Hoofdstuk 1: Perspectieven en geschiedenis van de
psychologie:
§1.1: Wat is psychologie:
Doordat iedereen al vrij snel enige vorm van mensenkennis bezit, zal niemand
geschrokken zijn als een puber bijvoorbeeld een kapot beeldscherm heeft van zijn of haar
telefoon. Doordat iedereen mensenkennis bezit houden we rekening met ons eigen gedrag
voor het gevoel van anderen. Je kunt vaak wel redelijk goed aanvoelen en vermoeden wat
anderen denken en voelen.
De mate van psychologisch inzicht kan verschillen per persoon. De een is nou eenmaal
beter in dan de ander. Dit inzicht kan gaan over behoeften, angsten, gedachten, etc. Deze
dingen hebben betrekking op liefde, verlangen, eer, macht, idealen, frustraties, goed, kwaad,
e.d.
Psychologie vind je terug in allerlei dingen, zoals boeken, schilderijen, maar ook in
gezegden, zoals: ‘oost, west - thuis best’.
Als iedereen enigszins wat mensenkennis heeft (uitzonderingen daargelaten), waarom zou
je dan de wetenschap psychologie hebben. Deze wetenschap bestaat omdat het toetst of
iets ook echt waar is. Daarnaast ontwikkelt een wetenschap zich ook, net zoals psychologie.
Wetenschap werkt methodisch; wetenschappers gaan op een vaste, goed doordachte
manier aan het werk. Dingen die ze waarnemen schrijven ze op, bedenken een mogelijke
verklaring, een hypothese, en controleren of hun voorspelling klopt. Bij wetenschap heb je
vaak de term: ‘als-dan-uitspraak’. Neem het gegeven: Als je water verhit tot 100 graden
celcius dan gaat het koken. Als er iets het ander veroorzaakt noem je dit een causaal
verband.
§1.2: Stromingen met hun eigen perspectief:
Elke wetenschap heeft zijn eigen geschiedenis. Iemand moet er tenslotte mee begonnen
zijn. In de psychologie zie je dat een lange tijd de meeste psychologen hun vak op één
manier zagen (de bron van ons gedrag zit in het onbewuste). Later kwam men erachter dat
de verschillende leerprocessen die we doormaken ons gedrag bepalen. Om de geschiedenis
van de psychologie goed te kunnen begrijpen spreken we over stromingen: een tijd waarin
een bepaalde opvatting van de psychologie domineert.
Psychologie begon in Duitsland, Leipzig, om precies te zijn. In 1879 stichtte filosoof en arts
Wilhelm Wundt een psychologisch laboratorium op. Eerder was er ook al één in de VS
gesticht door William James, maar Wundt werd er bekender door. Wundt ging verschillende
onderzoeken doen. Het eerste onderzoek ging over zintuiglijke waarneming; wanneer zie
je dat het licht van een lampje is toegenomen? Wanneer voel je het gewichtje in je hand
zwaarder worden? Als je twee potloodpuntjes op je huid drukt, maar steeds dichter bij
elkaar, op welke afstand voel je dan nog maar één puntje? Deze onderzoeken gaven niet
per se direct veel inzicht in het menselijk gedrag, maar dit was pas het begin.
Later begon men vooral veel geheugen proeven te doen: hoe onthoud je iets het
beste? Hoe gaat het vergeten van iets? Dit onderzochten ze en maakten hier een grafiek
van. Dit soort onderzoek wordt overigens nog steeds gedaan en noemen we de functieleer.
, Naast dat het soms vrij technisch was om dit allemaal te onderzoeken, was het ook een
biologisch perspectief: verschillende lichamelijke ‘dingen’ zijn met elkaar verbonden. Dit
zie je nu ook nog steeds terug. Bijvoorbeeld: iemand zijn gedrag wordt heel anders als deze
persoon veel alcohol in zijn lichaam heeft zitten.
Het laboratorium leverde zeker wat nuttige dingen op, maar het menselijk gedrag kreeg je er
niet door. Dit veranderde toen Sigmund Freud werk ging maken. Door hem werd het
perspectief veel breder en dieper. Freud was naast onderzoeker ook dokter. Hij was erg
intelligent en geïnteresseerd in een veel voorkomende ziekte uit deze tijd, hysterie genoemd.
Hysterie was een nogal vreemde ziekte. Zo kon iemand van de één op de andere dag
ineens verlamd zijn aan zijn arm, terwijl er helemaal niets mis was met die arm. Freud en
Joseph Breuer, een andere arts, kwamen erachter dat hysterie te ‘genezen’ was als
bepaalde herinneringen bij een patiënt weer bewust werden. Hysterie was dus niet iets
lichamelijks, maar iets psychisch. Dit was het begin van een uitgebreide theorie over gedrag.
