AFPF Casus 1
Regulatie
Een definitie geven van de begrippen ‘milieu intérieur’ en ‘homeostase’
Milieu interieur: het systeem dat het interstitiële- of weefselvloeistof omspoelt en zuurstof-
en voedingstoffen uit de bloedsomloop absorbeert en afvalstoffen transporteert naar de
uitscheidingsorganen. Ofwel de cellen in het lichaam.
Homeostase: Een stabiele toestand, gecreëerd door het milieu interieur. De omgeving
verandert namelijk.
Negatieve en positieve feedbackmechanismen met elkaar vergelijken
Negatief: een tegenovergestelde reactie. Elke verandering van het regulatiesysteem die zich
verwijdert van de normale waarde wordt tenietgedaan. Stijgt een variabel, laat negatieve
feedback het dalen. Daalt het, laat negatieve feedback het stijgen naar normale niveau.
Als je genoeg bent afgekoeld, maakt je lichaam weer warmte aan
Suikerhuishouding, laag in je suiker, suiker vrijmaken. Als je net hebt gegeten wordt juist je
suiker opgeslagen, want dan heb je genoeg.
Positief: de stimulus doet de respons progressief toenemen zodat, zolang de stimulus
aanhoudt, de respons progressief wordt versterkt. Voorbeelden: bloedstolling en
baarmoedercontracties bij bevalling. Stolling heeft ook weer een remsysteem, dus niet beste
voorbeelden.
Het proces van osmose vergelijken met dat van diffusie en met behulp van deze
begrippen uitleggen hoe moleculen zich verplaatsen binnen en tussen
compartimenten van het lichaam
Diffusie: verplaatsing van moleculen van een plaats met hoge concentratie naar een plaats
met lage concentratie. Gas, vloeistof, oplossing.
Is passief, geen gebruik energie. De natuur doet het.
Osmose: de verplaatsing van water met de concentratiegradiënt mee. Meestal als
moleculen te groot zijn om de poriën van het membraam te passeren. I.p.v. moleculen die
zich verplaatsen, verplaatst water zicht. Deeltjes trekken het water aan. Zo worden cellen
groter of krimpen.
Is passief, de waterverplaatsing
Voor de osmose, wel energieverbruik voor het pompen. De condities moeten gecreëerd
worden. Dus het is wel actief. Natrium-Kalium pomp is actief.
Moleculen verplaatsen zich door op zoek te gaan naar een evenwicht, van een hoge naar
een lage concentratie, als er geen barrière is.
Veel water drinken zonder zout, dan gaan je cellen
zwellen.
Meer zout in de cel, dan buiten de cel. Dus er wordt
meer water de cel ingepompt.
Te weinig water drinken, dan gaan je cellen krimpen;
uitdroging. Wat de concentratie zout buiten de cel is
hoger. Zout kan niet door de celwand, de cel gaat
water naar buiten de cel brengen, minder water in de A: Isotoon is een gelijke concentratie vloeistof
cel, de cel krimpt. B: Hypotoon is een lagere concentratie vloeistof
Het lichaam wil graag dat er een balans is. C: Hypertoon is een hogere concentratie vloeistof
1
,Een beschrijving geven van de termen intra- en extracellulaire vloeistof
Extracellulaire stof (ECF) is bloed, plasma, lymfe, cerebrospinale vloeistof en vloeistof in de
interstitiële ruimten en kleine hoeveelheden synoviale vloeistof, pericardvocht en
pleuravocht. ECF bevochtigt alle cellen in het lichaam met uitzondering de buitenste huid.
Intracellulaire stof (ICF) wordt geregeld door de cellen zelf door selectieve opname- en
uitscheidingsmechanismes.
Cellen
De structuur en functie beschrijven van de plasmamembraan
Het plasmamembraan is de buitenkant van de cel.
De functie van een plasmamembraan is de uitwisseling van stoffen tussen de cel en de
omgeving van de cel controleren. Intracellulaire milieu reguleren.
De structuur van een plasmamembraan bestaat uit 2 lagen fosfolipiden, koppen naar buiten,
staarten naar binnen eiwitten vormen kanalen die transport toelaten.
De functies beschrijven van de organellen
Kern (nucleus): de metabole activiteiten van een cel controleren, genetisch materiaal (DNA)
→ berichtjes uit de nucleus heet RNA – gaat naar ribosomen toe
Mitochondriën: energiecentrale, aerobe respiratie, het proces waardoor chemische energie
in de cel beschikbaar wordt. Gebruikt zuurstof om suiker af te breken. Komt weer co2 uit, dat
adem je uit.
