Wetenschapsfilosofie
LITERATUUR:
DEEL 1: THEORY AND REALITY (is wetenschap ook maar een mening, zo nee wrm
niet?
- College 3: Nee, want wetenschap is gebaseerd op observaties
- College 4: Nee, want wetenschappelijke theorieën zijn falsifeerbaar
- College 5: Ja, wetenschap is ook maar een mening
- College 6: Nee, vanwege de sociale structuur van wetenschap
- College 7: Nee, maar is er geen eenduidig antwoord op de vraag
waarom niet
DEEL 2: Philosophy of social science (5e editie) (Wat is het verschil tussen sociale en
natuurwetenschappen?)
- College 9: Er is geen verschil
Hoorcollege 1 - Introductie - College 10: Sociale wetenschappen hebben een ander doel:
interpretatie
Wat is filosofie ? - College 11: Sociale wetenschappen bestuderen de wereld op een ander
niveau
- Wat is kennis? (epistemologie)
- Wat betekent het om te zeggen dat iets
‘waar’ is? (metafysica)
- Bestaat er zoiets als vrije wil? (filosofie van de geest)
- Wat is de beste manier om in het leven te staan? ( ethiek)
- Is schoonheid een kwestie van smaak? (esthetiek)
Filosofie kan over veel verschillende onderwerpen gaan (wetenschap, bewustzijn,
schoonheid). Vragen hierover zijn filosofisch, omdat ze fundamenteler, conceptueler
en mogelijk onoplosbaar zijn.
Wat is wetenschapsfilosofie ?
- Wat is wetenschap?
- Wat is de beste wetenschappelijke methode?
- Wat is het verschil tussen wetenschap en pseudowetenschap?
- Wat bedoelen we wanneer we zeggen dat iets waar is?
Wetenschapsfilosofen denken na over de aard van de wetenschap, maken
onderscheid tussen wetenschap en pseudowetenschap. -> Wat is de status van
sociale wetenschappen?
Hoorcollege 2 – De wetenschappelijke revolutie
De wetenschappelijke revolutie (1550-1700)
Achtergrond: Voor 1150 -> bijbel en religieus wereldbeeld om dingen te weten.
Erna -> ontdekking van natuurkunde/astronomie, geneeskunde, scheikunde zorgden voor
een enorme strijd tussen kerk en wetenschap; veel van wat we zeker wisten werd
ondermijnd.
o Vraag: Wat is kennis? Hebben we wel kennis?
,De opkomst van het scepticisme
A. Definitie van kennis
Vragen naar noodzakelijke en voldoende voorwaarden
Plato: Er zijn drie condities die individueel noodzakelijk en gezamenlijk voldoende zijn:
- Overtuiging: Je moet X geloven om X te kunnen kennen
- Waarheid: X moet waar zijn om X te kunnen kennen
- Rechtvaardiging: Je overtuiging moet gerechtvaardigd zijn om X te kunnen kennen
Je hebt kennis over X wanneer je overtuiging mbt X waar en gerechtvaardigd is.
B. Scepticisme
We hebben geen kennis, want hoewel we overtuigingen hebben en sommige overtuigingen
toevallig waar kunnen zijn, weten we nooit zeker dat ze waar zijn en dus hebben we geen
rechtvaardiging. (Montaigne onbetrouwbaarheid zintuigen)
Twee historische invloedrijke antwoorden
A. Rationalisme: er zijn bepaalde dingen die we wel zeker kunnen weten (wiskunde)
René Descartes was een rationalist
- Alle zintuigelijk waarneming is onbetrouwbaar, dus je kan alleen vertrouwen op heldere en
duidelijke ideeën.
-> cogito (ik denk, dus ik besta): Dubito ergo cogito, Cogito ergo sum I doubt therefore I think, I think
therefore i am
- Deductie = Als je zeker weet dat de premissen waar zijn, dan weet je ook zeker dat de
conclusie waar is. (van algemene naar bijzondere) (theorie testen)
Heldere en duidelijke ideeën -> deductie -> kennis.
Zekere kennis
B. Empirisme: ervaring opgedaan via zintuiglijke waarneming is
de bron van kennis (common sense opvatting)
Tabula Rasa -> er bestaat geen ingeboren kennis
Bacon was een empirist
- Nihil est in intellectu quod non prius fuerit in sensu Niets is in het intellect dat zich niet eerst in de zintuigen
bevond
- Inductie = Als je zeker weet dat de permissen waar zijn, dan is het waarschijnlijk dat de
conclusie ook waar is. (bijzondere naar algeme) (theorie opzetten)
Observaties -> inductie -> kennis. Feitbare kennis
o Empirisme leidt tot sceptisme (weerspiegeling van alles zie je, dus hoe weet je of het
kopie op het origineel lijkt?
o Inductieprobleem (hoe weten we dat we op inductie kunnen vertrouwen? -> omdat het
in het verleden ook heeft gewerkt -> Fout, leunt zelf op inductie
o Alleen gerechtvaardigd geloven dat inductie betrouwbaar is, als je er al vanuit gaat
dat inductie betrouwbaar is.
