Bedrijfsomgeving
Samenvatting van de hoofdstukken 17, 18, 19, 20, 21, 22 en 24 uit het boek Algemene Economie en
Bedrijfsomgeving van W. Hulleman & A.J. Marijs.
Derde druk, 2012
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 17: aanbod van geld .............................................................................................................. 2
17.1 Functies van geld ......................................................................................................................... 2
17.2 Geldsoorten ................................................................................................................................. 2
17.3 Geldhoeveelheid en binnenlandse liquiditeitenmassa ............................................................... 3
17.4 Banken en de bankbalans............................................................................................................ 4
Hoofdstuk 18 Vraag naar geld en monetair beleid ................................................................................. 5
18.1 Vraag naar geld............................................................................................................................ 5
18.2 Monetair beleid ........................................................................................................................... 6
Hoofdstuk 19: Vermogensmarkten ......................................................................................................... 7
19.1 functies en indeling van de vermogensmarkten ......................................................................... 7
19.2 geldmarkt .................................................................................................................................... 7
19.3 kapitaalmarkt .............................................................................................................................. 8
19.4 Rentestructuur .......................................................................................................................... 10
Hoofdstuk 20; renterisico en rentebeleid ............................................................................................. 10
20.1 opzet en doelstellingen van het rentebeleid ............................................................................ 10
20.2 rentegevoeligheid...................................................................................................................... 10
20.3 renteprognose ........................................................................................................................... 11
20.4 Rente-instrumenten .................................................................................................................. 11
Hoofdstuk 21; internationale economische ontwikkelingen ................................................................ 12
21.1 wereldeconomie in beeld .......................................................................................................... 12
21.2 globalisering .............................................................................................................................. 13
Hoofdstuk 22 vrijhandel en protectie ................................................................................................... 14
22.1 Comparatieve kostentheorie en vrijhandel............................................................................... 14
22.2 Protectionisme .......................................................................................................................... 15
22.3 Betalingsbalans .......................................................................................................................... 16
1
,Hoofdstuk 24; valutamarkt.................................................................................................................... 17
24.1 Kenmerken van de valutamarkt ................................................................................................ 17
24.2 Koersvorming op de constante markt ....................................................................................... 18
24.3 wisselkoersstelsel ...................................................................................................................... 19
24.4 wisselkoersbeleid in de EU ........................................................................................................ 20
Hoofdstuk 17: aanbod van geld
17.1 Functies van geld
Ruilmiddel; primitieve economieën landbouw, visserij of jacht. Als de arbeidsverdeling in een
economie toeneemt en er steeds meer verschillende goederen en diensten geproduceerd worden,
neemt de noodzaak om goederen te ruilen toe.
Alle stappen in het ruilproces, zoals het zoeken van een tegenpartij, het onderhandelen over de
ruilvoorwaarden , het opstellen van een overeenkomsten en het vastleggen vd overeenkomst in de
boeken vd onderneming gaan gepaard met de inzet van arbeidsuren en dus met transactiekosten.
Het gebruik van geld verlaagt de transactiekosten van de ruil. Voor het gebruik van geld zijn minder
arbeidsuren nodig arbeidsproductiviteit in een geldeconomie is groter dan die in een
goederenruileconomie.
17.1.1 Geld als ruilmiddel
De ruil van goederen kan men opsplitsen in twee delen de transacties hoeven niet op hetzelfde
moment plaats te vinden. Het opsplitsen zorgt ervoor dat er een tijdsverschil is tussen aan- en
verkoop. Geld is een ongedifferentieerde koopkracht (liquide middelen): je kan er alles mee kopen,
wanneer en bij wie je wilt.
Hoge inflatie tast de ruilmiddelfunctie van het geld aan maakt splitsing van de ruil in twee delen
moeilijker. koopkracht neemt af. minder met het verdiende geld kopen.
Zeer hoge inflatie hyperinflatie goederen of vreemde valuta voor producten ontvangen.
17.1.2 Geld als rekeneenheid
Geld kan als maatstaf dienen waarin mensen de waarde van goederen en diensten uitdrukken. Het
gebruik van geld als rekeneenheid heeft tot gevolg dat het aantal prijzen in een economie drastisch
vermindert. In een land met hoge infaltie heeft geld nauwelijks meer betekenis als rekenheid of
waardemaatstaf.