Ribosomen: krijgt berichtjes uit kern (RNA), maken eiwitten uit aminozuren
Endoplasmatisch reticulum (ER): glad: maakt lipiden en steroidhormonen, ontgiftiging van
bepaalde (genees)middelen
Golgi-apparaat: exocytose is als er vraag is naar eiwitten, zijn die opgeslagen in het golgi-
apparaat en worden die vervoert naar het plasmamembraan
Lysosomen: afbraak van fragmenten van organellen en grote moleculen tot kleinere
partikels. Afbraak van stoffen, iets is oud of bacterie moet worden kapotgemaakt, doet
lysosoom.
Cytoskelet: geeft structuur, stevigheid en vorm aan de cel en geleidt de stoffen die door de
cel vervoerd moeten worden.
De twee stappen van de celcyclus, interfase en mitose, globaal beschrijven
Interfase: cel groeit qua maat en volume, functies uitvoeren. Chromosomen
vermenigvuldigen zich, 2 identieke DNA-kopieën. Cel groeit voort en bereidt zich voor op
celdeling.
Mitose: chromosomen gekoppeld aan kopie, vastgehecht, splitsen, spoel
2
,Overeenkomsten en verschillen aangeven van actief, passief en bulktransport van
stoffen door de celmembraan heen
Actief: transport tegen de concentratiegradiënt in, van lage naar hoge. Aangedreven door
chemische energie.
Passief: als stof kan verplaatsen zonder energieverbruik (diffusie, osmose)
Bulktransport: deeltjes die te groot zijn om door de celmembraan te passeren
Weefsels
De structuur en functies beschrijven van epitheel, bindweefsel en spierweefsel
Epitheel (belangrijkste weefsel)
Bijv. bovenste laag van je huid, bekleding lichaamsholten, klieren en kanalen.
Weefsel wat veel energie kost en veel groei, bv. huid wat vernieuwd.
Structuur:
- Enkele laag identieke cellen, op sommige plekken in het lichaam
- Meerlagig, meestal is dit de beschermingslaag
Functies:
Bescherming van onderliggende structuren tegen bijv. uitdroging, chemische schade,
mechanische schade, secretie, absorptie
Staat veel in contact met buitenwereld, bijv. maag-darm stelsel. In aanraking met bijv.
alcohol.
Bindweefsel (beetje tegenovergestelde van epitheel, weinig laagjes, veel ruimte tussen de
laagjes – vet, water)
Structuur:
Het gaat meer over de structuur, dan dat het echt iets doet. Het bestaat altijd uit de volgende
drie componenten: cellen, vezels, intracellulaire substantie (matrix).
Functies:
Binding en ondersteuning van de structuur, bescherming, transport, isolatie. Vooral ter
versteviging, bijv. de spieren aan het bot koppelen, de enkelbanden, pezen, kraakbeen.
Spierweefsel
Structuur:
Hangt van de soort af.
Functie:
Maakt beweging mogelijk binnen het lichaam en van het lichaam
Drie soorten:
- Dwarsgestreept spierweefsel
Dit kan je bewust aanspannen. Dit weefsel zit aan het skelet vast.
- Glad spierweefsel
Dit weefsel valt niet onder je bewust vermogens en wordt door het autonome
zenuwstelsel aangestuurd. Denk hierbij aan een maag die knort of de bloedtoevoer in
de slagaders
- Hartspierweefsel
Ook dwarsgestreept, maar niet je bewuste vermogen. Is uiteraard alleen rondom het
hart te vinden.
3
, De structuur en functies van de epitheliale membranen, slijm- en sereuze vliezen
(serosa) en de synoviale membranen uitleggen
Weefsels werken samen, iets nodig van beide.
Epitheliale membranen (het membraan is een samenwerking van verschillende laagjes):
bekleding van interne holten en structuren (bijv. slijmvlies). Je hebt epitheel nodig, en
bindweefsellaag nodig voor stevigheid.
Slijmvlies: vochtige bekleding van spijsverteringskanaal, luchtwegen, urinewegen,
geslachtsorganen. Beschermt tegen uitdroging, mechanische en chemische schade
Serosa: waterige vloeistof. Zorgt ervoor dat organen vrij in de holte kunnen bewegen zonder
schade aan aangrenzende organen. Pleurae: bekleden thoraxholte en omgeven de longen,
pericardium: bekleden pericardholte en omgeeft het hart, peritoneum: bekleedt buikholte en
omgeeft buikorganen.