, Hoorcollege 3 – Confirmationisme
1. Einstein
Annus Mirabilis 1905
- Maart: licht bestaat uit deeltjes, niet uit golven
- Mei: atomen bestaan dmv van wiskundigbewijs
- Juni: relaviteitstheorie (ruimte, tijd en beweging: v = s/t)
- September: E=mc^2
2. Een logische benadering
Weense kring (jaren 20-30, nieuwe wetenschapsfilosofie
ontwikkelen)
- Bestudeert de logische structuur van wetenschappelijke
theorieën
- Ziet wetenschappelijke theorie als een verzameling van zinnen
en reconstrueert de logische connecties tussen de zinnen.
3. Demarcatiecriteria
Confirmationisten gebruikten hun ‘logische’ analyse om een onderscheid te maken tussen
wetenschappelijke kennis en onwetenschappelijke claims. pseudowetenschappen
- Weense kring: we moeten een scherp criterium hebben die de goede wetenschap van dit
soort pseudowetenschap kan onderscheiden. demarcatiecriteruum
- Eerste voorstel weense kring: echte wetenschappelijke theorieën zijn verifieerbaar
(controleerbaar bij observatie). Dit is omdat voorbeelden uit de wetenschappelijke praktijk
lieten zien dat concepten betekenisloos worden wanneer ze niet meer verifieerbaar zijn. Ook
voor pseudowetenschappen. Verifieerbaarheid, niet daadwerkelijk geverifieerd
Maar heel veel wetenschappelijke uitspraken lijken niet verifieerbaar
Confirmeerbaarheid als oplossing
4. Confirmatie
- Tweede voorstel weense kring: echte wetenschappelijke theorieën zijn confirmeerbaar
(bevestigen).
- HD theorie van confirmatie = hypothetico-deductivism. Hypotheses in wetenschap zijn
bevestigd wanneer een logische consequentie waar blijkt te zijn. Inductie en deductie
wisselen elkaar af.
Fascisme (filosofie van de nazi’s Het fascisme is een
extreme vorm van autoritair nationalisme en is
antidemocratisch, anticommunistisch, antiliberaal,
antiparlementair en anti-intellectueel)
Albert Einstein and Henri Bergson publicly debated the
nature of time. Einstein considered Bergson’s theory of
time to be a soft, psychological notion, irreconcilable with
the quantitative realities of physics.
LITERATUUR:
DEEL 1: THEORY AND REALITY (is wetenschap ook maar een mening, zo nee wrm
niet?
- College 3: Nee, want wetenschap is gebaseerd op observaties
- College 4: Nee, want wetenschappelijke theorieën zijn falsifeerbaar
- College 5: Ja, wetenschap is ook maar een mening
- College 6: Nee, vanwege de sociale structuur van wetenschap
- College 7: Nee, maar is er geen eenduidig antwoord op de vraag
waarom niet
DEEL 2: Philosophy of social science (5e editie) (Wat is het verschil tussen sociale en
natuurwetenschappen?)
- College 9: Er is geen verschil
Hoorcollege 1 - Introductie - College 10: Sociale wetenschappen hebben een ander doel:
interpretatie
Wat is filosofie ? - College 11: Sociale wetenschappen bestuderen de wereld op een ander
niveau
- Wat is kennis? (epistemologie)
- Wat betekent het om te zeggen dat iets
‘waar’ is? (metafysica)
- Bestaat er zoiets als vrije wil? (filosofie van de geest)
- Wat is de beste manier om in het leven te staan? ( ethiek)
- Is schoonheid een kwestie van smaak? (esthetiek)
Filosofie kan over veel verschillende onderwerpen gaan (wetenschap, bewustzijn,
schoonheid). Vragen hierover zijn filosofisch, omdat ze fundamenteler, conceptueler
en mogelijk onoplosbaar zijn.
Wat is wetenschapsfilosofie ?
- Wat is wetenschap?
- Wat is de beste wetenschappelijke methode?
- Wat is het verschil tussen wetenschap en pseudowetenschap?
- Wat bedoelen we wanneer we zeggen dat iets waar is?
Wetenschapsfilosofen denken na over de aard van de wetenschap, maken
onderscheid tussen wetenschap en pseudowetenschap. -> Wat is de status van
sociale wetenschappen?
Hoorcollege 2 – De wetenschappelijke revolutie
De wetenschappelijke revolutie (1550-1700)
Achtergrond: Voor 1150 -> bijbel en religieus wereldbeeld om dingen te weten.
Erna -> ontdekking van natuurkunde/astronomie, geneeskunde, scheikunde zorgden voor
een enorme strijd tussen kerk en wetenschap; veel van wat we zeker wisten werd
ondermijnd.
o Vraag: Wat is kennis? Hebben we wel kennis?