Dit werd door Freud de psychoanalyse genoemd. Tegenwoordig noemen we het de
psychodynamische theorie. Het gaat om een theorie over de psychische krachten. Deze
theorie begon rond 1900. Psychische krachten kunnen je ook ziek maken, zoals je
ongelukkig voelen, angsten hebben, je jaloers voelen, etc. Door achter de psyche van
lijdende mensen te komen, kun je hen helpen. Dit noemen we de psychoanalyse.
De psychodynamica zegt dat de mens geboren is met driften
en psychische krachten. De belangrijkste drift is seksualiteit,
de drift tot zelfbehoud en soort behoud. Freud noemde de
driften Id (es). We willen de driften bevredigen, maar dat kan
niet zomaar door de samenleving. Men moet namelijk
rekening houden met de realiteit. Dat noemen we het ego
(ich). Bovendien worden de driften in toom gehouden door het
geweten superego (uber-ich). Deze theorie gaat over de
persoonlijkheid. Psychoanalyticus Andreas gaf hierdoor een
verklaring voor grensoverschrijdend gedrag: een minder goed ontwikkeld superego.
Door de ervaringen die Freud had met zijn patiënten, schiep hij een theorie over de
ontwikkeling van seksualiteit. Deze begint niet pas in de puberteit, maar al bij baby’s en
kleuters. Wat er vroeger gebeurde in het leven is bepalend voor de rest van het leven.
Problemen van volwassenen zijn vaak goed te verklaren door te kijken naar hun eerste
levensjaren. Om hierachter te komen gebruikte Freud dromen van patiënten en iets dat hij
vrije associatie noemde; hardop vertellen wat er spontaan bij je opkomt, soms uitgelokt
door een prikkelwoord.
De theorieën van Freud werden door veel verschillende psychologen overgenomen en
verder ontwikkeld. Zo ook Carl Jung en Alfred Adler. Zij kregen echter ook ideeën waar
Freud het niet mee eens kon zijn. Zij hielden wel vast aan het idee van het onbewuste. De
psychoanalyse werd beroemd en had invloed op veel verschillende gebieden: de
opvoeding, de zorg voor mensen met psychische klachten, de beeldende kunst, de
literatuur, godsdienst, reclame, etc. Ook was er kritiek op de psychodynamica. Want
sommige dingen konden gewoon onmogelijk worden getoetst. Bijvoorbeeld: Is een vertelde
droom ook echt zo gedroomd?
psychologie:
§1.1: Wat is psychologie:
Doordat iedereen al vrij snel enige vorm van mensenkennis bezit, zal niemand
geschrokken zijn als een puber bijvoorbeeld een kapot beeldscherm heeft van zijn of haar
telefoon. Doordat iedereen mensenkennis bezit houden we rekening met ons eigen gedrag
voor het gevoel van anderen. Je kunt vaak wel redelijk goed aanvoelen en vermoeden wat
anderen denken en voelen.
De mate van psychologisch inzicht kan verschillen per persoon. De een is nou eenmaal
beter in dan de ander. Dit inzicht kan gaan over behoeften, angsten, gedachten, etc. Deze
dingen hebben betrekking op liefde, verlangen, eer, macht, idealen, frustraties, goed, kwaad,
e.d.
Psychologie vind je terug in allerlei dingen, zoals boeken, schilderijen, maar ook in
gezegden, zoals: ‘oost, west - thuis best’.
Als iedereen enigszins wat mensenkennis heeft (uitzonderingen daargelaten), waarom zou
je dan de wetenschap psychologie hebben. Deze wetenschap bestaat omdat het toetst of
iets ook echt waar is. Daarnaast ontwikkelt een wetenschap zich ook, net zoals psychologie.
Wetenschap werkt methodisch; wetenschappers gaan op een vaste, goed doordachte
manier aan het werk. Dingen die ze waarnemen schrijven ze op, bedenken een mogelijke
verklaring, een hypothese, en controleren of hun voorspelling klopt. Bij wetenschap heb je
vaak de term: ‘als-dan-uitspraak’. Neem het gegeven: Als je water verhit tot 100 graden
celcius dan gaat het koken. Als er iets het ander veroorzaakt noem je dit een causaal
verband.
§1.2: Stromingen met hun eigen perspectief:
Elke wetenschap heeft zijn eigen geschiedenis. Iemand moet er tenslotte mee begonnen
zijn. In de psychologie zie je dat een lange tijd de meeste psychologen hun vak op één
manier zagen (de bron van ons gedrag zit in het onbewuste). Later kwam men erachter dat
de verschillende leerprocessen die we doormaken ons gedrag bepalen. Om de geschiedenis
van de psychologie goed te kunnen begrijpen spreken we over stromingen: een tijd waarin
een bepaalde opvatting van de psychologie domineert.
