PB0422
1.1 wat is een experiment
Validiteit : je meet wat je wilt meten
(je kunt hierdoor de conclusies trekken die je ook wilt trekken)
Experiment: voor causale relaties
In een ideaal geval wordt alleen de onafhankelijke variabele (de veronderstelde oorzaak) veranderd of
gemanipuleerd
Ceteris paribus : alle overige omstandigheden blijven gelijk
Controlegroep: groep die niet gemanipuleerd wordt
betekend een controle conditie, dat je niets doet? > Nee, Een controleconditie betekent dus niet per se
"niets doen"; een controle vertegenwoordigt een neutrale situatie in brede zin. Het is een situatie
zoals deze zou zijn als er geen experimentele manipulatie zou plaatsvinden.
Mills Methode: om een causaal effect van X op Y aan te tonen, je ook moet aantonen dat in
afwezigheid van X, Y niet voorkomt. (ofwel controlegroep is nodig)
1. Methode van overeenkomst: Als X voordoet, doet Y zich ook voor (X veroorzaakt Y) -
experiment
2. Methode van verschil: Als X niet voordoet , doet Y zich ook niet voor - controle
Experimentele groep : Als X dan Y
Controle groep : Als – X (of afwezigheid X) dan -Y (afwezigheid Y)
Doel experiment:
- het testen van een hypothese
- het beantwoorden van een onderzoeksvraag.
1) Volledig gerandomiseerd ontwerp : randomisatie wordt gebruikt om deelnemers willekeurig
toe te wijzen aan experimentele condities.
(hele zuivere manier van onderzoek)
Randomisatie: Personen worden willekeurig toegedeeld aan een conditie / groep. (at random)
- Persoonskenmerken worden evenredig verdeeld
2) Quasi experimentele ontwerpen: er wordt geen randomisatie toegepast omdat een
bestaande groep wordt geobserveerd of gemanipuleerd.
- Scholen vergelijken (leerlingen zitten al op een bepaalde school)
- Ziekenhuizen vergelijken (artsen werken al op 1 ziekenhuis)
- De groep wordt dus niet at random verdeeld.
Quasi-experimenteel onderzoek is hierdoor iets zwakker in het aantonen van causale relaties dan
volledig gerandomiseerde ontwerpen.
,Het is echter just beter in ecologische validiteit (je onderzoekt namelijk in de ‘natuurlijke omgeving’ en
creert geen groepen).
Quasi zegt dus meer over gedrag in de natuurlijke omgeving/ dagelijks leven.
Het verlies van een gelijke verdeling van achtergrondkenmerken van proefpersonen in een
quasi-experiment kan soms worden gecompenseerd door een toename van ecologische
validiteit.
Cluster randomisatie: bestaande groepen/clusters worden verdeeld. / gedeeltelijke randomisatie.
Bijvoorbeeld: een hele school, afdeling of huisartsenpraktijk krijgt interventie of controle.
Op groepsniveau
Gerandomiseerd blokontwerp: Je maakt blokken (bijv. 4 of 6 proefpersonen).
Binnen elk blok worden proefpersonen random verdeeld over condities.
Vaak gebruikt bij kleine steekproeven om toevallige scheefheid te voorkomen.
Op individueel niveau
Matchen: zorgen dat bekende achtergrondkenmerken gelijk verdeeld zijn over de groepen.
1. Precisiecontrole: Bij deze manier van experimentele controle worden paren van
proefpersonen die op basis van allerlei achtergrondkenmerken zo veel mogelijk op elkaar
lijken, vooraf aan het experiment geïdentificeerd. Van elk paar wordt er vervolgens (random)
één proefpersoon in de controleconditie ingedeeld en één proefpersoon in de
interventieconditie.
2. Globale controle – Hierbij wordt ernaar gestreefd om het gemiddelde en/of de frequentie van
een aantal achtergrondkenmerken in alle condities gelijk te laten zijn (bijvoorbeeld hetzelfde
aantal jongens en meisjes, hetzelfde gemiddelde IQ enzovoort).
Kenmerk Matchen Blokontwerp Cluster-
randomisatie
Type toewijzing Op individueel niveau Op individueel niveau Op
groepsniveau
(cluster)
Doel Gelijke Balans tijdens Praktisch en
achtergrondkenmerken randomisatie logistiek
gemak
Wanneer toegepast Voor randomisatie Tijdens randomisatie Tijdens
randomisatie
Gericht op bekende Ja (kenmerken) Nee Niet
variabelen? noodzakelijk
Voorbeeld IQ-match per persoon Blokken van 4 Scholen als
proefpersonen clusters
Soorten Designs
Between subject design : proefpersonen toegewezen aan slechts één experimentele conditie.
> deelnemers zitten in groep A of groep B
, Within subject design: alle proefpersonen worden blootgesteld aan alle experimentele en
controlecondities.
> zoals jouw onderzoek. Alle deelnemers beoordelen geur en geen geur bij robot, mens en avatar.
Probleem within subject is counterbalancing
Counterbalancing: de reacties worden beïnvloed door de volgorde waarin de condities
worden aangeboden.
Hoe ga je dit tegen? Volgorde wisselen per groep
Mixed design: mix van between en within subjects designs te gebruiken, zoals bij klinisch onderzoek
waarbij de voortgang van twee groepen patiënten op drie verschillende tijdstippen wordt gemeten.
Pre-experimenteel Design : voor verkennend onderzoek. Geen randomisatie, geen controlegroep.
een eenvoudige onderzoeksopzet die voorafgaat aan een volledig experiment, gekenmerkt door het
ontbreken van een controlegroep en geen willekeurige toewijzing (randomisatie) aan groepen.
1.2 Experimentele designs
Bij pre experimentele designs is geen randomisatie of controlegroep.
Je kunt hier geen causale uitspraken doen
Er is niet genoeg controle over de situatie
O = observation: een waarneming of meting van de afhankelijke variabele.
X = het ondergaan van de experimentele stimulus (treatment).
R = er is sprake van randomisatie.
NR = er is geen sprake van randomisatie.
ER is dus geen randomisatie, > dus dit is een experimentele conditie
one shot case study:
X > O (manipulatie dan observatie)
Slechts één groep
Geen randomisatie
Geen pretest
Alleen een interventie gevolgd door een observatie
Een groep krijgt een nieuw lesprogramma (X), en daarna meet je de leerprestaties (O). Maar je weet
niet of ze vooruit zijn gegaan, want je hebt geen beginmeting en geen controlegroep.
One group pre-post design:
de proefpersonen wordt voor en na de manipulatie worden geobserveerd.
O dan X dan O (vaak bij single cases, 1 iemand meermaals onderzoeken)
Slechts één groep
Geen randomisatie
Wel een pretest én posttest
Je kunt veranderingen meten binnen de groep
Quasi experimenteel Posttest only design (Bestaande groep nameting only):
alleen een nameting na de manipulatie.
Er is geen randomisatie , bestaande groepen worden gebruikt.
Je vergelijkt twee of meer bestaande groepen: eentje die een interventie krijgt, en eentje die dat niet
krijgt.
- Je meet alleen achteraf (posttest), dus je weet niet wat de beginwaarden waren.