Synoviale membranen: bindweefsellaag, daardoor kunnen we heel lang wandelen zonder
versleten knieën. Bekleding van gewrichtsholten en banden die anders beschadigd zouden
raken door wrijving tegen beenderen. Bijv. banden over polsgewricht. Zit ook een soort
vloeistof bij.
De structuur en functies van exocriene klieren vergelijken met die van endocriene
klieren
Het zijn groepjes epitheelcellen met een specifiek uitscheidingsproduct.
Exocriene klieren: die hun product aan het epitheeloppervlak van een hol orgaan
uitscheiden, direct of via klierbuis. Maken bijv. speeksel, oorsmeer, spijsverteringssappen.
Buitenwereld is ook waar geen bloed komt, de binnenkant van je maag. Dus wat je drinkt etc
is in contact met de buitenwereld, want het komt er weer uit. Als je plastic eet en het komt er
weer uit, is het medisch gezien niet in je lichaam geweest want het is de bloedbaan niet
ingekomen.
Endocriene klieren: hormonale klieren, scheiden hun product uit in het bloed en de lymfe.
Hebben geen klierbuis, scheiden hormonen uit.
Anatomie
De richtingsaanduidingen in de anatomie aflezen van een afbeelding en toepassen op
het lichaam van een patiënt (sinister/links, dexter/rechts, mediaal, lateraal, proximaal,
distaal, anterior/ventraal, posterior/dorsaal, superior/craniaal, inferior/caudaal)
Mediaal: naar het midden toe gelegen
Lateraal: verder van de middellijn, zijkant
Proximaal: dichter bij een bepaald aanhechtingspunt van een ledemaat of oorsprong van
een lichaamsdeel
Distaal: verder bij een bepaald aanhechtingspunt van een ledemaat of oorsprong van een
lichaamsdeel
Anterior/ventraal: dichter bij voorzijde lichaam
Posterior/dorsaal: dichter bij de achterzijde lichaam
Superior/craniaal: dichter bij hoofd
Inferior/caudaal: verder van hoofd
4
Regulatie
Een definitie geven van de begrippen ‘milieu intérieur’ en ‘homeostase’
Milieu interieur: het systeem dat het interstitiële- of weefselvloeistof omspoelt en zuurstof-
en voedingstoffen uit de bloedsomloop absorbeert en afvalstoffen transporteert naar de
uitscheidingsorganen. Ofwel de cellen in het lichaam.
Homeostase: Een stabiele toestand, gecreëerd door het milieu interieur. De omgeving
verandert namelijk.
Negatieve en positieve feedbackmechanismen met elkaar vergelijken
Negatief: een tegenovergestelde reactie. Elke verandering van het regulatiesysteem die zich
verwijdert van de normale waarde wordt tenietgedaan. Stijgt een variabel, laat negatieve
feedback het dalen. Daalt het, laat negatieve feedback het stijgen naar normale niveau.
Als je genoeg bent afgekoeld, maakt je lichaam weer warmte aan
Suikerhuishouding, laag in je suiker, suiker vrijmaken. Als je net hebt gegeten wordt juist je
suiker opgeslagen, want dan heb je genoeg.
Positief: de stimulus doet de respons progressief toenemen zodat, zolang de stimulus
aanhoudt, de respons progressief wordt versterkt. Voorbeelden: bloedstolling en
baarmoedercontracties bij bevalling. Stolling heeft ook weer een remsysteem, dus niet beste
voorbeelden.
Het proces van osmose vergelijken met dat van diffusie en met behulp van deze
begrippen uitleggen hoe moleculen zich verplaatsen binnen en tussen
compartimenten van het lichaam
Diffusie: verplaatsing van moleculen van een plaats met hoge concentratie naar een plaats
met lage concentratie. Gas, vloeistof, oplossing.
Is passief, geen gebruik energie. De natuur doet het.
Osmose: de verplaatsing van water met de concentratiegradiënt mee. Meestal als
moleculen te groot zijn om de poriën van het membraam te passeren. I.p.v. moleculen die
zich verplaatsen, verplaatst water zicht. Deeltjes trekken het water aan. Zo worden cellen
groter of krimpen.
