Hoofdstuk 14: Klassieke conditionering:
§14.1: Wat is klassiek conditioneren?:
Als iemand die een alcoholverslaving heeft gehad langs een café loopt, waar hij/zij altijd een
biertje dronk met zijn vrienden, krijgt deze persoon een associatie met een koud, schuimend
biertje. Dit is best logisch. De associatie wordt automatisch gemaakt en daar kan je zelf niets
aan doen. Zijn reactie is een psychische reflex die het gevolg is van een leerproces dat we
klassieke conditionering noemen. Het komt erop neer dat we leren om dingen in verband
te brengen met elkaar. Om te weten hoe klassieke conditionering precies werkt moeten we
kijken naar twee psychologen: Ivan P. Pavlov en John B. Watson. Deze twee psychologen
vertegenwoordigen beiden de stroming behaviorisme. Behavioristen richten zich uitsluitend
op waarneembaar gedrag en doen daar onderzoek en theorievorming over. Ze geloven dus
dat al het waarneembare gedrag voorspeld en verklaard kan worden vanuit de leertheorieën.
Behavioristen zetten zich dus af van hun voorgangers: de psychodynamische traditie, waar
de aandacht juist ligt op de onbewuste psychologische processen van mensen.
Pavlovs ontdekking:
Pavlov deed in het begin van de 20e eeuw onderzoek naar klassieke conditionering, Hij
hield zich bezig met een onderzoek naar het zenuwstelsel en de spijsvertering van honden
toen het hem opviel dat dieren beginnen te kwijlen als je een lap vlees voor hun gezicht
houdt. Dit is in principe niets geks. Daarnaast viel het Pavlov op dat honden ook begonnen
te kwijlen als zij alleen al een persoon zagen die het eten kwam brengen. Door dit waar te
nemen besloot Pavlov een onderzoek uit te gaan voeren. Hij liet een bel horen als de
honden eten kregen. Het duurde niet lang voordat de honden al gingen kwijlen als ze alleen
al de bel hoorden. De reactie op de bel is een aangeleerde respons. Het voedsel werd door
Pavlov de ongeconditioneerde stimulus: een prikkel die vanuit zichzelf een reflexmatige
geconditioneerde respons triggert; het kwijlen dus
Ongeconditioneerde stimulus (voedsel) →ongeconditioneerde respons (kwijlen)
Ongeconditioneerde stimulus + neutrale stimulus → ongeconditioneerde
respons (kwijlen)
(voedsel + bel)
Geconditioneerde stimulus (bel) →geconditioneerde respons (kwijlen)
Watsons onderzoek:
Samen met zijn collega Rayner liet Watson zien hoe mensen angsten ‘leren’. Zij deden een
experiment met een één jaar oud jongetje, Little Albert. Aan het begin van het experiment
was hij niet bang voor witte muizen. Bij afloop wel. Watson liet, als Albert met de witte
muizen aan het spelen was, een heel hard geluid horen. Kort daarna werd Little Albert
doodsbang voor muizen. Het is aannemelijk dat Albert als volwassene nog steeds bang is
voor witte muizen. Zelfs voor alle dieren die een witte, zachte vacht hebben, of voor alle
knaagdieren. Dit fenomeen noemen we generalisatie. Er wordt hier geen onderscheidt
gemaakt tussen verschillende stimuli en dat de aangeleerde respons zich heeft uitgebreid
§14.1: Wat is klassiek conditioneren?:
Als iemand die een alcoholverslaving heeft gehad langs een café loopt, waar hij/zij altijd een
biertje dronk met zijn vrienden, krijgt deze persoon een associatie met een koud, schuimend
biertje. Dit is best logisch. De associatie wordt automatisch gemaakt en daar kan je zelf niets
aan doen. Zijn reactie is een psychische reflex die het gevolg is van een leerproces dat we
klassieke conditionering noemen. Het komt erop neer dat we leren om dingen in verband
te brengen met elkaar. Om te weten hoe klassieke conditionering precies werkt moeten we
kijken naar twee psychologen: Ivan P. Pavlov en John B. Watson. Deze twee psychologen
vertegenwoordigen beiden de stroming behaviorisme. Behavioristen richten zich uitsluitend
op waarneembaar gedrag en doen daar onderzoek en theorievorming over. Ze geloven dus
dat al het waarneembare gedrag voorspeld en verklaard kan worden vanuit de leertheorieën.
Behavioristen zetten zich dus af van hun voorgangers: de psychodynamische traditie, waar
de aandacht juist ligt op de onbewuste psychologische processen van mensen.
Pavlovs ontdekking:
Pavlov deed in het begin van de 20e eeuw onderzoek naar klassieke conditionering, Hij
hield zich bezig met een onderzoek naar het zenuwstelsel en de spijsvertering van honden
toen het hem opviel dat dieren beginnen te kwijlen als je een lap vlees voor hun gezicht
houdt. Dit is in principe niets geks. Daarnaast viel het Pavlov op dat honden ook begonnen
te kwijlen als zij alleen al een persoon zagen die het eten kwam brengen. Door dit waar te
nemen besloot Pavlov een onderzoek uit te gaan voeren. Hij liet een bel horen als de
honden eten kregen. Het duurde niet lang voordat de honden al gingen kwijlen als ze alleen
al de bel hoorden. De reactie op de bel is een aangeleerde respons. Het voedsel werd door
Pavlov de ongeconditioneerde stimulus: een prikkel die vanuit zichzelf een reflexmatige
geconditioneerde respons triggert; het kwijlen dus
Ongeconditioneerde stimulus (voedsel) →ongeconditioneerde respons (kwijlen)
Ongeconditioneerde stimulus + neutrale stimulus → ongeconditioneerde
respons (kwijlen)
(voedsel + bel)
Geconditioneerde stimulus (bel) →geconditioneerde respons (kwijlen)
Watsons onderzoek:
Samen met zijn collega Rayner liet Watson zien hoe mensen angsten ‘leren’. Zij deden een
experiment met een één jaar oud jongetje, Little Albert. Aan het begin van het experiment
was hij niet bang voor witte muizen. Bij afloop wel. Watson liet, als Albert met de witte
muizen aan het spelen was, een heel hard geluid horen. Kort daarna werd Little Albert
doodsbang voor muizen. Het is aannemelijk dat Albert als volwassene nog steeds bang is
voor witte muizen. Zelfs voor alle dieren die een witte, zachte vacht hebben, of voor alle
knaagdieren. Dit fenomeen noemen we generalisatie. Er wordt hier geen onderscheidt
gemaakt tussen verschillende stimuli en dat de aangeleerde respons zich heeft uitgebreid