemene
voorwaarden. Het gaat eerst om de terhandstelling en als daar niets is
misgegaan toets je aan de inhoudelijke toets. Eigenheimer beroept zich op
de formele toets uit art. 6:233 BW sub b.
Het gaat om de informatieplicht, want een wederpartij moet wel weten
waar hij aan toe is. Deze formele vernietigingsgrond wordt enerzijds
uitgewerkt in art. 6:230c BW en art. 6:234 BW.
Art. 6:234 BW (redelijke mogelijkheid) regelt de informatieplicht: indien
geen sprake van een dienstenovereenkomst. De regel is dat de gebruiker
de algemene voorwaarden voor of bij de overeenkomst aan de wederpartij
ter hand stelt (hoofdregel is terhandstelling volgt uit lid 1). Lid 1 zegt ook
in het geval van een dienstverrichter (art. 6:230a) dan wordt
informatieplicht ex 6:230b lid 6 BW nader uitgewerkt in art. 6:230c en
6:230e BW). De gebruiker moet het dus aan de wederpartij geven of
melden (overhandigen of toezenden van algemene voorwaarden).
a) Uitzondering 1: indien het gaat om partijen die regelmatig met
elkaar contracteren en de wederpartij dus redelijkerwijze bekend had
moeten zijn met de algemene voorwaarden, dan is terhandstelling
niet noodzakelijk. HR Geurtzen/Kampstaal.
b) Uitzondering 2: Indien het redelijkerwijs niet mogelijk is om de
algemene voorwaarden ter hand te stellen (telefonisch contract),
Week 1
Casus 1.1
In art. 6:213 BW wordt de overeenkomst geregeld. Als partijen in de
precontractuele fase zitten het dat de precontractuele fase, voordat er een
overeenkomst is. De hoofdregel hierin is dat partijen
contractsvrijheid/consensualisme genieten en dus in beginsel niet
gebonden zijn. Er is geen sprake van een rompovereenkomst of
voorovereenkomst, dus er is nog niks afgesproken.
Uit het arrest Baris/Riezenkamp volgt dat partijen zich in de
precontractuele fase wel moeten gedragen naar de maatstaven van
redelijkheid en billijkheid en dus behoorlijk moeten onderhandelen,
zorgvuldigheid moeten betrachten bij het afbreken van onderhandelingen
en geen misbruik maken van inlichtingen die zij hebben verkregen en dat
zij de gemaakte kosten dienen te vergoeden. Dit is het uitgangspunt
Uit het Plas/Valburg volgen drietal fasen van het afbreken van de
precontractuele fase
- Fase 1: contractsvrijheid/consensualisme staat centraal, dus het
afbreken van de onderhandelingen is toegestaan.
- Fase 2: de onderhandelingen mogen worden afgebroken. Eventuele
kosten die de wederpartij heeft gemaakt, moeten echter worden
vergoed. Dit heet negatieve contractsbelang. Het zou onredelijk zijn
als de kosten niet worden vergoed.
- Fase 3: de onderhandelingen mogen niet meer worden afgebroken,
dat is onaanvaardbaar. Indien dit wel gebeurt dan moeten zowel de
gemaakte kosten als de gederfde winst worden vergoed. Dit heet
positieve contractsbelang.
Voor de 3de fase volgt uit het CBB/JPO een terughoudende maatstaf. Deze
derde fase komt bijna nooit voor, waardoor contractsvrijheid het
uitgangspunt is. Onderhandelingen die zich in de derde fase bevinden
mogen niet afgebroken worden, indien dit op grond van het
totstandkomingsvertrouwen van de wederpartij of vanwege andere
omstandigheden, onaanvaardbaar zou zijn. Hierbij wordt rekening
gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij de
onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft
bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij.
Het doorslaggevende moment voor gerechtvaardigd vertrouwen is het
moment van het afbreken van de onderhandelingen tegen de achtergrond
van het gehele traject van onderhandelingen.
De stichting en Nees zaten nog in de precontractuele fase, want er was
nog geen contract. Nees heeft wel al wijzigingen doorgekregen van de
stichting en ze hadden ook al eerder samengewerkt met positieve
resultaten. Ook heeft Nees op eigen advies een veiligheidsspecialist
gevraagd. De onderhandelingen zijn te vergaand voor fase 1, maar nog
niet fase 3. Een belangrijke maatstaf voor fase 3 is dat er wordt toegezegd
,dat het contract tot stand komt na het doorvoeren van een paar kleine
wijzingen. Dit is nog niet gebeurd, dus de onderhandelingsfase vindt zich
in fase 2, vanaf 5 januari in fases 2 wordt al concreter. Hierdoor moet de
stichting het negatieve belang, de gemaakte kosten van 8000 euro,
vergoeden.
Maar je kan ook verder beredeneren naar fase 3! Maar of er echt
gerechtvaardigd vertrouwen is geweest is niet echt het geval.