Is passief, de waterverplaatsing
Voor de osmose, wel energieverbruik voor het pompen. De condities moeten gecreëerd
worden. Dus het is wel actief. Natrium-Kalium pomp is actief.
Moleculen verplaatsen zich door op zoek te gaan naar een evenwicht, van een hoge naar
een lage concentratie, als er geen barrière is.
Veel water drinken zonder zout, dan gaan je cellen
zwellen.
Meer zout in de cel, dan buiten de cel. Dus er wordt
meer water de cel ingepompt.
Te weinig water drinken, dan gaan je cellen krimpen;
uitdroging. Wat de concentratie zout buiten de cel is
hoger. Zout kan niet door de celwand, de cel gaat
water naar buiten de cel brengen, minder water in de A: Isotoon is een gelijke concentratie vloeistof
cel, de cel krimpt. B: Hypotoon is een lagere concentratie vloeistof
Het lichaam wil graag dat er een balans is. C: Hypertoon is een hogere concentratie vloeistof
1
,Een beschrijving geven van de termen intra- en extracellulaire vloeistof
Extracellulaire stof (ECF) is bloed, plasma, lymfe, cerebrospinale vloeistof en vloeistof in de
interstitiële ruimten en kleine hoeveelheden synoviale vloeistof, pericardvocht en
pleuravocht. ECF bevochtigt alle cellen in het lichaam met uitzondering de buitenste huid.
Intracellulaire stof (ICF) wordt geregeld door de cellen zelf door selectieve opname- en
uitscheidingsmechanismes.
Cellen
De structuur en functie beschrijven van de plasmamembraan
Het plasmamembraan is de buitenkant van de cel.
De functie van een plasmamembraan is de uitwisseling van stoffen tussen de cel en de
omgeving van de cel controleren. Intracellulaire milieu reguleren.
De structuur van een plasmamembraan bestaat uit 2 lagen fosfolipiden, koppen naar buiten,
staarten naar binnen eiwitten vormen kanalen die transport toelaten.
De functies beschrijven van de organellen
Kern (nucleus): de metabole activiteiten van een cel controleren, genetisch materiaal (DNA)
→ berichtjes uit de nucleus heet RNA – gaat naar ribosomen toe
Mitochondriën: energiecentrale, aerobe respiratie, het proces waardoor chemische energie
in de cel beschikbaar wordt. Gebruikt zuurstof om suiker af te breken. Komt weer co2 uit, dat
adem je uit.
Ribosomen: krijgt berichtjes uit kern (RNA), maken eiwitten uit aminozuren
Endoplasmatisch reticulum (ER): glad: maakt lipiden en steroidhormonen, ontgiftiging van
bepaalde (genees)middelen
Golgi-apparaat: exocytose is als er vraag is naar eiwitten, zijn die opgeslagen in het golgi-
apparaat en worden die vervoert naar het plasmamembraan
Lysosomen: afbraak van fragmenten van organellen en grote moleculen tot kleinere
partikels. Afbraak van stoffen, iets is oud of bacterie moet worden kapotgemaakt, doet
lysosoom.
Cytoskelet: geeft structuur, stevigheid en vorm aan de cel en geleidt de stoffen die door de
cel vervoerd moeten worden.
De twee stappen van de celcyclus, interfase en mitose, globaal beschrijven
Interfase: cel groeit qua maat en volume, functies uitvoeren. Chromosomen
vermenigvuldigen zich, 2 identieke DNA-kopieën. Cel groeit voort en bereidt zich voor op
celdeling.
Mitose: chromosomen gekoppeld aan kopie, vastgehecht, splitsen, spoel
2
,Overeenkomsten en verschillen aangeven van actief, passief en bulktransport van
stoffen door de celmembraan heen
Actief: transport tegen de concentratiegradiënt in, van lage naar hoge. Aangedreven door
chemische energie.
Passief: als stof kan verplaatsen zonder energieverbruik (diffusie, osmose)
Bulktransport: deeltjes die te groot zijn om door de celmembraan te passeren
Weefsels
De structuur en functies beschrijven van epitheel, bindweefsel en spierweefsel
Epitheel (belangrijkste weefsel)
Bijv. bovenste laag van je huid, bekleding lichaamsholten, klieren en kanalen.
Weefsel wat veel energie kost en veel groei, bv. huid wat vernieuwd.
