Hoorcollege 9 en 10
1. Welke glucosetransporter bevindt zich in de bloed-hersenbarrière?
a. GLUT1
b. GLUT2
c. GLUT3
d. GLUT4
e. GLUT5
2. Waarom levert verbranding van vetzuren een risico?
3. Glycolyse verloopt langzamer in aanwezigheid van zuurstof dan wanneer er
weinig of geen zuurstof is. Waarom?
a. Gevormd acetyl-CoA remt hexokinase
b. Gevormd acetyl-CoA remt hexokinase
c. Gevormd ADP remt glucokinase
d. Gevormd ATP remt fosfofructokinase
4. Welke enzym zet acetyl-CoA om in vetzuren?
a. Acetyl-CoA carboxylase
b. Fosfofrusctokinase
c. Pyruvaat dehydrogenase
d. Pyruvaatkinase
5. Welke stelling over spiercellen is juist?
a. Acetyl-CoA kan worden omgezet in vetzuren
b. ATP leidt hier niet tot allosterische remming
c. Hier bevindt zich GLUT2
d. Vorming van glycogeen is mogelijk
6. Lipoproteïnelipase wordt gestimuleerd door insuline.
a. Juist
b. Onjuist
Stofw I → week 4 → vragen → 1
,7. Welke twee aminozuren zijn niet bruikbaar bij gluconeogenese?
⬜ Alanaine
⬜ Glutamine
⬜ Leucine
⬜ Lysine
8. Uit Acetyl-CoA kan glucose gevormd worden.
a. Juist
b. Onjuist
9. Uit glycerol kan glucose gevormd worden.
a. Juist
b. Onjuist
10. Hormoon sensitief lipase wordt geremd door insuline.
a. Juist
b. Onjuist
11. Wat ontstaan bij bèta-oxidatie van een vetzuur met een oneven aantal C-
atomen?
a. Acetyl-CoA en propionyl-CoA
b. Acyl-CoA, acetyl-CoA en propionyl-CoA
c. 2 acetyl-CoA
d. 2 Acyl-CoA
12. Waarom wordt acetyl-CoA omgezet in ketonlichamen bij ketogenese?
Werkgroep 6
13. Hoe wordt pyruvaat omgezet in glucose?
14. Waar vindt gluconeogenese plaats?
15. Wat stimuleert, naast adrenaline, glycogenolyse en glycolyse in spieren?
16. Waaruit wordt oxaalacetaat gevormd?
a. Acetyl-CoA
b. Glucose
c. Transcobalamine II
d. Transferrine
Stofw I → week 4 → vragen → 2
, 17. Waar bevinden zich glucagonreceptoren?
a. Enterocyten
b. Hepatocyten
c. Spieren
d. Vet
Zelfstudie 4
18. Welk enzym breekt heemgroepen af?
a. DcytB
b. Hox1
c. DMT1
d. HCP1
19. Via welke manier van transport komt het Fe2+ de enterocyt in?
a. Passieve diffusie
b. Gefaciliteerd transport
c. Actief transport
20.Welke eiwit/transporter regelt transport door het basolaterale membraan?
a. Ferritine
b. Ferroportine
c. Transferrine
21. Ferritine kan bepaald worden om te kijken of er sprake is van een
ijzerdeficiëntie. Bij een te laag ijzer verwacht je ook een laag gehalte vrij
ferritine in je plasma, aangezien deze twee stoffen correleren met elkaar.
a. Juist
b. Onjuist
22. IJzer wordt in de Fe2+ vorm aan transferrine gebonden.
a. Juist
b. Onjuist
23.Hoe verlaat ijzer het lichaam?
⬜ Bij het uitademen
⬜ Door afbraak erytrocyten
⬜ Door uitscheiding door de nieren
⬜ Door verlies van epitheelcellen van de darm
⬜ Door verlies van huidcellen
⬜ Via bloedingen
⬜ Via gal
⬜ Via zweet
Stofw I → week 4 → vragen → 3