,De opkomst van het scepticisme
A. Definitie van kennis
Vragen naar noodzakelijke en voldoende voorwaarden
Plato: Er zijn drie condities die individueel noodzakelijk en gezamenlijk voldoende zijn:
- Overtuiging: Je moet X geloven om X te kunnen kennen
- Waarheid: X moet waar zijn om X te kunnen kennen
- Rechtvaardiging: Je overtuiging moet gerechtvaardigd zijn om X te kunnen kennen
Je hebt kennis over X wanneer je overtuiging mbt X waar en gerechtvaardigd is.
B. Scepticisme
We hebben geen kennis, want hoewel we overtuigingen hebben en sommige overtuigingen
toevallig waar kunnen zijn, weten we nooit zeker dat ze waar zijn en dus hebben we geen
rechtvaardiging. (Montaigne onbetrouwbaarheid zintuigen)
Twee historische invloedrijke antwoorden
A. Rationalisme: er zijn bepaalde dingen die we wel zeker kunnen weten (wiskunde)
René Descartes was een rationalist
- Alle zintuigelijk waarneming is onbetrouwbaar, dus je kan alleen vertrouwen op heldere en
duidelijke ideeën.
-> cogito (ik denk, dus ik besta): Dubito ergo cogito, Cogito ergo sum I doubt therefore I think, I think
therefore i am
- Deductie = Als je zeker weet dat de premissen waar zijn, dan weet je ook zeker dat de
conclusie waar is. (van algemene naar bijzondere) (theorie testen)
Heldere en duidelijke ideeën -> deductie -> kennis.
Zekere kennis
B. Empirisme: ervaring opgedaan via zintuiglijke waarneming is
de bron van kennis (common sense opvatting)
Tabula Rasa -> er bestaat geen ingeboren kennis
Bacon was een empirist
- Nihil est in intellectu quod non prius fuerit in sensu Niets is in het intellect dat zich niet eerst in de zintuigen
bevond
- Inductie = Als je zeker weet dat de permissen waar zijn, dan is het waarschijnlijk dat de
conclusie ook waar is. (bijzondere naar algeme) (theorie opzetten)
Observaties -> inductie -> kennis. Feitbare kennis
o Empirisme leidt tot sceptisme (weerspiegeling van alles zie je, dus hoe weet je of het
kopie op het origineel lijkt?
o Inductieprobleem (hoe weten we dat we op inductie kunnen vertrouwen? -> omdat het
in het verleden ook heeft gewerkt -> Fout, leunt zelf op inductie
o Alleen gerechtvaardigd geloven dat inductie betrouwbaar is, als je er al vanuit gaat
dat inductie betrouwbaar is.
, Hoorcollege 3 – Confirmationisme
1. Einstein
Annus Mirabilis 1905
- Maart: licht bestaat uit deeltjes, niet uit golven
- Mei: atomen bestaan dmv van wiskundigbewijs
- Juni: relaviteitstheorie (ruimte, tijd en beweging: v = s/t)
- September: E=mc^2
2. Een logische benadering
Weense kring (jaren 20-30, nieuwe wetenschapsfilosofie
ontwikkelen)
- Bestudeert de logische structuur van wetenschappelijke
theorieën
- Ziet wetenschappelijke theorie als een verzameling van zinnen
en reconstrueert de logische connecties tussen de zinnen.
3. Demarcatiecriteria
Confirmationisten gebruikten hun ‘logische’ analyse om een onderscheid te maken tussen
wetenschappelijke kennis en onwetenschappelijke claims. pseudowetenschappen
- Weense kring: we moeten een scherp criterium hebben die de goede wetenschap van dit
soort pseudowetenschap kan onderscheiden. demarcatiecriteruum
- Eerste voorstel weense kring: echte wetenschappelijke theorieën zijn verifieerbaar
(controleerbaar bij observatie). Dit is omdat voorbeelden uit de wetenschappelijke praktijk
lieten zien dat concepten betekenisloos worden wanneer ze niet meer verifieerbaar zijn. Ook
voor pseudowetenschappen. Verifieerbaarheid, niet daadwerkelijk geverifieerd
Maar heel veel wetenschappelijke uitspraken lijken niet verifieerbaar
Confirmeerbaarheid als oplossing
4. Confirmatie
- Tweede voorstel weense kring: echte wetenschappelijke theorieën zijn confirmeerbaar
(bevestigen).
- HD theorie van confirmatie = hypothetico-deductivism. Hypotheses in wetenschap zijn
bevestigd wanneer een logische consequentie waar blijkt te zijn. Inductie en deductie
wisselen elkaar af.
Fascisme (filosofie van de nazi’s Het fascisme is een
extreme vorm van autoritair nationalisme en is
antidemocratisch, anticommunistisch, antiliberaal,
antiparlementair en anti-intellectueel)
Albert Einstein and Henri Bergson publicly debated the
nature of time. Einstein considered Bergson’s theory of
time to be a soft, psychological notion, irreconcilable with
the quantitative realities of physics.