Conclusie, fase 1 niet aan de orde, fase 3 ook niet aan de orde, dus geen
vergoeding gederfde winst. Bevinden zich in fase 2: mogelijke vergoeding
kosten in fase 2, kosten beveiligingsadvies, hangen af van de feiten en
omstandigheden van het geval.
Grondslagen voor schadevergoeding kunnen zijn
- Onrechtmatige daad (art. 6:162 BW): je moet je tegenover de
wederpartij betamelijk gedragen
- Redelijkheid en billijkheid: bescherming van het gerechtvaardigd
vertrouwen
- Wanprestatie (art. 6:74 BW): indien onderhandelingen zo ver
gevorderd zijn, dat er in principe al sprake is van een overeenkomst
- Ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW): aangezien de
Stichting van Nees informatie verkrijgt over veiligheidsnormen door
specialist en hiervoor niet betaalt, is verrijkt. HR afgebroken
onderhandelingen: wel vereist: verrijking, verarming, causaal
verband en verrijking is ongerechtvaardigd.
Casus 1.2
Een overeenkomst zoals in art. 6:213 BW komt tot stand door aanbod en
de aanvaarding (van dat specifieke aanbod) daarvan (art. 6:217 lid 1 BW).
Er moet dus sprake zijn van wilsovereenstemming, aanbod en aanvaarding
moeten overeenkomen. Aanbod en aanvaarding zijn rechtshandelingen
(totstandkoming art. 3:33 jo 3:35 BW). Het gaat om een
koopovereenkomst en dit is een wederkerige overeenkomst (art. 6:261
BW).
Rustenburg biedt de fiets aan en doet dus een aanbod. Dit accepteert
Stuurman met een e-mail. Volgens art. 3:33 BW zijn voor aanbod en
aanvaarding een wil en verklaring nodig die met elkaar overeenkomen,
dan heb je een rechtshandeling. Er is hier sprake van een discrepantie
tussen de wil en de verklaring van Rustenburg, want hij wilde hem voor
300 verkopen en bied hem aan voor 100. Hierdoor is er dus geen sprake
van een rechtshandeling op basis van art. 3:33 BW, er is geen rechtsgeldig
aanbod.
Stuurman zou wel een beroep kunnen doen op art. 3:35 BW
(gerechtvaardigd vertrouwen) en indien dit geslaagd is is er toch sprake
van een rechtshandeling. Dit betekent dat er dan wel een overeenkomst
tot stand is gekomen.
3 vereisten art. 3:35 BW: verklaring/gedraging van een ander die is
opgevat als verklaring of gedraging van bepaalde strekking (subjectief) en
in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs zo mocht worden opgevat
(objectief).
,100 euro is relatief weinig voor een fiets, ook omdat de fiets geen
onderhoud nodig heeft. Doordat Rustenburg zegt snel van de fiets af te
willen kan dit een reden zijn om een lagere prijs te hanteren, ook noemt hij
het een ‘koopje’. Daarom kan Stuurman redelijkerwijs toekennen dat
Rustenburg heeft bedoeld de fiets aan te bieden voor 100 euro. Dus kan
worden voldaan aan art. 3:35 BW en zou Stuurman een geslaagd beroep
kunnen doen op het gerechtvaardigd vertrouwen. Geen beroep op
ontbreken wil mogelijk. Want er was een verklaring, fiets kwijt voor 100
euro en dat heeft Stuurman opgevat als een aanbod tot het maken van
een overeenkomst en objectief gezien kon Stuurman er wel op vertrouwen
dat het ook was wat Rustenburg bedoelde. Dus geldig aanbod tot stand
gekomen, fiets voor 100 euro.
Dus een geldige overeenkomst op grond van art. 6:217 BW. De
overeenkomst is op 4 juni tot stand gekomen op basis van de
ontvangsttheorie (art 3:37 lid 3 BW, met de e-mail aanvaard) en de fiets is
voor 100 euro verkocht aan Stuurman.
Casus 1.3
Sub a
Degene die de algemene voorwaarden wil op nemen in het contract heet
de gebruiker. Degene die de algemene voorwaarden aanvaardt de
wederpartij. Voor de toepassing van algemene voorwaarden is aanbod en
aanvaarding zoals in art. 6:217 BW van belang. Het wilsvertrouwen uit art.
3:33 jo 3:35 BW ligt hieraan ten grondslag. De gebruiker moet de
wederpartij op zijn algemene voorwaarden wijzen voor of bij de
contractsluiting. De manier waarop dit gebeurd is niet belangrijk. Er kan
sprake zijn van vormvrij aanbod, dat zelf in een gedraging kan liggen, art.
3:37 lid 1 BW.
Art. 6:217 BW: Eerst kijken naar de kern van prestaties komen aanbod en
aanvaarding overeen, ze zijn een offerte overeengekomen over 8000 kg
aardappels voor 10.000 euro, daarover is wilsovereenstemming dus
geldige overeenkomst komt tot stand. Wat betreft de algemene
voorwaarden is het aanbod van superbint met verwijzing van VAN-
voorwaarden en de aanvaarding is door Eigenheimer met verwijzing naar
eigen voorwaarden. Superbint heeft het aanbod liggen in de offerte, want
de algemene voorwaarden zijn daarin opgenomen. Eigenheimer aanvaardt
dit aanbod per brief. Hij doet daarin alleen een tegenbod doordat de
algemene voorwaarden ook zijn opgenomen op het briefpapier. Er is niet
echt een overeenstemming van aanbod en aanvaarding.
Als de gebruiker voor of bij de contractsluiting gewezen heeft op de
algemene voorwaarden en de wederpartij heeft deze (stilzwijgend)
aanvaardt of wekte redelijkerwijze deze indruk, art. 3:35 BW, dan is de
wederpartij gebonden aan de algemene voorwaarden. Uit art. 6:232 BW
volgt dat de wederpartij ook gebonden is aan de algemene voorwaarden
als de gebruiker begreep of redelijkerwijze moest begrijpen dat de
wederpartij een of een aantal of alle voorwaarden niet kende. De
wederpartij is dan dus gebonden terwijl hij de algemene voorwaarden niet
heeft gelezen.
Er is sprake van een wilsovereenstemming over de aardappelen. De vraag
is welke van de twee algemene voorwaarden van toepassing zijn. In art.
, 6:225 lid 3 staat het probleem uitgewerkt. Dit heet de battle of forms en
houdt in dat de eerste verwijzing naar de algemene voorwaarden geldig is
(first shot). De wederpartij kan zijn wederpartij algemene voorwaarden
voorafgaand uitdrukkelijk van de hand wijzen. Hierdoor zijn bepaalde
algemene voorwaarden van de wederpartij niet geldig. Aan de tweede
verwijzing komt geen werking toe indien de toepasselijkheid van de eerste
verwijzing niet uitdrukkelijk is afgewezen.
De voorwaarden van Eigenheimer worden echter niet uitdrukkelijk
afgewezen zoals in art. 6:225 lid 3 BW, dit betekent dat de voorwaarden
van Superbint voorrang kennen. De voorwaarden van superbint maken
deel uit van de overeenkomst (art. 6:217 jo 6:225 lid 3 en 6:232 BW).
Snelle gebondenheid: ook als eigenheimer de voorwaarden niet heeft
gelezen, zijn de algemene voorwaarden in hun geheel van toepassing (art.
6:232 BW).
Dit gaat om de vraag welke algemene voorwaarden tot stand zijn
gekomen
Sub b
Uit art. 6:233 BW volgen twee vernietigingsgronden: beroep op
vernietigbaarheid
- Sub a: een beding is onredelijk bezwarend (inhoudelijke toets):
indien de gebruiker aan de wederpartij niet een redelijke
mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden
kennis te nemen.
- Sub b: de gebruiker heeft de wederpartij niet een redelijke
mogelijkheid geboden om van algemene voorwaarden kennis te
nemen (formele toets, informatieplicht).
Het startpunt is altijd de formele toetsing bij het toetsen of vernietiging
mogelijk is en dus het niet van toepassing verklaren van de algemene
voorwaarden. Het gaat eerst om de terhandstelling en als daar niets is
misgegaan toets je aan de inhoudelijke toets. Eigenheimer beroept zich op
de formele toets uit art. 6:233 BW sub b.
Het gaat om de informatieplicht, want een wederpartij moet wel weten
waar hij aan toe is. Deze formele vernietigingsgrond wordt enerzijds
uitgewerkt in art. 6:230c BW en art. 6:234 BW.
Art. 6:234 BW (redelijke mogelijkheid) regelt de informatieplicht: indien
geen sprake van een dienstenovereenkomst. De regel is dat de gebruiker
de algemene voorwaarden voor of bij de overeenkomst aan de wederpartij
ter hand stelt (hoofdregel is terhandstelling volgt uit lid 1). Lid 1 zegt ook
in het geval van een dienstverrichter (art. 6:230a) dan wordt
informatieplicht ex 6:230b lid 6 BW nader uitgewerkt in art. 6:230c en
6:230e BW). De gebruiker moet het dus aan de wederpartij geven of
melden (overhandigen of toezenden van algemene voorwaarden).
a) Uitzondering 1: indien het gaat om partijen die regelmatig met
elkaar contracteren en de wederpartij dus redelijkerwijze bekend had
moeten zijn met de algemene voorwaarden, dan is terhandstelling
niet noodzakelijk. HR Geurtzen/Kampstaal.
b) Uitzondering 2: Indien het redelijkerwijs niet mogelijk is om de
algemene voorwaarden ter hand te stellen (telefonisch contract),