Perspectieven op recht
RGBUSBR003 - Universiteit Utrecht 2024-2025
Bevat:
1. Uitwerking Hoorcolleges
2. Uitwerking Leerdoelen
3. Uitwerking relevante informatie uit werkgroepopdrachten
a. Selectie gemaakt gebaseerd op punt 1 - 3
4. Uitwerking relevante informatie uit voorgeschreven literatuur
a. Selectie gemaakt gebaseerd op punt 1 - 3
,Week 1
HC: Rechtspleging
- Werk van de rechter (rechterlijke oordeelsvorming)
- Twee verschillende manieren:
1. Juridische invalshoek
a. Kijken op basis van het geldende positieve recht (rechtsregels)
2. Contextuele invalshoek
a. Begrijpen hoe een stukje ‘recht’ functioneert zonder gelijk in het
positieve recht te kijken → filosofische/empirische benadering
- Bij conflicten → wat is de beste manier?
1. Stukken zijn te begrijpen en bestuderen maar je mist best wat
2. Stukken functioneren op meerdere dimensies → meer belangenafweging
- 2 soorten vragen:
1. Rechtsvragen
a. algemene juridisch onderzoek naar hoe het recht moet worden
toegepast in een concreet geval
i. BV: Is gedrag A in strijd met het mededingingsrecht?
ii. Beantwoord door positieve recht
a. Vragen over het recht
i. Vragen over de betekenis of interpretatie van rechtsregels zelf
1. BV: Wat betekent begrip A in deze richtlijn?
2. Beantwoord door rechtsfilosofische vragen (zie hieronder)
ART: QUIST, “TYPEN VRAGEN”
- Over het recht kan je verschillende typen vragen stellen
, Onderscheid descriptief en normatief
1. Descriptieve vraag
a. Hoe de dingen zijn → uitspraak is gericht op het beschrijven van hoe dingen
zijn → vraag is een poging tot een weergave van feiten
b. Rechter is een waarheidsvinder: uitspraak gedragen door objectieve
weergave van feiten
2. Normatieve vraag
a. Hoe de dingen zouden moeten zijn
i. Uitdrukking van een waardeoordeel
1. Innemen van een stellingname → een evaluatie van de
werkelijkheid
ii. Uitdrukking van een norm (prescriptief)
1. BV: het is niet toegestaan om dronken te rijden → geen
beschrijving van rijgedrag → schrijft een norm voor
- Onderscheid tussen de twee heeft niks te maken met tijd (1 = nu, 2 = voor later)
Typen vragen: nadere beschouwing
1. Empirische vragen (descriptief)
a. Vraag bedoeld om feitelijkheden vast te stellen vanuit een zintuiglijke
waarneming (stoplicht rood)
i. Kwantitatief onderzoek: cijfers/data → waarnemingsgegevens
ii. Kwalitatief onderzoek: ervaring/beweegredening achterhalen
2. Conceptuele vragen (tussenvariant)
a. Vraag bedoeld om een bepaald begrip te definiëren
i. Analyse: inhoud van een begrip achterhalen
ii. Stipulatie: ontwikkeling van een begrip achterhalen
iii. Vaak wordt gebruikt gemaakt van beide
3. Interpretatieve vragen (tussenvariant)
a. Vraag bedoeld om de betekenis van een begrip in een bepaalde context
achterhalen
i. Recht interpretatieve vragen: context = het recht
1. Rechtsvinding: wat vereist recht voor een concreet geval
2. Rechtsdogmatiek: recht geïnterpreteerd in leerstukken
4. Normatieve vragen (normatief)
a. Vraag naar een waardeoordeel, hoe dingen zouden moeten zijn
ART: MAK, “WEERBAARHEID” (2023) (P.3407-3410)
- Juridisch onderwijs belangrijke rol om verval van de rechtsstaat te voorkomen
Het rechtsstaat principe
- TAMANAHA: In westerse systemen: (volledige realisatie = utopie)
1. Formele legaliteit als rem op machtsuitoefening
2. Democratie, rechtvaardigheid en gelijkheid in de samenleving
- JANSE: rule of law → rule of men (afhankelijk van cultuur)
- De hoogst macht kan niet rechtmatig worden beperkt door juridische
middelen → macht moet zich vrijwillig binden aan het rechtsstaat principe: