Module 3. Chirurgie
Thema 1. Wonden en (peri)operatieve zorg
Wondzorg
De student kan beschrijven hoe de verschillende soorten acute wonden eruitzien (abrasie, incisie, avulsie, laceratie,
puncture, amputatie)
Abrasie = schaafwond, verbreking van de continuiteit van de huid
waarbij ten minste een deel van de opperhuid door schurende
werking is verdwenen
Avulsie = volledig losscheuren van een lichaamsdeel door een externe
kracht, bijvoorbeeld bij ledematen wat zorgt voor een onvolledige
scheiding van de weke delen lagen waardoor er een huidflap ontstaat
Laceratie = scheuren in de huid en onderliggende weefsels die
worden veroorzaakt door een scherp of stomp voorwerp, een snede
met rafelige randen
Puncture = penetratie van diverse weeffsellagen door een scherp
voorwerp, kan ook komen door bijtwonden
Amputatie = lichaamsdeel is volledig verwijderd
Crush = pletten, beknellen door zwaar voorwerp of machine op
lichaamsdeel
Incisie = snijwond met rechte wanden
De student kan op systematische wijze een wond beschrijven
Er zijn meerdere manieren om wonden te classificeren,
bijvoorbeeld op etiologie, locatie, soort wond etc. Indeling van
wonden naar etiologie = mechanisch, chemisch, thermisch,
elektrisch, straling (zon, radioactief), infectieus, oncologisch
(carcinomen) en circulatoir (slechte weefseldoorbloeding).
TIME-model =
Tissue = beschrijft vitaliteit van de wond, dus vitaal of
necrotisch
Infection = is er sprake van een infectie
Moisture = nat, vochtig of droog
Edges = omgekrud/epibole, wijkend, wild vlees aan de
randen, randen nat of droog, ondermijning
De student kan uitleggen hoe de normale wondgenezing verloopt en de kenmerken van een gestoorde
wondgenezing benoemen
Fasen van wondgenezing:
1. Hemostase = bloedverlies voorkomen door vasoconstrictie, aggregatie en coagulatie
2. Inflammatie = ontstekingsreactie door neutrofylen en macrofagen, doorbloeding neemt toe waardoor de
wond rood, gezwollen en warm wordt.
3. Proliferatie/regeneratie = celprofileratie/granulatie en herstel ECM en epithelialisatie
4. Remodellering en rijping = maturatie van littekenweefsel
,Bij oppervlakkige schaafwonden vindt er epidermaal
herstel plaats, geen reparatie.
De student kan de factoren die wondgenezing vertragen of belemmeren benoemen en uitleggen
Complexe wonden zijn wonden die met de juiste behandeling na 3 weken nog geen genezing vertoont, er is dan
sprake van een onderliggend ziektebeeld die het herstel bemoeilijkt.
Intrinsieke factoren:
Lokaal = arteriële- en veneuze insufficiëntie, oedeem, necrose, maligniteit
Systemisch = ouderdom, anemie, chronische ziekten zoals immuunstoornissen, kanker, obesitas, metabole
afwijkingen, erfelijke ziekten
Extrinsieke factoren:
Lokaal = infectie, bestraling, vreemd lichaam, druk
Systemisch = roken, medicatie, ondervoeding
Beïnvloedende factoren = aanwezigheid van niet-vitaal weefsel (necrose, fibrine), bacteriële infectie, verstoring in
het vochtmanagement, verstoorde biochemische balans en cellulaire dysfunctie, onderliggend lijden als diabetes
mellitus, medicijngebruik, vaatlijden, belemmeringen bij de patiënt in het kader van therapietrouw
Verstorende factoren = infectie, ischemie
Risicofactoren op infectie:
Systemisch = vaatziekten, oedeem, ondervoeding,
diabetes, alcoholisme, eerdere operatie of
bestraling, medicijnen (corticosteroïden),
tekortschietend immuunsysteem, roken
Lokaal = groot wondoppervlak toename
wonddiepte, duur/aanwezigheid van de open
wond, anatomische locatie, vreemde lichamen,
dood weefsel, mechanisme van verwonding, mate
van contaminatie, verminderde doorbloeding
Tekenen van infectie = roodheid, temperatuur, zwelling, pijn, kleur van het wondvocht (sereus, serosanguineus,
sanguineus, purulent), geur, fluctuatie, wisselende bloedsuikers, verhoogd BSE, CRP en leukocyten, positieve
wondkweek.
Oorzaken ischemie zijn met name atherosclerose, zoals bij perifeer arterieel vaatlijden (PAV). Een mate om het
vaatlijden te meten is de enkel-armindex, hoe lager deze is hoe slechter de prognose.
,De student kan een behandelvoorstel doen voor verschillende soorten wonden (o.a. geïnfecteerde wonde
De student kan het
tetanusprotocol beschrijven
en uitleggen
, Anesthesie en (peri)operatieve zorg
De student kan de rol en het werk van de anesthesist beschrijven
De anesthesioloog is een medisch specialist die zich bezighoudt met geven van anesthesie bij operaties of andere
pijnlijke of belastende ingrepen door middel van controle, bewaking en zo nodig ondersteuning van vitale functies.
Daarbij horen taken als het veiligstellen van luchtweg en ademhaling, monitoring en aansturen van circulatie,
medicatie toedienen (slaapmiddelen, pijnstillers, spierverslappers) en het zorgen voor adequate postoperatieve
pijnstilling. Ook geeft een anesthesioloog sedatie onder supervisie en ziet patiënten voor pre- en postoperatieve
zorg.
Het doel van de anesthesie is om veilig en efficiënt chirurgische en diagnostische ingrepen te kunnen uitvoeren. Dit
kan gedaan worden door algehele anesthesie, (loco)regionale anesthesie en lokale anesthesie.
De student kan nut en noodzaak van preoperatieve screening beschrijven en de ASA-classificatie toepassen
De preoperatieve screening (POS) bestaat om een antwoord te kunnen geven op de vraag; kan deze patiënt op
korte termijn, zonder nader onderzoek of maatregelen een operatieve of diagnostische ingreep ondergaan? De
volgende vragen moeten beantwoord worden:
Wat is de operatie-indicatie en wat is het perioperatieve risico?
Achten patiënt, operateur en anesthesioloog het perioperatieve risico acceptabel?
Zijn de juiste maatregelen getroffen om het perioperatieve risico zoveel mogelijk te beperken?
Gaat de patiënt akkoord met de operatie, de
anesthesiologische behandeling en de verwachte
risico’s?
Op de POS worden de kansen van de perioperatieve
morbiditeit/mortaliteit ingeschat op basis van patiënten
factoren, de ingreep en de anesthesietechniek. Deze
laatste wordt dan ook bepaald. Daarbij wordt de conditie
van de patiënt geoptimaliseerd, bijvoorbeeld met
prehabilitatie. De patiënt wordt juist voorgelicht en geeft
informed consent volgens de WGBO. Tijdens de screening
wordt er een anamnese en lichamelijk onderzoek gedaan.
In het lichamelijk onderzoek wordt er onder andere
gekeken naar de Mallampetti score en gebitsstatus om
een mogelijk lastige intubatie te voorspellen. Daarnaast
wordt er ook gericht aanvullend hulponderzoek en wordt er gekeken naar aanvullende informatie van andere
behandelaars. Indien nodig worden andere disciplines geconsulteerd.
Soms moeten ingrepen uitgesteld worden, bijvoorbeeld bij luchtweginfecties. Bij cardiale problemen moet het
weken tot maanden uitgesteld worden, bij CVA 6-9 maanden.
Chirurgische risico classificatie:
Laag risico = niet vasculaire chirurgie aan extremiteit van matige duur (<3 uur), cataract, huidoperatie, korte-,
oppervlakkige procedure
Gemiddeld risico = meeste orthopedische ingrepen, urologische ingrepen, carotischirurgie, niertransplantatie,
buikoperatie
Hoog risico = lange en/of gecompliceerde (open) ingrepen van buik, thorax, hoofd en hals, vaatchirurgie van
aorta en onderste extremiteit, transplantatie anders dan van nier
Thema 1. Wonden en (peri)operatieve zorg
Wondzorg
De student kan beschrijven hoe de verschillende soorten acute wonden eruitzien (abrasie, incisie, avulsie, laceratie,
puncture, amputatie)
Abrasie = schaafwond, verbreking van de continuiteit van de huid
waarbij ten minste een deel van de opperhuid door schurende
werking is verdwenen
Avulsie = volledig losscheuren van een lichaamsdeel door een externe
kracht, bijvoorbeeld bij ledematen wat zorgt voor een onvolledige
scheiding van de weke delen lagen waardoor er een huidflap ontstaat
Laceratie = scheuren in de huid en onderliggende weefsels die
worden veroorzaakt door een scherp of stomp voorwerp, een snede
met rafelige randen
Puncture = penetratie van diverse weeffsellagen door een scherp
voorwerp, kan ook komen door bijtwonden
Amputatie = lichaamsdeel is volledig verwijderd
Crush = pletten, beknellen door zwaar voorwerp of machine op
lichaamsdeel
Incisie = snijwond met rechte wanden
De student kan op systematische wijze een wond beschrijven
Er zijn meerdere manieren om wonden te classificeren,
bijvoorbeeld op etiologie, locatie, soort wond etc. Indeling van
wonden naar etiologie = mechanisch, chemisch, thermisch,
elektrisch, straling (zon, radioactief), infectieus, oncologisch
(carcinomen) en circulatoir (slechte weefseldoorbloeding).
TIME-model =
Tissue = beschrijft vitaliteit van de wond, dus vitaal of
necrotisch
Infection = is er sprake van een infectie
Moisture = nat, vochtig of droog
Edges = omgekrud/epibole, wijkend, wild vlees aan de
randen, randen nat of droog, ondermijning
De student kan uitleggen hoe de normale wondgenezing verloopt en de kenmerken van een gestoorde
wondgenezing benoemen
Fasen van wondgenezing:
1. Hemostase = bloedverlies voorkomen door vasoconstrictie, aggregatie en coagulatie
2. Inflammatie = ontstekingsreactie door neutrofylen en macrofagen, doorbloeding neemt toe waardoor de
wond rood, gezwollen en warm wordt.
3. Proliferatie/regeneratie = celprofileratie/granulatie en herstel ECM en epithelialisatie
4. Remodellering en rijping = maturatie van littekenweefsel
,Bij oppervlakkige schaafwonden vindt er epidermaal
herstel plaats, geen reparatie.
De student kan de factoren die wondgenezing vertragen of belemmeren benoemen en uitleggen
Complexe wonden zijn wonden die met de juiste behandeling na 3 weken nog geen genezing vertoont, er is dan
sprake van een onderliggend ziektebeeld die het herstel bemoeilijkt.
Intrinsieke factoren:
Lokaal = arteriële- en veneuze insufficiëntie, oedeem, necrose, maligniteit
Systemisch = ouderdom, anemie, chronische ziekten zoals immuunstoornissen, kanker, obesitas, metabole
afwijkingen, erfelijke ziekten
Extrinsieke factoren:
Lokaal = infectie, bestraling, vreemd lichaam, druk
Systemisch = roken, medicatie, ondervoeding
Beïnvloedende factoren = aanwezigheid van niet-vitaal weefsel (necrose, fibrine), bacteriële infectie, verstoring in
het vochtmanagement, verstoorde biochemische balans en cellulaire dysfunctie, onderliggend lijden als diabetes
mellitus, medicijngebruik, vaatlijden, belemmeringen bij de patiënt in het kader van therapietrouw
Verstorende factoren = infectie, ischemie
Risicofactoren op infectie:
Systemisch = vaatziekten, oedeem, ondervoeding,
diabetes, alcoholisme, eerdere operatie of
bestraling, medicijnen (corticosteroïden),
tekortschietend immuunsysteem, roken
Lokaal = groot wondoppervlak toename
wonddiepte, duur/aanwezigheid van de open
wond, anatomische locatie, vreemde lichamen,
dood weefsel, mechanisme van verwonding, mate
van contaminatie, verminderde doorbloeding
Tekenen van infectie = roodheid, temperatuur, zwelling, pijn, kleur van het wondvocht (sereus, serosanguineus,
sanguineus, purulent), geur, fluctuatie, wisselende bloedsuikers, verhoogd BSE, CRP en leukocyten, positieve
wondkweek.