Structuur:
- Enkele laag identieke cellen, op sommige plekken in het lichaam
- Meerlagig, meestal is dit de beschermingslaag
Functies:
Bescherming van onderliggende structuren tegen bijv. uitdroging, chemische schade,
mechanische schade, secretie, absorptie
Staat veel in contact met buitenwereld, bijv. maag-darm stelsel. In aanraking met bijv.
alcohol.
Bindweefsel (beetje tegenovergestelde van epitheel, weinig laagjes, veel ruimte tussen de
laagjes – vet, water)
Structuur:
Het gaat meer over de structuur, dan dat het echt iets doet. Het bestaat altijd uit de volgende
drie componenten: cellen, vezels, intracellulaire substantie (matrix).
Functies:
Binding en ondersteuning van de structuur, bescherming, transport, isolatie. Vooral ter
versteviging, bijv. de spieren aan het bot koppelen, de enkelbanden, pezen, kraakbeen.
Spierweefsel
Structuur:
Hangt van de soort af.
Functie:
Maakt beweging mogelijk binnen het lichaam en van het lichaam
Drie soorten:
- Dwarsgestreept spierweefsel
Dit kan je bewust aanspannen. Dit weefsel zit aan het skelet vast.
- Glad spierweefsel
Dit weefsel valt niet onder je bewust vermogens en wordt door het autonome
zenuwstelsel aangestuurd. Denk hierbij aan een maag die knort of de bloedtoevoer in
de slagaders
- Hartspierweefsel
Ook dwarsgestreept, maar niet je bewuste vermogen. Is uiteraard alleen rondom het
hart te vinden.
3
, De structuur en functies van de epitheliale membranen, slijm- en sereuze vliezen
(serosa) en de synoviale membranen uitleggen
Weefsels werken samen, iets nodig van beide.
Epitheliale membranen (het membraan is een samenwerking van verschillende laagjes):
bekleding van interne holten en structuren (bijv. slijmvlies). Je hebt epitheel nodig, en
bindweefsellaag nodig voor stevigheid.
Slijmvlies: vochtige bekleding van spijsverteringskanaal, luchtwegen, urinewegen,
geslachtsorganen. Beschermt tegen uitdroging, mechanische en chemische schade
Serosa: waterige vloeistof. Zorgt ervoor dat organen vrij in de holte kunnen bewegen zonder
schade aan aangrenzende organen. Pleurae: bekleden thoraxholte en omgeven de longen,
pericardium: bekleden pericardholte en omgeeft het hart, peritoneum: bekleedt buikholte en
omgeeft buikorganen.
Synoviale membranen: bindweefsellaag, daardoor kunnen we heel lang wandelen zonder
versleten knieën. Bekleding van gewrichtsholten en banden die anders beschadigd zouden
raken door wrijving tegen beenderen. Bijv. banden over polsgewricht. Zit ook een soort
vloeistof bij.
De structuur en functies van exocriene klieren vergelijken met die van endocriene
klieren
Het zijn groepjes epitheelcellen met een specifiek uitscheidingsproduct.
Exocriene klieren: die hun product aan het epitheeloppervlak van een hol orgaan
uitscheiden, direct of via klierbuis. Maken bijv. speeksel, oorsmeer, spijsverteringssappen.
Buitenwereld is ook waar geen bloed komt, de binnenkant van je maag. Dus wat je drinkt etc
is in contact met de buitenwereld, want het komt er weer uit. Als je plastic eet en het komt er
weer uit, is het medisch gezien niet in je lichaam geweest want het is de bloedbaan niet
ingekomen.
Endocriene klieren: hormonale klieren, scheiden hun product uit in het bloed en de lymfe.
Hebben geen klierbuis, scheiden hormonen uit.
Anatomie
De richtingsaanduidingen in de anatomie aflezen van een afbeelding en toepassen op
het lichaam van een patiënt (sinister/links, dexter/rechts, mediaal, lateraal, proximaal,
distaal, anterior/ventraal, posterior/dorsaal, superior/craniaal, inferior/caudaal)
Mediaal: naar het midden toe gelegen
Lateraal: verder van de middellijn, zijkant
Proximaal: dichter bij een bepaald aanhechtingspunt van een ledemaat of oorsprong van
een lichaamsdeel
Distaal: verder bij een bepaald aanhechtingspunt van een ledemaat of oorsprong van een
lichaamsdeel
Anterior/ventraal: dichter bij voorzijde lichaam
Posterior/dorsaal: dichter bij de achterzijde lichaam
Superior/craniaal: dichter bij hoofd
Inferior/caudaal: verder van hoofd
4