Psychologie begon in Duitsland, Leipzig, om precies te zijn. In 1879 stichtte filosoof en arts
Wilhelm Wundt een psychologisch laboratorium op. Eerder was er ook al één in de VS
gesticht door William James, maar Wundt werd er bekender door. Wundt ging verschillende
onderzoeken doen. Het eerste onderzoek ging over zintuiglijke waarneming; wanneer zie
je dat het licht van een lampje is toegenomen? Wanneer voel je het gewichtje in je hand
zwaarder worden? Als je twee potloodpuntjes op je huid drukt, maar steeds dichter bij
elkaar, op welke afstand voel je dan nog maar één puntje? Deze onderzoeken gaven niet
per se direct veel inzicht in het menselijk gedrag, maar dit was pas het begin.
Later begon men vooral veel geheugen proeven te doen: hoe onthoud je iets het
beste? Hoe gaat het vergeten van iets? Dit onderzochten ze en maakten hier een grafiek
van. Dit soort onderzoek wordt overigens nog steeds gedaan en noemen we de functieleer.
, Naast dat het soms vrij technisch was om dit allemaal te onderzoeken, was het ook een
biologisch perspectief: verschillende lichamelijke ‘dingen’ zijn met elkaar verbonden. Dit
zie je nu ook nog steeds terug. Bijvoorbeeld: iemand zijn gedrag wordt heel anders als deze
persoon veel alcohol in zijn lichaam heeft zitten.
Het laboratorium leverde zeker wat nuttige dingen op, maar het menselijk gedrag kreeg je er
niet door. Dit veranderde toen Sigmund Freud werk ging maken. Door hem werd het
perspectief veel breder en dieper. Freud was naast onderzoeker ook dokter. Hij was erg
intelligent en geïnteresseerd in een veel voorkomende ziekte uit deze tijd, hysterie genoemd.
Hysterie was een nogal vreemde ziekte. Zo kon iemand van de één op de andere dag
ineens verlamd zijn aan zijn arm, terwijl er helemaal niets mis was met die arm. Freud en
Joseph Breuer, een andere arts, kwamen erachter dat hysterie te ‘genezen’ was als
bepaalde herinneringen bij een patiënt weer bewust werden. Hysterie was dus niet iets
lichamelijks, maar iets psychisch. Dit was het begin van een uitgebreide theorie over gedrag.
Dit werd door Freud de psychoanalyse genoemd. Tegenwoordig noemen we het de
psychodynamische theorie. Het gaat om een theorie over de psychische krachten. Deze
theorie begon rond 1900. Psychische krachten kunnen je ook ziek maken, zoals je
ongelukkig voelen, angsten hebben, je jaloers voelen, etc. Door achter de psyche van
lijdende mensen te komen, kun je hen helpen. Dit noemen we de psychoanalyse.
De psychodynamica zegt dat de mens geboren is met driften
en psychische krachten. De belangrijkste drift is seksualiteit,
de drift tot zelfbehoud en soort behoud. Freud noemde de
driften Id (es). We willen de driften bevredigen, maar dat kan
niet zomaar door de samenleving. Men moet namelijk
rekening houden met de realiteit. Dat noemen we het ego
(ich). Bovendien worden de driften in toom gehouden door het
geweten superego (uber-ich). Deze theorie gaat over de
persoonlijkheid. Psychoanalyticus Andreas gaf hierdoor een
verklaring voor grensoverschrijdend gedrag: een minder goed ontwikkeld superego.
Door de ervaringen die Freud had met zijn patiënten, schiep hij een theorie over de
ontwikkeling van seksualiteit. Deze begint niet pas in de puberteit, maar al bij baby’s en
kleuters. Wat er vroeger gebeurde in het leven is bepalend voor de rest van het leven.
Problemen van volwassenen zijn vaak goed te verklaren door te kijken naar hun eerste
levensjaren. Om hierachter te komen gebruikte Freud dromen van patiënten en iets dat hij
vrije associatie noemde; hardop vertellen wat er spontaan bij je opkomt, soms uitgelokt
door een prikkelwoord.
De theorieën van Freud werden door veel verschillende psychologen overgenomen en
verder ontwikkeld. Zo ook Carl Jung en Alfred Adler. Zij kregen echter ook ideeën waar
Freud het niet mee eens kon zijn. Zij hielden wel vast aan het idee van het onbewuste. De
psychoanalyse werd beroemd en had invloed op veel verschillende gebieden: de
opvoeding, de zorg voor mensen met psychische klachten, de beeldende kunst, de
literatuur, godsdienst, reclame, etc. Ook was er kritiek op de psychodynamica. Want
sommige dingen konden gewoon onmogelijk worden getoetst. Bijvoorbeeld: Is een vertelde
droom ook echt zo gedroomd?