17.1.3 Geld als oppotmiddel
Door sparen, bouwen huishoudens een vermogen op. Ze kunnen het aanhouden in de vorm van
onroerend goed, aandelen, obligaties, spaarrekeningen en liquide middelen. opgepot geld. Bij
hoge inflatie beleggen in onroerend goed, goud of vreemde valuta’s.
17.2 Geldsoorten
17.2.1 Munten en de rol van de overheid
De marktwaarde van het materiaal waaruit het geld bestaat, noemt men de intrinsieke waarde vh
geld. Toen de overheid zich met het geldaanbod ging bemoeien transactiekosten in het
geldverkeer gingen dalen munten met een stempel die de waarde van de munt aangaf. Het geld
kreeg een nominale waarde, de waarde die die op de munt was aangebracht.
2
, 17.2.2 Bankbiljetten en de rol van de centrale bank
De uitgifte van bankbiljetten is een monopolie van de centrale bank. De centrale bank doet alleen
zaken met andere banken. Als banken bankbiljetten nodig hebben voor cliënten, kopen zij deze bij de
centrale bank.
17.2.3 Giraal geld en de rol van banken
Mensen houden het grootste deel van hun geld aan in de vorm van een direct opeisbaar tegoed bij
een bank (giraal geld) banken scheppen giraal geld.
Rente is een beloning voor het afstaan van liquide middelen die de geldlener (debiteur) moet betalen
aan de geldverstrekker (crediteur). De kredietverlening brengt wel onzekerheid mee voor de
geldverstrekker verrekend in de rente. De geldhoeveelheid neemt niet toe, er wordt geld
doorgegeven van de ene persoon naar de andere persoon.
De geldscheppende bankier kan geld uitlenen via direct opeisbare vorderingen (rekening
couranttegoed). De bank garandeert haar cliënt dat hij van dit tegoed betalingen kan verrichten aan
derden of dat hij het tegoed kan omzetten in bankbiljetten. De klant moet rente betalen over de
lening en na verloop van tijd de lening aflossen. wederzijdse schuldaanvaarding. Risico voor de
banken hoe meer girale tegoeden zij creëren, hoe minder kasmiddelen er naar verhouding zijn om
de tegoeden te dekken. liquiditeitspositie van de banken verslechtert.
17.3 Geldhoeveelheid en binnenlandse liquiditeitenmassa
De drie geldsoorten samen noemen we primaire liquiditeiten:
1. Munten die de overheid in omloop brengt
2. Bankbiljetten die de centrale bank in omloop brengt
3. Giraal geld dat de banken in omloop brengen
Chartaal geld: munten en bankbiljetten tastbaar
De ECB meet de hoeveelheid geld id eurozone door de balansen van de monetaire financiële
instellingen (MFI’s) te analyseren. De MFI’s zijn financiële instellingen die de gelduitgevende sector
vh eurogebied vormen, te weten de ECB en de geldscheppende banken. De optelsom van de
verschillende geldsoorten noemen we de monetaire aggregaten.
17.3.1 De geldhoeveelheid: M1
De maatschappelijke geldhoeveelheid, ook wel geldhoeveelheid in enge zin of primaire-
liquiditeitenmassa genoemd, wordt aangeduid met het symbool M1 en bestaat uit:
- het chartale geld: in omloop gebrachte munten en bankbiljetten voor zover ze niet in handen
zijn van de geldscheppende instellingen.
- Het girale geld: direct opeisbare tegoeden vh publiek bij geldscheppende instellingen; deze
tegoeden luiden meestal in euro’s, maar kunnen ook in andere valuta’s luiden.
17.3.2 De binnenlandse liquiditeitenmassa M3
Bij de M1 worden bepaalde vormen van secundaire liquiditeiten opgeteld. Secundaire liquiditeiten
zijn vorderingen op geldscheppende instellingen die in primaire liquiditeiten kunnen worden
omgezet.
Enkele voorbeelden zijn:
- kortetermijndeposito’s: tegoeden bij banken die gedurende een bepaalde periode (ongeveer
2 jaar) niet kunnen worden opgenomen.
- Kort spaargeld: spaargelden die gemiddeld binnen twee jaar weer worden opgenomen; dit
spaargeld wordt wel oneigenlijk spaargeld genoemd;
3