Oorzaken ischemie zijn met name atherosclerose, zoals bij perifeer arterieel vaatlijden (PAV). Een mate om het
vaatlijden te meten is de enkel-armindex, hoe lager deze is hoe slechter de prognose.
,De student kan een behandelvoorstel doen voor verschillende soorten wonden (o.a. geïnfecteerde wonde
De student kan het
tetanusprotocol beschrijven
en uitleggen
, Anesthesie en (peri)operatieve zorg
De student kan de rol en het werk van de anesthesist beschrijven
De anesthesioloog is een medisch specialist die zich bezighoudt met geven van anesthesie bij operaties of andere
pijnlijke of belastende ingrepen door middel van controle, bewaking en zo nodig ondersteuning van vitale functies.
Daarbij horen taken als het veiligstellen van luchtweg en ademhaling, monitoring en aansturen van circulatie,
medicatie toedienen (slaapmiddelen, pijnstillers, spierverslappers) en het zorgen voor adequate postoperatieve
pijnstilling. Ook geeft een anesthesioloog sedatie onder supervisie en ziet patiënten voor pre- en postoperatieve
zorg.
Het doel van de anesthesie is om veilig en efficiënt chirurgische en diagnostische ingrepen te kunnen uitvoeren. Dit
kan gedaan worden door algehele anesthesie, (loco)regionale anesthesie en lokale anesthesie.
De student kan nut en noodzaak van preoperatieve screening beschrijven en de ASA-classificatie toepassen
De preoperatieve screening (POS) bestaat om een antwoord te kunnen geven op de vraag; kan deze patiënt op
korte termijn, zonder nader onderzoek of maatregelen een operatieve of diagnostische ingreep ondergaan? De
volgende vragen moeten beantwoord worden:
Wat is de operatie-indicatie en wat is het perioperatieve risico?
Achten patiënt, operateur en anesthesioloog het perioperatieve risico acceptabel?
Zijn de juiste maatregelen getroffen om het perioperatieve risico zoveel mogelijk te beperken?
Gaat de patiënt akkoord met de operatie, de
anesthesiologische behandeling en de verwachte
risico’s?
Op de POS worden de kansen van de perioperatieve
morbiditeit/mortaliteit ingeschat op basis van patiënten
factoren, de ingreep en de anesthesietechniek. Deze
laatste wordt dan ook bepaald. Daarbij wordt de conditie
van de patiënt geoptimaliseerd, bijvoorbeeld met
prehabilitatie. De patiënt wordt juist voorgelicht en geeft
informed consent volgens de WGBO. Tijdens de screening
wordt er een anamnese en lichamelijk onderzoek gedaan.
In het lichamelijk onderzoek wordt er onder andere
gekeken naar de Mallampetti score en gebitsstatus om
een mogelijk lastige intubatie te voorspellen. Daarnaast
wordt er ook gericht aanvullend hulponderzoek en wordt er gekeken naar aanvullende informatie van andere
behandelaars. Indien nodig worden andere disciplines geconsulteerd.
Soms moeten ingrepen uitgesteld worden, bijvoorbeeld bij luchtweginfecties. Bij cardiale problemen moet het
weken tot maanden uitgesteld worden, bij CVA 6-9 maanden.
Chirurgische risico classificatie:
Laag risico = niet vasculaire chirurgie aan extremiteit van matige duur (<3 uur), cataract, huidoperatie, korte-,
oppervlakkige procedure
Gemiddeld risico = meeste orthopedische ingrepen, urologische ingrepen, carotischirurgie, niertransplantatie,
buikoperatie
Hoog risico = lange en/of gecompliceerde (open) ingrepen van buik, thorax, hoofd en hals, vaatchirurgie van
aorta en onderste extremiteit, transplantatie anders dan van nier