Hoofdstuk 1 Economie van misdaad en straf in vogelvlucht
1.1 Maatschappelijke rationaliteit
Moord wordt algemeen ervaren als een zeer ernstig misdrijf. De inbreuk van de rechtsorde door een
moord is enorm.
Kosten = door de inzet van middelen voor politie en justitie moeten andere dingen worden
opgeofferd.
Baten = doordat de inzet van middelen voor politie en justitie effecten met zich meebrengt die door
de samenleving positief worden gewaardeerd. Dat vraagt om een vergelijking van de huidige situatie
zonder handhavinginspanningen.
Niet alle criminaliteit is uit te bannen. Maar stel je nu wat er zou gebeuren zonder opsporing,
berechting en bestraffing.
De afweging van de maatschappelijke kosten en baten van criminaliteit en criminaliteitsbestrijding is
een van de kernthema’s van de economie van misdaad en straf. De vragen hebben een
wetenschappelijk belang, maar zijn ook beleidsrelevant. Bij de economische beleidsanalyse kan voor
twee verschillende invalshoeken worden gekozen. De onderzoeker kan zich achteraf de vraag stellen
whoe beslissingen in de samenleving feitelijk tot stand zijn gekomen. Hierbij wordt ervan uitgegaan
dat de ambtelijke en politieke besluitvorming eigen wetmatigheden kent, die zinvol bestudeerd
kunnen worden. Veel gangbaarder is echter de situatie dat de economie wordt betrokken bij de
beleidsvoorbereiding van de eigenlijke beslissing. De economie kan een buitengewoon nuttige rol
spelen door informatie aan te dragen over de mogelijk effecten van het optreden van politie en
justitie.
De maatschappelijke kosten-batenanalyse is een economische methodiek om vast te stellen of de
maatschappelijke baten inderdaad groter zijn dan de maatschappelijke kosten. Zo ja, dan is er in
economisch jargon sprake van een toename van de maatschappelijke welvaart of, nog anders
gezegd, van een efficiënte keuze.
1.2 Individuele rationaliteit
Individuen handelen rationeel (kosten-baten afweging). De rationaliteitveronderstelling houdt niet in
dat mensen altijd perfecte beslissingen maken. Om te beginnen brengt het verzamelen en verwerken
van informatie kosten met zich mee, in tijd of in geld. Daardoor kan het voor een individu
buitengewoon rationeel zijn om niet volledig geïnformeerd te zijn alvorens een beslissing te nemen.
Soms nemen individuen beslissingen op de automatische piloot, en die onbewuste beslissingen
kunnen begrepen worden alsof het individu in kwestie een rationele keuze maakt. Ook sluit de
economie niet uit dat mensen zich soms door hun emoties laten meeslepen. Economie is een
maatschappijwetenschap en geen menswetenschap.
Immateriële kosten van regelovertreding zijn de drempels die een dader over moet, zoals wroeging
en sociale controle.
Strafrisico = de gemiddelde sanctie die een regelovertreder kan verwachten als gevolg van het
optreden van politie en justitie.
1.3 Strategische interactie
Beslissingstheoretische benadering waarbij de overheid wordt geacht zodanig precies aan de
knoppen te kunnen draaien dat het maatschappelijke optimum tot stand komt, veronderstelt een
hiërarchische, maakbare samenleving. De werkelijkheid is echter weerbarstiger. De
beslissingstheoretische benadering gaat voorbij aan een aantal complicaties:
, 1.Ten eerste is de besluitvorming van de overheid gevoelig voor politieke processen. Politieke
prioriteiten zijn nou eenmaal onderhevig aan veranderingen. Onder druk van zich wijzigende
prioriteiten vindt dan een herschikking plaats van de middelen binnen de overheidsbegroting.
2.Ten tweede is de overheid niet volledig centraal gestuurd. In de uitvoering van de organisatie is er
nog heel wat ruimte voor nadere invulling.
3.Ten derde spelen ook anderen dan de regelovertreders en de overheid een rol van betekenis.
Mensen kunnen ook zichzelf beschermen.
Wat deze drie complicaties gemeen hebben is dat er sprake is van een strategische interactie.
Interacties tussen regelovertreders en de overheid (strenge aanpak leidt tot afname criminaliteit).
Interactie tussen overheidsbeleid, uitvoerende instanties en regelovertreders.
Speltheorie is een tak van de wiskunde die zich bezighoudt met het analyseren van strategische
interactie.
Het is heel wel mogelijk dat het strafrisico niet alleen invloed heeft op de omvang van criminaliteit,
maar dat de omvang van criminaliteit ook invloed heeft op het strafrisico. In het ene geval is er
waarschijnlijk sprake van een negatief verband (een lager strafrisico leidt tot meer criminaliteit), in
het andere geval is het verband waarschijnlijk positief (meer criminaliteit, leidt tot een hoger
strafrisico). Tweezijdige causaliteit, ofwel simultaniteit.
De statistische resultaten kunnen ook een vertekend beeld geven als er sprake is van een vergeten
grootheid (omitted variabele).
1.4 Reikwijdte van het strafrecht
De vraag naar de schadelijkheid van de handelingen verwijst naar het leerstuk van de negatieve
externe effecten.
De overheid kan op verschillende manieren optreden tegen handelingen die op enigerlei wijze
schadelijk zijn. In civielrechtelijke sfeer kan zij zodanige eigendom- en aansprakelijkheidsrechten
proberen te formuleren dat de mogelijke slachtoffers vooraf toestemming moeten geven dan wel
achteraf recht kunnen doen gelden op herstel van de geleden schade.
Een tweede soort aanpak ligt in de bestuursrechtelijke sfeer, waarbij de overheid via vergunningen of
heffingen de schadelijke activiteiten probeert te beïnvloeden.
Ten slotte kan de overheid haat toevlucht nemen tot strafrechtelijke sanctionering.
De waarde van het strafrecht is gelegen is haar afschrikkende en preventie werking ten aanzien van
schadelijke gedragingen.
Met alleen strafbaar stellen zijn we er echter niet. Wil het strafrecht zijn functies kunnen
waarmaken, dan zal er ook gehandhaafd moeten worden. En dat gaat nu eenmaal gepaard met
handhavingkosten.
1.5 Samenvatting en verdere opbouw van het boek
Vier typen vraagstukken:
-De verklaring van crimineel gedrag;
-De efficiënte aanpak van de criminaliteitsbestrijding;
-De politieke en justitiële besluitvorming ter zake;
-De strafbaarstelling dan wel legalisering van activiteiten;
Hoofdstuk 2 begint met de theorie en presenteert een economisch model van crimineel gedrag. Of
de theorie een adequate beschrijving geeft van de werkelijkheid moet blijken uit empirisch
onderzoek. Economen maken voor empirisch onderzoek veelal gebruik van regressieanalyse, dat
komt in hoofdstuk 3 aan bod.