Wat is psychologie?
Psychologie = de wetenschappelijke studie van gedrag, mentale processen en hersenfuncties.
Mind = de hersenen en alles wat ze doen (gedachten, emoties, gedrag).
“Ziel” wordt door wetenschappers gezien als een manier om over hersenactiviteiten te praten.
Methodes
Vroeger: introspectie → mensen keken naar hun eigen gedachten en gevoelens. Onbetrouwbaar,
omdat het niet te controleren is.
Nu: objectieve, wetenschappelijke methodes (metingen, experimenten, technologie).
Filosofie en natuurwetenschappen
- Filosofie: onderzoekt basisvragen zoals: wat is kennis? wat is de bron van gedrag? → discussie
nature (biologie) vs. nurture (omgeving).
- Natuurwetenschappen: bestuderen biologische en lichamelijke processen.
Helmholtz: ontdekte verschillen in reactietijd → bewijs dat de mind een fysieke basis heeft.
Fechner: ontdekte dat waarnemen grenzen heeft (bv. hoe zacht een geluid nog hoorbaar is).
Stromingen
Wundt: deed het eerste psychologische experiment (reactietijden).
Edward Titchener – Structuralisme: geest opdelen in kleine bouwstenen (basiservaringen).
Gestaltpsychologie: kritiek op structuralisme → geheel is belangrijker dan de losse stukjes.
William James – Functionalisme: gedrag en processen zijn nuttig voor aanpassing en
overleving. Focus op het nut van gedrag i.p.v. de structuur van de hersenen.
Sigmund Freud – Psychodynamische theorie: invloed van het onbewuste en van
(jeugd)ervaringen op gedrag en stoornissen. Psychoanalyse als therapie. Niet
wetenschappelijk onderbouwd, maar wel invloedrijk.
Humanistische psychologie: mens is van nature goed en gemotiveerd om te leren en zichzelf
te verbeteren. Slecht gedrag komt vooral door maatschappelijke invloeden.
Behaviorisme: focus op zichtbaar en meetbaar gedrag. Veel dieronderzoek.
Pavlov: klassieke conditionering (leren door associatie).
Watson: paste dit toe, o.a. in reclame (producten koppelen aan emoties).
Thorndike: law of effect → gedrag met positieve gevolgen wordt herhaald, gedrag zonder positieve
gevolgen verdwijnt.
Skinner: operante conditionering → gevolgen (beloning/ straf) bepalen hoe vaak gedrag terugkomt.
Ulric Neisser – Cognitieve psychologie: focus op interne processen (denken, redeneren,
geheugen, probleemoplossing). Dankzij de computer werden informatieverwerking en
modellen belangrijk.
,Psychische stoornissen
Vroeger: verklaard door kwade geesten.
Medisch model: oorzaak = lichamelijk → behandeling met bv. medicijnen.
Psychologisch model: oorzaak = ervaringen/trauma’s → behandeling met psychologische therapie.
Psychologische perspectieven
1. Biologische psychologie: relatie tussen hersenen, lichaam en gedrag (genetica, hormonen,
chemie).
Evolutionaire psychologie: gedrag begrijpen vanuit overleving en voortplanting. Gedrag van nu
bestaat omdat het vroeger nuttig was.
2. Cognitieve psychologie: denkprocessen, informatieverwerking, geheugen,
probleemoplossing.
3. Ontwikkelingspsychologie: veranderingen in gedrag en denken tijdens de levensloop
4. Sociale psychologie: invloed van sociale en culturele omgeving op gedrag, en verschillen
tussen individuen.
5. Klinische psychologie: verklaren, begrijpen en behandelen van psychische stoornissen.
Hoofdstuk 1 – De biologische aanpak van psychologie (+ stukje Hoofdstuk 4.1):
Grote vragen
Waarom is er iets i.p.v. niets?
Hoe verhoudt de mind zich tot hersenactiviteit? → mind-brain problem / mind-body
problem.
Biologische psychologie = studie van fysiologische, evolutionaire en ontwikkelingsmechanismen van
gedrag en ervaringen.
→ Doel: biologie gebruiken om psychologische vragen te beantwoorden.
Drie kernpunten
1. Perceptie vindt plaats in de hersenen.
2. Mentale activiteiten = hersenactiviteiten (monisme)
Monisme: mind en materie = hetzelfde.
Dualisme: mind en materie = gescheiden.
3. Wees kritisch: niet te snel conclusies trekken uit onderzoek.
Vier soorten biologische verklaringen
1. Fysiologisch: gedrag koppelen aan hersenactiviteit en organen.
2. Ontogenetisch: ontwikkeling van gedrag/structuur → genen, voeding, ervaringen en hun
interactie.
, 3. Evolutionair: gedrag verklaren vanuit de evolutionaire geschiedenis van de soort.
4. Functioneel: gedrag verklaren vanuit het nut (waarom het zich zo ontwikkeld heeft).
Nature vs. Nurture?
Onderzoek blindgeboren mensen: gezichtsuitdrukkingen hetzelfde als familie → genetica speelt rol.
Maar: omgeving beïnvloedt ook gedrag → interactie genen en omgeving.
Genen en erfelijkheid
overerving gebeurt via genen → eenheden van erfelijkheid die structuur behouden en
doorgeven aan volgende generaties.
Genen zitten op chromosomen (paren), behalve geslachtschromosomen bij mannen.
Gen = stukje DNA (dubbelstrengs molecuul met basen A, G, C, T).
RNA = kopie van DNA dat de celkern kan verlaten. Volgorde van basen (U, C, G, A) bepaalt de
volgorde van aminozuren → bouwstenen van proteïnen.
Proteïnen = bouwstenen van het lichaam of enzymen die processen versnellen.
Homo- en heterozygoot
Homozygoot: zelfde gen op beide chromosomen (bijv. 2× blauw oog-gen).
Heterozygoot: verschillend gen (bijv. blauw + bruin oog-gen).
Dominant gen: effect zichtbaar bij zowel homo- als heterozygoot.
Recessief gen: effect alleen bij homozygoot.
Geslachtsgebonden genen: op X- of Y-chromosoom (mannen XY, vrouwen XX).
Autosome chromosomen: alle andere chromosomen.
Sex-limited genen: komen in beide geslachten voor, maar uiten zich maar bij één (bijv.
borstontwikkeling bij vrouwen).
Genveranderingen
Mutatie: erfelijke verandering in DNA → andere aminozuren.
Duplicatie / verwijdering: deel van chromosoom wordt 2× of juist niet doorgegeven. Kleine
veranderingen = microduplicatie of microverwijdering.
Epigenetica: genexpressie verandert (aan/uit zetten genen), kan over generaties worden
doorgegeven. Voorbeeld: drugsverslaving verandert genactiviteit.
Alle cellen hebben hetzelfde DNA, maar genactiviteit verschilt → ervaringen, herinneringen
en histonen spelen rol.
Erfelijkheid = in hoeverre variaties in gedrag of karakter afhangen van genetische verschillen.
Onderzoeksmethoden:
1. Tweelingenonderzoek: monozygoot (eeneiig) vs. dizygoot (twee-eiig).